Scans - dbnl

Commenti

Transcript

Scans - dbnl
BUDRAGEN EN MEDEDEELINGEN
VAN HET
HISTORISCH GENOOTSCHAP
(GEVESTIGD •TE UTRECHT).
..----------0...'"-
ZES EN DERTIGSTE DEEL.
- ------.;:r>c›-
AMSTERDAM,
JOHANNES MOLLER.
1915.
INHOUD.
VERSLAG VAN HET BESTUUR OVER HET DIENSTJA AR 1
Bladz.
v
9 1 1. .
MLA GEN VAN HET VERSLAG
A.
NAAMLIJST DER LEDEN VAN HET GENOOTSCHAP . .
B.
GENOOTSCHAPPEN ENZ ., WAARMEDE HET GENOOTSCHAP
C.
OVERZICHT VAN DEN STAAT DER KAS VAN HET
D.
LUST DER VAN JANUARI 1914 TOT JANUARI 1915
XXV
XLII
IN BETREKKING STAAT . . . X LYE I
GENOOTSCHAP . .
DOOR SCHENKING , RUILING EN AANKOOP VOOR
L
HET GENOOTSCHAP VERKRE GEN WERKEN. . • E.
JA ARVERSLAG VAN DE CENTRAIE COMMISSIE VOOR, DE
HISTORISCH-STATISTISCHE KAARTEN VAN NEDERLAND OVER 1914.
F.
.....
LX IX
VERSLAG VAN DE VERGADERING DER LEDEN VAN HET
HISTORISCH GENOOTSCHAP , GEHOUDEN OP DINSD A.G
14
APRIL 1914 IN HET GEBOUW VOOR KUNSTEN
LXXI
EN WETENSCHAPPEN TE UTRECHT .. BRIEVEN OVER HET BELEG VAN ' S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR
1629 , medegedeeld door
DR. J. S. VAN VEEN. . • . • •
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS ,
K.
VOS
.
.
............
DE GEL DERSCHEN IN TWENTHE IN
1
medegedeeld door
.
39
.
1510, medegedeeld door DR
A. HULSHOF . . . EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVIN G DER NEDERLANDEN CI
71
677—
1678) , medegedeeld door DR. GISBERT BROIL . ....
S1
HEN UTRECHTS CH PA3tEFLET UIT DEN LEY CESTERSCHEN T 1.1 D ,
231
medegedeeld door DR. MR. S. MULLER FZ. . .
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING CHRISTIAAN II
VAN DEN EMARK EN ,
KERNKAMP ..
1520--1523, medegedeeld door
G. W 255
VERSLAG VAN HET BESTUUR
OVER HET DIENSTJAAR
1914.
,,,,--Met woorden van rouw moeten wij tot ons diep leedwezen het verslag over het jaar , dat achter ons ligt ,
inleiden. Het Bestuur van het Historisch Genootschap
heeft door den geheel onverwachten dood van zijn betreurd medelid Prof. Bussemaker een verlies geleden ,
waarvan de zwaarte ons nog elken dag in haar vollen
omvang voor oogen staat.
Toen wij in 1901 het wenschelijk oordeelden den kring
van bet Bestuur nit te zetten en de vier hoogleeraren
in de geschiedenis aan de universiteiten buiten Utrecht
uitgenoodigd hadden daarvan deel te komen uitmaken ,
was Bussemaker , die destijds nog te Groningen woonde ,
diegene onzer buitenleden , dien wij het minst in onze
vergaderingen zagen verschijnen. wij begrepen , dat de
afstand een werkelijk bezwaar was , en verheugden ons ,
indien hij een enkele maal Yerscheen , al bleven wij van
den aanvang of met hem in nauwe schriftelijke aanraking.
Doch sedert hij in 1905 het Noorden voor Leiden had
verlaten , waar hij den leerstoel ging innemen, opengevallen
door bet overlijden van zijn medebestuurslid Prof. P. L.
Muller, is dit geheel anders geworden. Voortaan behoorde hij tot die buitenleden van het Bestuur , die het
trouwst onze bijeenkomsten bezochten en alle jaren , die
volgden , heeft hij ons met ruime hand de vele en
schoone gaven van zijn hoofd en hart geschonken. Elders
zal beschreven worden wat Bussemaker geweest is als
VI
geleerde en als docent ; op deze plaats past het ons Bleats
hem te herdenken in zijn verdiensten voor ons Genootschap en voor den kleinen kring van zijn Bestuur.
Talrijk zijn de bijdragen van zijn hand , die onze uitgavel' sieren wij noemen bier slechts den omvangrijken bundel brieven van den franschen gezant D'Affry
nit Fruins nalatenschap dien bij voor de Bijdragen en
illededeelingen van 1906 bewerkte maar talloos zijn de
adviezen en rapporten , die hij in den loop der jaren op
ons verzoek opstelde , wanneer meer of minder belangrijke
uitgaven aan de orde kwamen. Wij voelden ons wel
eens wat bezwaard, wanneer wij wederom een beroep op
zijn nimmer falende welwillendheid waagden te doen ,
want wij wisten immers , dat hij niet weigeren zou ; maar
wij vroegen toch in de overtuiging , dat wat hij ons zou
aanbieden openhartig , degelijk gedocumenteerd en volledig zou zijn ; wij wisten van te voren , dat wij na kennisneming zijn advies tot het onze zouden kunnen maken.
wij achten ons gelukkig , dat ten minste een dier rapporten , het Verslag van een voorloopig onderzoek naar de
Bentincic-papieren , aanivezig in het Britsch _Museum te
Londen, in de Bydragen van 1907 afgedrukt, onze meening
tegenover hen , die geen blik in het Genootschaps-archief
kunnen slaan, zal mogen rechtvaardigen.
Toen wij in 1903 wederom het voorrecht hadden de
leden van het Genootschap in Algemeene Vergadering
bijeen te zien. , was het Bussemaker , die in deze bijeenkomst zijn denkbeelden over de opleiding der historici
in Nederland ontwikkelde. Na een belangrijk debat nam
de vergadering het besluit, aan het Bestuur opdracht te
verleenen zich , zooals de Spreker had voorgesteld , in
deze gewichtige aangelegenheid met een adres tot de
regeering te wenden , om te trachten de zoo hoogst
noodzakelijke verbeteringen in die opleiding te verkrjgen.
Al werd het ontwerpen van dat adres aan de vijf hoogleeraren in de geschiedenis opgedragen , die toen deel van
het Bestuur uitmaakten behoeft het toch geen betoog,
dat de conclusion van Prof. Bussemaker, die trouwens
door de vergadering reeds waren aangenomen , van dit
stuk den grondelag hebben uitgemaakt. Wel werd de
VII
wet , die den student in de letteren bij zijn studien in
een knellend keurslijf gevat houdt, sedert niet gewijzigd,
maar , indien in later jaren binnen de perken der wettelijke voorschriften veel verbetering en verruiming is aangebracht voor hen , die de geschiedenis tot het yak hunner
keuze hebben gemaakt dan mag zonder twijfel aan Bussemaker het hem op grond van zijn advies toekomende
aandeel in die hervormingen worden toegekend. Moeten
wij ten slotte nog gewagen van den warmen handdruk
en den gullen lach , waarmede hij ons steeds tegemoet
kwam , van de van groote belezenheid en helder inzicht
getuigende gesprekken, waarmede hij onze bijeenkomsten
na afdoening der gewone werkzaamheden zoo dikwijls
versierde P Indien wij het toch doen, door dankbaarheidsplicht gedrongen, zoo voelen wij , dat niet de behoefte
om te overtuigen ons drigt. Wie den goeden, rechtvaardigen en zachtmoedigen man gekend hebben, zullen weten,
dat het geen vormelijke plichtpleging is , wanneer wij
verklaren in onzen vriend zeer veel te hebben verloren.
Wij zullen zijn nagedachtenis in dankbare herinnering
bewaren.
Mochten wij gelukkig voor verdere wijzigingen in de
samenstelling van het Bestuur gespaard blijven , de lijst
der leden onzer vereeniging onderging gedurende den loop
van het jaar meer verandering dan gewoonlijk. Door
overlijden verloren wij 10 gewone leden , die wij sedert
langer of korter tijd tot de onzen hadden mogen rekenen ;
maar toen in den zomer de oorlog om ons losbarstte ,
hebben wij een oogenblik gevreesd dat het Genootschap
onder de toen zich vertoonende paniek ernstig zou te
lijden hebben. Ten slotte zijn gelukkig onze ongunstige
verwachtingen door de werkelijkheid gelogenstraft. Het
aantal der leden, die gedurende 1914 voor het lidmaatschap hebben bedankt , was wel aanmerkelijk grooter dan
in normale jaren , — het bedroeg 30 , maar wij verlieugen ons , dat zoovelen ingezien hebben , dat in deze
benarde dagen niet alleen zj , die door de wangunst der
tijden getroffen worden , steun verdienen , maar dat ook
de vvetenschap hare rechten blijvend mag doen golden.
Bovendien worden , zooals onze jaarlijksche rekeningen
VIII
uitwijzen , door het Genootschap aanmerkelijke sommen
aan drukkosten betaald ; indien wij nu , zooals wij een
oogenblik meenden te moeten overwegen , dairop hadden
moeten bezuinigen , zouden een aantal drukkersgezellen
hiervan in de eerste plaats het slachtoffer geworden zijn.
Verloor het Genootschap dus in bet geheel 40 gewone
leden , bij het einde van het verslagjaar traden tot onze
blijdschap op onze uitnoodiging 36 nieuwe leden toe,
zoodat , al kunnen wij voor het eerst sedert jaren niet
op vooruitgang bogen , het verlies toch niet al te drukkend is gebleken. De rij der bijlagen tot dit verslag
opent als naar gewoonte met de opsomming der namen
van de 24 honoraire en de 502 gewone leden , die het
Genootschap op 1 Januari 1915 telde. Pat echter dit
jaarverslag nog meermalen in het teeken van den oorlog
zal staan , behoeft voorzeker geen betoog.
Pit zal al dadelijk het geval zijn , wanneer wij gaan
spreken over het ruilverkeer met het buitenland. Zooals
uit bijlage D blijkt , is het getal der periodieke genootschapsuitgaven , die wij in beperkter mate of in het
geheel niet uit het ruilverkeer ontvingen , ongewoon doch
niet onbegrijpelijk aanzienlijk. De verzending onzer eigen
uitgaven naar het buitenland door bemiddeling van het
Leidsche Centraal-bureau zal ook wel onder het gestremde of bemoeilijkte verkeer hebben geleden; wij ontvingen immers over het laatste halfjaar nagenoeg geen
ontvangbewijzen. Natuurlijk hebben wij in beide gevallen , tegen ons gebruik , niet gereclameerd. Moge het
volgende jaarverslag van een volledig hersteld wetenschappelijk internationaal verkeer kunnen gewagen 1).
Uit de als bijlage B hierachter opgenomen lijst der
ruilgenootschappen zal bij vergelijking met de vorige
blijken , dat hun getal , thans 105 , met een is verminderd.
In het voorjaar toch moesten wij , in antwoord op een
aanmaning onzerzijds , van de Gesellschaft fiir lothringische Geschichte und Altertumskunde te Metz vernemen ,
1) Sedert het begin van het nieuwe jaar is reeds een aanmerkelijke
verbetering- ingetreden.
dat zij reeds sedert geruimen tad besloten had het ruilverkeer te staken. wij willen en kunnen de mededeeling
niet tegenspreken , maar wij vernamen er nu voor het
eerst jets van.
Toch werden ons van verschillende zijden wel aanbiedingen tot het aanknoopen van ruilverkeer gedaan, maar
wij meenden om verschillende redenen daarop niet te
moeten ingaan. Zoo op die van de Westdeutsche Gesellschaft fur Familienkunde , in de maand Alaart 1914 te
Keulen opgericht, daar wij het door Naar nagestreefde
doel van to specifiek genealogischen en lokalen acrd
achtten ; zoo ook op de aanvrage om ruilverkeer van de
Commission royale des anciens lois et ordonnances de Belgique, aan Welke wij, evenals reeds bij een dergelijke
uitnoodiging in het jaar 1909 , antwoordden dat wij op
het bezit barer uitgaven hoogen prijs zouden stellen ,
indien zich niet reeds een exemplaar daarvan in de
Utrechtsche Universiteits-bibliotheek be yond , terwijI wij
ook geen aanleiding vonden in Brussel, waar reeds talrijke
openbare verzamelingen in het bezit onzer uitgaven zijn ,
aan de verspreiding er van nog meer uitbreiding te geven.
De University of Honkong deed ook een voorstel de
wederzijdsche publicaties te ruilen ; wij vroegen om
tingen aangaande hetgeen uit het Terre Oosten ons aangeboden zou kunnen worden, maar ontvingen — het was
nog in rustige tijden — op onze aanvrage geen antwoord.
Onder deze rubriek zij nog een enkel woord gewljd
aan een aangelegenheid , die niet geheel onder het begrip
ruilverkeer valt. In den aanvang van het verslagjaar verzocht de bibliothecaris der Nederlandsche Handels-hoogeschool te Rotterdam de bibliotheek Bier instelling onder
de leden van het Genootschap te willen inschrijven. Wij
wilden gaarne de Elandels-hoogeschool, die geen ruilverkeer
aanbood , ter wille zijn ; maar aangezien het Genootschap
om administratieve redenen slechts natuurlijke personen
ten opzichte van bet lidmaatschap kent, deden wij in antwoord het 'voorstel, dat de bestuurders der Rotterdamsche
hoogeschool een persoon zouden aanwijzen , aan wien de
uitgaven van het Genootschap ten behoeve van hare bibliotheek zouden kunnen worden toegezonden en wien wij ,
x
zoo -hij niet reeds lid van het Genootschap was , het lidrnaatschap zouden kunnen aanbieden. Het schijnt , dat
deze zeer eenvoudige opiossing bij de Handels-hoogeschool
bezwaren heeft ontmoet ; ten minste wij mochten op ons
voorstel niets naders vernemen.
In bijlage 0 tot dit verslag vinden belangstellenden
het gewone overzicht der geldmiddelen van het Genootschap. De staat der kas sluit met een batig saldo van
f 4625,925 , in welk bedrag behalve eenige buitengewone
inkomsten ook de saldi van vorige jaren begrepen zijn ,
zoodat over 1914 een oversehot blijft van f 1463.505 ; deze
toestand is niet ongunstig , doch wij moeten op ongewone financieele verhoudingen bedacht blajven. Zoo zal
het niemand verwonderen dat wij besloten de Belgische
leden van het Genootschap voorloopig gedurende hetjaar
1915 van het betalen van contributie vrij te stellen ;
terwiji natuurlijk, en wij komen beneden op deze zaak
nader terug , een ons toegezegd subsidie van de Belgische regeering, waarvan wij in 1914 den eersten termijn
hadden zullen ontvangen , voorloopig onder de onzekere
inkomsten moet gerekend worden. Een bedrag van f 3000,
dat door bet uitloten van obligaties was vrijgekornen,
vermeerderden wij met f 2000 uit ooze kasmiddelen, die
in deposito uitstonden , waarop wij goed meenden te doen
voor het gezamenlijke bedrag van f 5000 op de groote
oorlogsleening in te schrijven. Hier zij nog vermeld , dat
in het begin van het afgeloopen jaar een der leden van
het Genootschap ons verraste met een feestgave van f 100;
op uitdrukkelijk verlangen van den milden gever vermogen wij niet in nadere omsehrijving te treden. Hij aanvaarde nog eens van deze plaats onzen diepgevoelden dank.
Reeds eenige malen spraken wij in dit Terslag van
een nieuw contract met de drukkers van het Genootschap,
de firma Kemink en Zoon den laatsten keer berichtten
wij dat het tot stand was gekomen , doch bj wijze van
proof nog slechts voor een jaar zou gelden. Toeu. op
1 Maart 1914 deze termijn was afgeloopen hebben wij
de werking er van nagegaan en uit de resultaten van
dat onderzoek aanleiding gevonden het contract thans
definitief te teekenen.
XI
Het jaarlijksche verslag van den 1 sten Bibliothecaris
over den staat der boekerij en der handschriften van.
het Genootschap , kon ons naar gewoonte niet veel verrassend nieuws brengen. De verzameling boeken verkeert
in goeden staat en die der handschriften in rustige rust.
Pat ons medelid te klagen had over stagnatie in de toezending sedert den afgeloopen herfst uit het buitenland ,
berichtten wij reeds boven.
In den aanvang van het verslagjaar bereikten ons
klachten over het niet beschikbaar zijn ten behoeve van
gebruikers der Universiteits-bibliotheek van boeken aan
het Genootschap behoorende , maar op verzoek van Prof.
Oppermann gedeponeerd in het Instituut voor middeleeuwsche geschiedenis der Utrechtsche Rijks-Universiteit.
Daar wij de klacht van belang achtten , hebben wij haar
terdege onderzocht; gelukkig bleek hier misverstand in
het spel te zijn en behoefde van een botsing van belangen tu.sschen onze Boekerij en de Universiteits-bibliotheek geen sprake te zijn.
Over het Leesgezelschap kunnen wij niet veel goeds
melden ; zoowel te Utrecht , ale bij de filialen te Amsterdam , Arnhem en Middelburg gaat het getal leden gestadig
achteruit , zoodat de financieele toestand dezer instelling,
die een afzonderlijk geldelijk beheer voert, niet zeer rooskleurig moet heeten. wij zonnen reeds op middelen tot
herstel van zijn bloei, doch zagen hierop slechts kans
bij hernieuwde belangstelling der leden in de leeskringen
der historische tjdschriften. Uitbreiding van het instituut
met nieuwe filialen , zoo al mogeljjk, zou aan de bestaande
niet ten goede komen ; wij vreezen dan ook , zoo er geen
nieuwe leden zich opgeven , het getal der tijdschriften
die wij voor rondzending aankoopen , eenigszins te moeten
besnoeien , hoe ongaarne wij daartoe zullen overgaan.
Moge een woord van opwekking op deze plaats zijn nitwerking niet missen ! Door het overlijden eener vroegere
bodin kwam het bedrag van het haar toegekende pensioen
vrij, doch deze vermindering der uitgaven is van te gering
belang voor het evenwicht der middelen van het Leesgezelschap.
E vinden de leden hierachter het jaarver-
XII
slag der Centrale Commissie voor de Historisch-statistische
Schetskaarten van Nederland , terwij1 een laatste bijlage,
gemerkt F , een kort verslag geeft van de op 14 April
gehouden Algemeene Vergadering der leden van het Genootschap. wij konden de toen gehouden voordrachten
niet, zooals wij gaarne gewenscht hadden en voorheen
ook wel eens deden , in een afzonderlijk deeltje ter
kennis der leden brengen , doch behoeven hen , die de
vergadering niet bezochten , toch niet geheel teleur te
stellen. Den inhoud der rede van Prof. Kernkamp vinden
zij voor een deel in zijn in dezen bundel Bijdragen en Mededeelingen opgenomen bijdrage verwerkt ; de heer Gosses
wenschte zijn voordracht echter elders te plaatsen , zoodat
wij ons slechts tot een kort uittreksel dienden te bepalen.
De orde der verslagen van de laatste jaren volgende ,
geven wij thans een overzicht van die bemoeiingen van
het Bestuur gedurende het afgeloopen jaar,, die geen
verband houden met de aan onze zorgen toevertrouwde
uitgaven. Onze werkzaamheden nit dezen hoofde waren
weinig talrijk en namen niet veel van onzen tijd en onze
moeite in beslag.
In een op 2 April te Amsterdam gehouden constitueerende vergadering van het Nederlandsch historisch-economisch Archief was het Bestuur uitgenoodigd een vertegenwoordiger te zenden. Deze sprak in die bijeenkomst
een woord van gelukwensch uit naam van het Genootschap en zegde van deze zijde medewerking toe tot het
doel, waarnaar het Archief streeft.
Een ander lid van het Bestuur had zich reeds bereid
verklaard het Genootschap te vertegenwoordigen op het
33ste Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres ,
maar dit is , zooals men weet , om bekende redenen niet
doorgegaan.
Een vleiende , doch van de werkelijkheid ietwat afwijkende voorstelling der middelen van het Genootschap ,
wellicht ook van die zijner leden , schijnt men in Amerika
te hebben. Immers in de maand Januari ontvingen wij
een uitiioodiging van de Panama-Pacific international
Exposition , Bureau of Conventions and Societies, oni tus-
mix
schen Februari en December 1915 te San Francisco ter
gelegenheid van die tentoonstelling een vergadering van
het Genootschap te willen komen houden. Niettegenstaande het verlokkende aanbod van ter beschikking te
stellen lokalen en het vooruitzicht op gereduceerde prijzen
op spoorweg en schip , meenden wij niet in dit voorstel
te moeten treden , twijfelende of deze vergadering een
succes zou zijn. Toen de gracieuse uitnoodiging later
echter nog eenige malen werd herhaald en zelfs langs
diplomatieken weg ondersteund , hebben wij geantwoord ,
dat er eigenaardige bezwaren voor ons waren om in het
gewaardeerde voorstel te treden , doch tevens ons bereid
verklaard de leden van het Genootschap op te wekken
in 1915 individueel naar San Francisco te tijgen , wat
wij bij dezen zonder veel overtuiging van goeden uitslag
plichtmatig wagers te doen.
Een weigerend antwoord om statutaire redenen moesten
wij wederom geven op enkele verzoeken om subsidie ,
die ons bereikten. Het behoeft geen betoog , dat het
doel , dat de aanvragers beoogden : het oprichten van een
Hildebrand-gedenkteeken te Haarlem en van een eenvoudig monument van lokale historische beteekenis ter
plaatse van de voormalige Tolsteegpoort te Utrecht, onze
sympathie in geenen deele misten.
Een verzoek oxn toezending van historisch-statistische
kaarten van Nederland , door de Historische Konzinission
von Nieder-Sachsen, vermochten wij door bemiddeling van
het Centraalbureau te Hattem te doen inwilligen , doch
op een aanvrage van het Gemeentebestuur van Marken
om afstand in origineel of in afschrift van een Schepenboek van Marken , dat blijkens een mededeeling in een
onzer uitgaven in vroeger jaren eens in een bestuursvergadering was ter tafel geweest , moesten wij antwoorden. ,
dat het bewuste stuk nooit in het bezit van het Genootschap was geweest. Kan wellicht een onzer lezers in dezen
licht verschaffen ?
Ten slotte wenschen wij in deze rubriek van ons verslag te vermelden , dat wij aan de oprichters van het
Leuvensche boekenfonds , waarvan wij het Joel genoegzaam
bekend achten , de toezegging deden van een zoo volledig
XIV
mogelijk exemplaar van de uitgaven van het Historisch
Genootschap.
De goede verwachtingen , die wij verleden jaar uitten
van het in 1914 voor de verzending gereed komen van
een bundel herziene en nieuwe regels voor het uitgeven
van handschriften en het samenstellen van inleidingen
en indices, zijn door de uitkomst beschaamd. Meermalen
hebben wij er ons merle bezig gehouden; alles is thans
in ontwerp gereed maar de definitieve vaststelling en de
redactie voor den druk lieten nog op zich wachten. Wij
hopen die zeer spoedig ter hand to nemen.
Bij het uitvoeren van het programma , dat wij ons
voor het jaar 1914 hadden gesteld stuitten wij herhaaldelijk op tegenspoed ; we hebben het zelfs niet geheel
kunnen afwerken. Wel verscheen op den gewonen tad
het vijf-en-dertigste deel der Bijdragen en illeeledeelingen -deze jaarlijks terugkeerende uitgave van het Genootschap
hebben wij immers het meest in de hand — , maar met
de twee andere publicaties , die wij voor het afgeloopen
jaar hadden aangekondigd, liep het niet, zooals wij het
gehoopt hadden. Het eerst hadden wij als een nummer
der Werken aan de leden willen toezenden het tweede
deel van de Stadsrekeningen van Leiden , waarvan de
kopij bij den aanvang van het jaar reeds voor het grootste
deel was afgedrukt dock eerst ongesteldheid van den
bewerker, Mr. A. Meerkamp van Embden , later van
zjjn medewerker bij het samenstellen der omvangrijke
indices en de omstandigheid , dat bieraan veel meer werk
bleek vast to zitten dan verwacht was , dat alles heeft
ten gevolge gehad , dat met het afdrukken van dit deel
het gansche verdere jaar 1914 is gemoeid geweest, zoodat wij eerst op den allerlaatsten dag daarvan een deel
der oplage van deze uitgave de wereld konden inzenden.
Het was geen geringe teleurstelling , maar wij overwogen , dat , gegeven de omstandigheden, die ieder onzer
na 1 Augustus in meerder of mindere mate in zijn arbeid
hebben belemmerd , wij ook met onze medewerkers geduld moesten hebben en ten slotte zijn de Leidsche rekeningen dan toch binnen het verslagjaar versehenen.
XV
bit kunnen wij helaas ! niet zeggen van de insgelijks
voor 1914 toegezegde Aanvullingen en verbeteringen van
het Register op de Journalen van Constantijn Huygens den
Goon ; doch hier was het een ernstiger beletsel , dat ons
verhinderde op tijd gereed te zijn. In ons vorig verslag
moesten wij zinspelen op den minder gunstigen gezondheidstoestand van den verzamelaar Bier addenda et corrigenda, Jhr. Mr. J. H. bra Siccama. Deze was , toen
wij dit sehreven , reeds van dien aard , dat de heer
Siccama alle bemoeiingen met deze uitgave op had moeten
geven , doch hij had te voren reeds maatregelen genomen,
dat de druk ongestoord zijn voortgang zou kunnen hebben.
Mejuffrouw M. G. A. de Man te Middelburg en de heer
Jhr. H. Beelaerts van Blokland , jur. cand. te 's-Gravenhage , zouden de proeven en revisies nazien , de laatste
zooveel mogelijk den tekst, waar noodig, controleeren.
Bovendien hadden wij het voorrecht in den heer Mr. W.
H. de Beaufort een uiterst bevoegd toeziener op de nitgave , die in staat van wording was , te mogen vinden.
De druk behoefde dus niet gestaakt te worden , al kon
de schrijver zelf van zijn ziekbed niet anders dan belangstelling daarin toonen. Doch zelfs de mogelijkheid van
hem , indien het noodig moat blijken , te raadplegen
werd ons afgesneden , toen in April de heer Hora Siccama
na een langdurig 1ijden aan zijn gezin en zijn werk , waaraan hij zoovele jaren van zijn leven had gewijd , kwam
te ontvallen. Nu wij de vruchten van dien arbeid reeds
voor het grootste deel gedrukt voor ons zien , beseffen
wij eerst recht, welk een moeite , toewjding en rijke
kennis daaraan ten grondslag hebben gelegen , hoe gaarne
hadden wij zijn book voltooid hem in de handers willen
leggen ! Het afdrukken ging inmiddels voort , doch kreeg
wederom een zeer ongewenschte stagnatie , toen in Augustus
de heer Beelaerts onder de wapenen werd geroepen en
uit den aard der zaak alle bemoeienis met deze uitgave
voorloopig moest staken.
Mej. De Man , toen aangezocht de geheele behandeling
der drukproeven op zich te nemen , moest bezwaar tegen
dat verzoek maken , daar zij in haar woonplaats niet over
de daarvoor noodige litteratuur had te beschikken , en
XVI
zoo scheen de uitgave van willen 's heeren Siccama's
Hugeniana in een tijdperk van stilstand te zullen ge-
raken , toen tot onze blijdschap een reddende hand ons
werd toegestoken. Het was die van den heer Dr. J. A.
Worp , den voortreffelijken keener der Huygensen en
hunne dagcn , die reeds sedert eenigen tijd over de onderhavige uitgave door ons was geraadpleegd en die zich
thans bereid verklaarde de gansche behandeling der
drukproeven , met de contrOle op den tekst incluis , op
zich te nemen. Wij kunnen den heer Worp niet dankbaar genoeg zijn voor zijn onwaardeerbare hulp , die ons
in staat zal stellen de verweesde uitgave , bid ontstentenis
van de vaderlijke hand , zoo goed als mogelijk kan
zijn aan het belangstellende publiek aan te bieden. De
heer De Beaufort , die, toen wij hem het eerst aanzochten
zijn medewerking te verleenen, slechts aarzelend had toegestemd , meende zich nu wel te mogen terugtrekken ,
toen hij de uitgave onder zulke goede hoede zag. Hem,
evenals mejuffrouw De Man en voorloopig ook den heer
Beelaerts zij Kier onze beste dank toegebracht voor hetgeen zij ten bate dozer belangwekkende publicatie verricht hebben. Het ligt voor de hand , dat onder al de
genoemde tegenspoeden de druk vertraging heeft undervonden en het boekdeel , dat zeer lijvig belooft te worden , met geen mogelijkheid meer in het verslagjaar het
Hat heeft kunnen Lien. wij beweren het nu voor het
voorjaar van 1915, in de vcrwachting, dat geen nieuwe
tegenspoeden onze voornemens zullen dwarsboomen.
Uitvoerig hebben wij in het vorige jaarverslag gesproken over de groote onderneming , die wij op het getouw
hadden gezet : het voortzetten van Gachard's Correspondance de Marguerite de Parrne naar de afschriften van
Bakhuizen van den Brink en wij waren vol hoop op
een vlot beloop dier uitgave. wij zouden niet willen
beweren , dat deze hoop vervlogen is , Terre van lien,
maar toch heeft deze onderneming ons in het afgeloopen
jaar veel zorg gebaard. In den aanvang ging alles naar
wensch ; de Nederlandsche regeering , daartoe door de
volksvertegenwoordiging gemachtigd , stood het gevraagde
subsidie toe en eenige maanden later ontvingen wij be-
XVII
taling van den eersten termijn. wij deelden ook reeds
eerder merle, dat van Belgische zijde officieel bericht was
ontvangen , dat zij onze uitgave de gevraagde financieele
ondersteuning toegekend had , en dat Dr. Theissen zich
aan het werk had gezet , aan wien wij sedert op zijn
verzoek , in overleg met Prof. Bussemaker , eenige aanwijzingen gaven , bij het bewerken van het omvangrijke
materiaal te volgen. Doch toen kwamen de moeilijkheden !
De eerste was niet de ergste , al gaf zij eenige vertraging
in den gang van zaken. De heer Theissen was namelijk
tot de ontdekking gekomen , dat hij , indien hij de hem
door ons aangegeven gedragslijn bleef in acht nemen ,
de volgorde der deelen een minder gewenschte zou worden. Prof. Bussemaker was het met hem eens en bij
nader inzicht konden wij ons met de door beiden voorgeslagen nieuwe werkwijze geheel vereenigen. Doch toen
de oorlog uitbrak en Belgie order den voet werd geloopen , werd het ons duidelijk , dat het uitzicht op het
Belgische subsidie — de eerste termijn was nog niet eens
ontvangen — voor den eersten tijd geheel onzeker geworden was en toch ook op haar hadden wij onze berekeningen gegrondvest. Daarop volgde het onverwachte
afsterven van Prof. Bussemaker, die met zooveel geestdrift
het houden van toezicht op de bewerking op zich had.
genomen , terwijl er in den nazomer nog eenige onzekerheid kon bestaan , of onze eigen regeering het verder
honoreeren van de tegenover ons op zich genomen ver-
plichtingen met 's lands belang in overeenstemming zoude
kunnen achten.
wij hebben toen aan den heer Theissen geschreven ,
hoe onze houding tegenover het voorgenomen plan was
een afwachtende , doch met behoud van de hoop op een
goeden afloop. Hem de verzekering gevende , dat het
Bestuur alles doen zou , om de uitgave ten slotte toch
nog tot stand te brengen , lieten wij hem de vrijheid met
zijn arbeid voort te gaan of insgelijks op zien komen te
spelen. Intusschen vernamen wij sinds dien tot onze
vreugde , dat de tweede termijn van bet aan het Genootschap toegekend subsidie op de begrooting voor 1915
was gehandhaafd; maar in het vinden van een opvolger
Bijdr. en Meded. XXXVI.
H
XVIII
van Prof. Bussemaker vermochten wij nog niet te slagen.
Wij hebben wel het oog op een uiterst bevoegd geleerde ,
maar de omstandigheden zijn er niet naar,, hem thans
over ooze plannen te raadplegen.
Wijs geworden door de ervaring der laatste jaren, onthouden wij ons van een te ver vooruitloopen op ons
programma van werkzaamheden en spreken hier slechts
de hoop uit , dat het ons zal mogen gelukken in het volgende jaarverslag minder onzekere mededeelingen over
deze groote publicatie te kunnen doen..
Intusschen kunnen wij wel met zekerheid aankondigen ,
dat het vierde deel van de Gedenkschriften van Gijsbert
Jan van I1 and den leden in den loop van 1915
zal worden toegezonden. Ons medebestuurslid , Dr. A.
J. van der Meulen , zette zich in den zomer met ijver
aan het werk en het grootste deel van den tekst ligt
reeds gedrukt voor ons.
Thans enkele mededeelingen over veel , dat in meer of
minder ver gevorderden staat van voorbereiding is. Evenals
het vorige jaar hebben wij geen bijzondere mededeelingen
te doen over de beycester-correspondentie en de Graf elijkheidsrekeningen van Holland en Zeeland uit den tijd der
Henegoulosche graven. Het rapport over de eerste uitgave
zijn wij nog wachtende ; over de tweede voerden wij kort
geleden cenige correspondentie met den heer De Jonge
van Ellemeet. Evenmin hebben wij in het afgeloopen
jaar veel vernomen omtreut den herdruk van Pieter de
la Court's Welvaren van Leiden of over de publicatie van
de Protocollen betreffende de Droogscheerderssynode. Vooral
omtrent deze laatste , voor wier uitgave het Genootschap
regeeringssubsidie ontvangt, hopen wij spoedig nadere
mededeelingen te mogen ontvangen. Juist dergelijke
werken van betrekkelijk kleinen omvang , waartoe wij
ook rekenen de Lijst der Noord-Nederlandsche kronijken
in herdruk , waaraan ooze 2de Secretaris nog werkzaam
is , zullen in de eerstvolgende jaren met het oog op de
financieele omstandigheden van het Genootschap , het geschiktst voor verzending in aanmerking komen.
Wij hopen en verwachten , dat de bewerkers van genoemde kleinere publicaties ons niet zoo zullen teleurstellen
XIX
als de heer Henry de Peyster,, die in het begin van
1914 de reeds Binds jaren door hem toegezegde DOpeches
van Lord Auckland op korten termijn had aangekondigd,
zoodat wij die reeds voor de Bijdragen , die met dit
verslag openen, hadden bestemd doch van wien ook
na herhaalde herinnering , niets meer te hooren kregen.
Niet zeer talrijk zijn de nova van het jaar , waarover
wij verantwoording afleggen zonder belang zijn zij evenwel niet. In het najaar van 1914 werd onze aandacht
gevestigd door een onzer kerkhistorici , die in deze materie
zeer tehuis was , op de eerst na de uitgave van Hessels
ontdekte Acta van den kerkeraad der Hollandsche gemeente te Londen uit de jaren 1560 tot 1563, Welker belang
aanstonds door ons bevroed , van deskundige zijde met
nadruk werd bevestigd. Het voorstel van dezen correspondent, om de Acta in onze Werken uit te geven, had
dus aanstonds onze sympathie. Er was evenwel een
moeilijkheid , die de onderhandelingen sedert het eerste
aanbod in de lengte heeft geleid. Het handschrift , bezit
van de Nederlandsche gemeente te Londen , doch tijdelijk
gedeponeerd in een onzer openbare verzamelingen , was
nog niet afgeschreven , en het bleek nu , dat de kosten
daarvan niet onbelangrijk zouden uitvallen. Gelukkig
had echter de aanstaande bewerker reeds , voordat hij
onderhandelingen met het Bestuur had aangeknoopt , van
verschillende zijden toezegging van financieelen steun voor
zijn plan verkregen en het scheen aarigewezen , dat de
hem beloofde subsidies , wanneer het Genootschap zich
met de uitgave belasten ging , aan het Bestuur zouden
worden overgedragen. Ten opzichte van een door Teylers
Genootschap toegezegd bedrag wend deze verwachting
dan ook niet beschaamd de Directeuren Bier instelling
toonden zich op onze aanvrage bereid dit subsidie aan
het Genootschap uit te keeren , indien het tot verwezenlijking onzer planners kwam. Maar de twee andere toezeggingen van steun zijn voor ons , naar te vreezen
staat , voorloopig in rook vervlogen. Van die , welke de
Societe de l'Histoire du Protestantisme beige had aangeboden , welke trouwens ook reeds aan ons was overgedragen, zal dit onder de huidige omstandigheden niemand
XX
verwonderen ; doch te betreuren valt het, dat de eigenaar
van het gewichtige document, de Londensche kerkeraad ,
zooals ons tijdens het afdrukken van dit verslag werd
bericht , em formeele redenen geen vrijheid heeft kunnen
vinden dat subsidie voor deze publicatie toe te kunnen,
waarop aanvankelijk uitzicht scheen geopend. Onder deze
omstandigheden zullen wij het plan , dat wij reeds yrijwel
vaststaand achtten , nog eens grondig dienen te overwegen.
Trouwens in de eerste jaren zou van drukken der Acta
nog niets hebben kunnen komen en ..... komt tad, komt
raad. Het volgende jaar,, naar wij hopen , meer beslissend
nieuws over dit onderwerp.
Minder ver zijn wij gevorderd met een ander onderwerp , dat ons in de lente en den zomer een tijd Lang
bezig hield. Een belangstellende had er namelijk op
gewezen , dat door den dood van een der hoogleeraren
aan de universiteit van Munster diens arbeid aan een
uitgave van de matrikel van het Athenaeum te Lingen
was blijven steken. Daar Lingen veel door Nederlandsche
studenten werd bezocht , scheen het niet zonder gewicht
een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid van den
gestaakten arbeid to doen voortzetten. Het bleek ons
toen , dat een der ambtgenooten van den overledene yoornemens was diens werk te voltooien. Toen wij ons met
hem in verbinding hadden gesteld en hij bemerkte, dat
wij belting stelden in de Lingensehe matrikel, vroeg
of wij bereid waren zjjn werk te steunen ; wij antwoordden daarop , dat wij dit niet anders konden doen
dan door een afzonderlijke uitgave der namen van de
Nederlandsche studenten te doen bezorgen, doch vernamen
sedert hier niets meer op.
Een zeer aantrekkelijk aanbod werd aan onze beslissing
onderworpen, toen een bekend Nederlandsch kunsthistoricus in Italie zich aanbood , een uitgave te bezorgen van het
over Nederland handelende gedeelte van een reisjournaal
van Cosimo III van Toscane ten fare 1667. Men had onze
aandacht op de journalen van dien vorst gevestigd en wij
hadden er den kunsthistoricus in quaestie over geschreven,
Wiens belangstelling voor deze handschriften niet meer
bleek opgewekt behoeven te worden. Er was dus van
XXI
den beginne af overeenstemming tusschen den aanstaanden
uitgever en ons maar er bleken onderhandelingen noodig
met de directie der Biblioteca Medicea-Laurenziana te
Florence , waar het handschrift berust , onderhandelingen,
die nog voortduren terwp wanneer deze tot een gewenschte oplossing zullen hebben geleid , nadere besprekingen omtrent de uitgave zelve en over hare mogelijke
illustratie nog noodig zullen blijken , zoodat wij ons voorloopig slechts wenschen te bepalen tot een aankondiging
zonder meer van een publicatie , die wij op velerlei gronden voor belangrijk moeten houden voor de kennis van
het kunstenaarsleven en den kunsthandel in het 17de
eeuwsche Nederland.
Het dichtst bij haar voltooiing staat de herdruk door
onzen 2den Secretaris van den tekst van Alpertus' De
diversitate temporum , welk geschiedverbaal , in de Menumenta. Gerrnaniae uitgegeven , den gebruikers gemakkelijker voor de hand verdient te liggen. Het voornemen
is als inleiding daaraan te doen voorafgaan een vertaling
van het artikel , dat wijlen Mr. C. Pijnacker Hordijk
indertijd heeft gegeven bij de reproductie van het Hannoveraanscbe handschrift van Alpertus Mettensis in Sythoffs
bekende Codices graeci et latini. Van de zijde der familie
Pijnacker Hordijk en van den uitgever ontmoette dit
voornemen geen bezwaar in den loop van 1915 hopen wij
het boekje , ook weer een der kleinere uitgaven waarvan
wij boven gewaagden , ter perse te kunnen leggen.
Een uit den boezem van het Bestuur opgekomen voorstel em een index op de Bijdragen en Mededeelingen, voor
zoover die zijn verschenen samen te stellen, meenden wij
te moeten uitstellen tot het oogenblik , dat bet Bestunr
minder met allerlei toekomstwerk zou zijn belast.
Onder de bijdragen , die dezen bundel vullen , den
zes-en-dertigsten zijner serie , zal de aandachtige lezer er
twee missen , die wij reeds het vorige jaar aankondigden :
de Goudsche vroedschapsresolutien uit de jaren 1480-1581 , voor zoover deze betrekking hebben op de Hollandsche dagvaarten, en bet Eindvonnis, geslagen door den
lloogen llaad van Holland in zake het proces gevoerd
XXII
door den admiraal Wolfert Herrnansz. tegen de bewindhebbers der Moluksche Compagnie. Wat de eerste bijdrage
betreft , wij hebben onzen medewerker , die door anderen
arbeid ten behoeve van het Genootschap niet zoo spoedig
zijn stuk persklaar had kunnen inzenden , als voor een
goeden gang van den druk wenschelijk was , moeten
verzoeken te willen wachten tot het eerstvolgende nummer der Bijdragen, dat wij er mede denken te openen.
Be bewerker van de andere , het Eindvonnis enz., deelde
ons in den loop van bet jaar mede , dat een buitenlandsch
verbly om gezondheidsredenen hem beet had zijn belofte
in te lossen. Wij hopen zijn bijdrage nog in het nu
ingetreden jaar onder dak te mogen brengen.
Niet zeer talrijk zijn de kleinere stukken ditmaal , die
van dit jaarboek de pieces de resistance moeten uitmaken.
Niet dat het aanbod zoo gering was , integendeel wij
hebben een paar getrouwe medewerkers moeten verzoeken
tot de Bijdragen van 1916 geduld te willen oefenen ; maar
men zal zich herinneren , dat wij het vorigejaar het besluit
aankondigden , om met het oog op de belangrijke offers,
die de Correspondance de Marguerite de Parme van de kas
dreigden te eischen , den omvang der Bijdragen en Mededeelingen eenigszins te beperken, en wij hebben vooralsnog
geen aanleiding gevonden dit besluit te herzien en den
vroegeren weg weer te gaan bewandelen. Het gebruikelijke overzicht moge hier volgen en ons verslag besluiten.
In een twee-en-twintigtal Brieven over het beleg van
's-Hertogenbosch in het jaar 1629, van de hand van
Henrick van Essen en Arnt de Bye aan Kanselier en
Raden van Gelderland en Zutfen , heeft de heer Dr. J.
S. van Veen nit de brievenverzameling van het Hof van
Gelderland in het rijksarchief te Arnhem een aanvulling
gegeven op een eertijds door het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant
uitgegeven Verzameling van oorkonden betreick,elific het
beleg van 's-Rertogenbosch in den jare 1629.
Op een geheel ander terrein voert ons de heer K. Vos
met zijn Dooplijst van Leenaert Bouwens , die een belangrijke bijdrage mag heeten voor de kennis der verspreiding
der leer van Menno Simonsz. nog tjdens diens leven en
XXIII
kort daarna. De lijst was wel niet onbekend en reeds door
de beoefenaars der geschiedenis van de Doopsgezinde broederschap gebruikt, maar zij werd nog nimmer in haar geheel
uitgegeven , wat de heer Vos thaws met gebruikmaking van
de verschillende er van bestaande copieen gedaan heeft.
De directeur van het Nederlandseh Historisch Instituut
te Rome , Dr. Gisbert Brom , die reeds zoo menigmaal de
Bijdragen verrijkt heeft met belangwekkende vondsten
nit de schatkameren der Romeinsche archieven en bibliotheken , biedt thans een Italiaansche reisbeschrijving der
Nederlanden (1677-1678) aan hen aan , die er belang
in stellen , hoe de vreemdeling in vorige eeuwen ons land
en yolk heeft gezien. Het is er een van de hand van
een der broeders Guido en Giulio de Bovio van Bologna,
die als gentiluomini van den nuntius Bevilacqua , den
pauselijken vertegenwoordiger op het vredescongres te
Nijmegen, een tijd lang in die plaats hebben verblijf
gehouden , nadat zij eerst een gedeelte der Noordelijke
Nederlanden hadden bereisd. Tot ons groot leedwezen
heeft Dr. Brom geen gevolg kunnen geven aan het in
zijn inleiding door hem uitgesproken voornemen , um aan
het slot van het verhaal een samenvatting daarvan in het
Nederlandsch te geven. Ernstige ongesteldheid , die hem,
in het vaderland vertoevende, heeft overvallen , is hiervan
de betreurenswaardige oorzaak geweest. Behalve Y oor ons
oud-medebestuurslid zelven doet deze omstandigheid ons
ook hierom leed , wijl in den loop van het jaar een der
leden van het Genootschap zich eenigszins beklaagd heeft
over het opnemen in de Bijdragen van stukken in de
Italiaansche taal , welke niet ieder belangstellend lezer
machtig is. Wij hebben dit bezwaar nu wel niet zoo
heel ernstig kunnen voelen , maar hadden er toch aanleiding in gevonden onzen medewerker te verzoeken, nog
wat uitvoeriger,, dan hij gewoon pleegt te zijn., den tekst
in de moedertaal te resumeeren 1).
4) Nadat dit reeds gedrukt was, bereikte ons de droeve tijding van
het afsterven van Mgr. Dr. Gisbert Brom. Wij nemen ons voor,, in
het volgende jaarverslag op zijn vele verdiensten ten opzichte van het
Genootschap nader terug te komen.
XXIV
Under den titel Een Utrechtsch pamfiet uit den Leycesterschen tijd heeft de eerste onderteekenaar van dit jaarverslag een rnerkwaardige ontboezeming over lokale politiek van een Utrechtsch burger uit het laatst der 16de
eeuw het licht doen zien, waarvan het handschrift afkomstig
is uit het archief van het kasteel Hardenbroek.
Tot slot geeft Prof. Kernkamp de reeds verleden jaar
met een enkel woord aangeroerde Rekeningen van den
Atnsterdamschen bankier Pompeius Occo, betreffende het
verblijf van den Deenschen koning (Jhristiaan II in de
Nederlanden. Wie der leden van het Genootschap in
de laatste Algemeene Vergadering de voordracht van den
heer Kernkamp over Christiaan LI en de Nederlanden
heeft aangehoord , zal zonder twijfel met te meer belangstelling van dit document kennis nemen.
IvIr anneer wij, aan het einde van ons verslag gekomen ,
een terugblik slaan op bet jaar , waarover wij spraken ,
moet de erkentenis ons van het hart, dat bet rijk was
aan vele teleurstellingen. Toch ontmoedigt ons deze
ervaring niet al te zeer ; immers wij weten , dat er wel
zeer abnormale omstandigheden in het spel zijn geweest.
Wij wenschen dan ook, trots de tijdsomstandigheden , die
ook het Historisch Genootschap niet spaarden , het op
ons genomen werk moedig voort te blijven zetten , gedragen door de hoop , dat aan het begin van een nieuw
en beter jaar de toon onzer mededeelingen vaster en het
resultant onzer bemoeiingen van positiever aard zullen
mogen zijn.
Het Bestuur van het Historisch Genootschap,
S. MULLER Fz. , Voorzitter.
W. A. F. BANNIER , lst e Secretaris.
BIJLAGE A.
NAAMLUST DER UDEN
TAN MIT
HISTORISCH GENOOTSCHAP').
BESTUUR.
Dr. Mr. S. Muller Fz. , Voorzitter.
Dr. W. A. F. Bannier, Eerste seeretaris.
Dr. A. Hulshof, Tweede secretaris.
Dr. N. J. Singels, Penningmeester.
Dr. J. W. Muller, Eerste bibliothecaris.
Dr. A. J. van der Meulen, Tweeds bibliotheearis.
Dr. P. J. Blok.
Dr. H. Brugmans.
Dr. F. J. L. Kramer.
1) Bij deze Iijst is aangenomen de feitelijke toestand op
Januari 191E%
Adresveranderingen en andere correeties in deze
lijst phew men tc melden aan den Isten seeretaris (Utrecht,
3. W. Frisostraat .18).
XXVI
HONORAIRE LEDEN.
U. Berliere , te Brussel.
W. Bode, te Berlijn.
E. baron de Borchgrave, te Brussel.
G. Edmundson, te Londen.
M. Pardo de Figueroa, te Medina Sidonia.
P. Fredericq , te Gent.
G. Galland , te Berlijn.
H. Havard , te Parijs.
J. H. Hessels , te Cambridge.
E. Hubert, te Luik.
E. Jacobs, te Wernigerode.
0. Nachod , te Griinewald (bij Berlijn).
F. Nippold , te Ober-Ursel (bij Frankfort a/d M.).
M. Philippson , te Berlijn.
H. Pirenne, te Gent.
0. Pringsheim, te Breslau.
F. Rachfahl, te Kiel.
H. Ritter, te Bonn.
D. Schafer, te Steglitz (bij Berlijn).
H. ritter von Srbik , te Graz.
G. Mac Call 'Meal, te Kaapstad.
A. de 'Taal, te Rome.
A. Waddington , te Lyon.
E. Wrangel, te Lund.
XXVII
GEWONE LEDEN.
Dr. T. P. H. van Aalst, te 's-Gravenhage.
Mr. J. H. Abendanon, te 's-Gravenhage.
Dr. A. J. d'Ailly, te Amsterdam.
P. Albers , te Maastricht.
H. J. Allard , te Maastricht.
1)r. M. A. van .Andel, te Gorinchem.
Mr. J. P. Fockema, Andreae , te Utrecht.
Mr. S. J. Fockema Andreae , te Leiden.
Mr. J. baron d'Aulnis de Bourouill , te Utrecht.
Jhr. Mr. J. F. Backer, te Amsterdam.
Mr. C. Bake , te 's-Gravenhage.
Mr. W. E. J. baron van Balveren , te Arnhem..
Dr. W. A. F. Bannier, te Utrecht.
Mej. Dr. F. E. J. M. Baudet, te Utrecht.
Dr. H. Bavinck , te Watergraafsmeer.
Mr. A. J. de Beaufort, te Leusden.
J. B. de Beaufort, te Woudenberg.
Mr. J. F. de Beaufort , te Utrecht.
Mr. W. H. de Beaufort, te Leusden.
Jhr. Mr. K. A. Godin de Beaufort, te Maarsbergen.
Dr. H. E. Becht , te Hengeloo (0.).
Dr. A. A. Beekman , te 's-Gravenhage.
Jhr. Mr. F. Beelaerts van Blokland , te Peking.
Jhr. Mr. W. A. Beelaerts van : Blokland, te Wassenaar.
J. H. Been , te Brielle.
Mr. N. Beets, te Amsterdam.
G. J. G. C. graaf van Aldenburg Bentinck , te
Amerongen.
Mr. N. P. van den Berg, te Amsterdam.
Dr. P. W. J. van den Berg, te Nijeveen.
Mr. Dr. A. J. van den Bergh, te 's-Graveaage.
XXVIII
Dr. J. Bergsma, te Groningen.
Mr. J. L. Berns , te Leeuwarden.
L. J. van Beuningen van Helsdingen, te 's-Gravenhage.
A. F. van Beurden , te Roermond.
G. J. W. Koolemans Beynen, te 's-Gravenhage.
Dr. J. P. de Bie te 's-Gravenhage.
W. H. van Bilderbeek , te Dordrecht.
Mr. A. S. de Blecourt, te 's-Gravenhage.
Dr. P. J. Blok, te Leiden.
J. H. Blum, te Domburg.
Dr. H. D. J. Bodenstein te Amsterdam.
Dr. G. J. Boekenoogen , te Leiden.
Dr. M. G. de Boer, te Amsterdam.
Dr. C. W. T. baron van Boetzelaer van Dubbeldam,
te Batavia.
Dr. U. P. Boissevain , te Amsterdam.
G. Bolkestein, te Amsterdam.
Mr. A. C. Bondam te Arnhem.
Jhr. P. J. Boogaert, te Middelburg.
Dr. A. Borgeld te Amsterdam.
Mr. L. 0. N. Bouricius, te 's-Gravenhage.
M. ten Bouwhuys, te Utrecht.
Mr. Dr. S. van Brakel • te Utrecht.
Dr. A. A. Bredius te 's-Gravenhage.
1)r. J. C. Breen , te Amsterdam.
D. A. Brinkerink, te Bovenkarspel.
Dr. R. Broersma, te Batavia.
Mgr. Dr. G. Brom, te Rome.
J. H. Brom, te Utrecht.
Dr. W. L. C. Bronsveld, te Hoorn.
Mr. J. G. Brouwer Nijhoff, te Utrecht.
Dr. H. G. ten Bruggencate, te Terneuzen.
Dr. H. Brugmans te Amsterdam.
Mej. C. E. C. Bruining , te Alkmaar
C. W. Bruinvis , te Alkmaar.
Dr. M. Bruijel, te Haarlem.
Dr. V. F. Inichner, te Amsterdam.
Dr. C. P. Burger Jr. , te Amsterdam.
Mr. A. le Cosquino de Bussy, te Utrecht.
Jhr. P. H. A. Martini Buys, te Loenersloot.
W. J. J. C. Bijleveld, te Leiden.
Mr. R. Bijlsma, te Rotterdam.
Dr. A. W. Bijvanck, te 's-Gravenhage.
Mr. J. F. van Beeck Calkoen, te Utrecht.
Dr. J. R. Callenbach , te Rotterdam.
Mr. H. Blaupot ten Cate , te Scheveningen.
A. Cauchie , te Leuven.
J. W. Chevallier, te Driebergen.
Mej. E. de Clercq, te Utrecht.
Dr. H. T. Colenbrander , te Scheveningen.
H. J. Coppens, te Schiedam.
Dr. H. P. Coster, te 's-Hertogenbosch.
W. del Court, te Louden.
Mej. M. M. Couv6e, te Arnhem.
H. T. Cox, te Amersfoort.
C. C. A. Croin, te Dordrecht.
G. E. C. Crone, te Amsterdam.
J. Cuvelier, te Brussel.
J. T. J. Cuypers , te Amsterdam.
Dr. P. J. H. Cuypers, te Roermond.
W. E. van Dam van Isselt, te Utrecht.
Dr. A. J. Derkinderen, te Amsterdam.
Dr. A. II. J. V. M. Desertine, te 's-Hertogenbosch.
Mr. C. T. van Deventer, te 's-Gravenhage.
Mr. P. Dieleman, te Middelburg.
H. C. Diferee, te Amsterdam.
Dr. J. G. van Dillen , te Amsterdam.
C. P. J. Dommisse , te. Maassluis.
P. K. Dommisse, te Vlissingen.
P. H. Meekhoff Doornbosch , te Ballo°.
Mr. Dr. A. van Doorninck , te Utrecht.
P. N. van Doorninck, te Bennebroek.
Dr. G. J. Dozy, te Zeist.
F. Driessen, te Leiden.
F. J. W. Drion, te 's-Gravenhage.
Mej. Dr. J. W. P. Drost, te 's-Gravenhage.
Mr. H. L. Drucker, te 's-Gravenhage.
H. van Druten, te Rijnsburg.
Mr. W. H. F. Dubois , te Utrecht.
Mr. M. I. Duparc , te 's-Gravenhage.
Dr. B. Dijksterhuis , te Tilburg.
Mr. C. C. D. Ebell, te 's-Gravenhage.
Mr. T. G. van Eck , te 's-Gravenhage.
C. P. van Eeghen Jr. , te Amsterdam.
Dr. A. Eekhof, te Diemen.
A. G. A. van Eelde, te Amsterdam.
Mr. J. L. M. Eggen , te Gent.
Dr. H. J. E. Endepols , te Maastricht.
Jonkvr. C. Engelen , te Zutphen.
Mr. C. Enschede, te Haarlem.
J. W. Enschede , te Amsterdam.
D. G. van Epen, te 's-Gravenhage.
Dr. E. Epkema, te Zalt-Bommel.
N. J. A. P. H. van Es , te Arnhem.
Dr. W. van Everdingen, te Rotterdam.
G. A. Evers , te Utrecht.
Mr. J. C. A. Everwijn , te 's-Gravenhage.
Jhr. Mr. Dr. W. J. M. van Eysinga , te Leiden.
Mr. Dr. J. Eysten, te 's-Gravenhage.
A. N. J. Fabius, te Bussum.
Mr. D. P. D. Fabius, te Amsterdam.
Mr. P. Falkenburg, te Amsterdam.
Mr. P. J. van der Feen, te Donaburg.
P. Feenstra Jr. , te Amsterdam.
Jhr. Mr. C. Feith, te 's-Gravenhage.
XXXI
T. Folmer, te Rotterdam.
Mr. B. de Gaay Fortman, te Willemstad (Curacao).
Dr. J. J. A. A. Frantzen, te Utrecht.
Mr. Dr. K. J. Frederiks , te 's-Gravenhage.
Mr. R. Fruin , te 's-Gravenhage.
Dr. P. Fijn van Draat, te Utrecht.
A. A. Ganderheyden , te Hilversum.
H. P. Geerke, te Utrecht.
Mej. Dr. T. J. Geest, te Winschoten.
Dr. H. van Gelder, te Utrecht.
Dr. H. E. van Gelder, te Scheveningen.
H. A. Geurts, te Rolduc (gem. Kerkrade).
Dr. P. C. A. Geyl, te Londen.
Dr. A. E. van Giffen, te Oegstgeest.
Dr. P. J. M. van Gils, te Rolduc (gem. Kerkrade).
Dr. J. van Ginneken , te Nijmegen.
Jhr. Mr. J. J. Gockinga, te Arnhem.
Mevr. Dr. J. Goekoop—de Jongh, to 's-Gravenhage.
C. J. Gonnet, te Haarlem.
Dr. J. W. H. Goossens, te Rolduc (gem. Kerkrade).
Mr. L. J. C. van Gorkom, te 's-Hertogenbosch.
P. C. GOrlitz, te Nijmegen.
Dr. I. H. Gosses, te Groningen.
P. Gouda Quint, te Arnhem.
Mr. M. L. van Goudoever, te Utrecht.
W. Graadt van Roggen, te Utrecht.
J. J. Graaf, te Bloemendaal.
J. de Graaf, te Delft.
Mr. J. Hooft Graafland , te Utrecht.
Jhr. Mr. J. F. Hooft Graafland, te Utrecht.
Mej. Dr. C. C. van de Graft , te Utrecht.
Mr. S. Gratama, te 's-Gravenhage.
H. G. van Grol, te Vlissingen.
Dr. J. V. de Groot , te Amsterdam.
Dr. C. Hofstede de Groot, te 's-Gravenhage.
XXXII
Mr. W. T. Grothe van Schellach , te Utrecht.
J. E. N. baron Sirtema van Grovestins, te 's-Gravenhage.
P. M. Grijpink , te Laren.
Mgr. G. Gul , te Utrecht.
Mr. J. M. Giilcher, te Nunspeet.
Mr. S. van Gijn , te Dordrecht.
Jhr. Mr. N. C. de Gijselaar , te Leiden.
Dr. S. P. Haak , te Arnhem.
L. J. J. Hageraats, to 's-Gravenhage.
H. van de Hagt, te Rotterdam.
Dr. C. F. Haje , te Middelburg.
Dr. J. Hania Pz. , te Steenwijk.
Mr. G. C. D. R. baron van Hardenbroek , te Bunnik.
Mr. P. A. V. baron van Harinama thoe Slooten , te
Leeuwarden.
A. T. Hartkamp , te Amsterdam.
Dr. E. Haslinghuis , te 's-Gravenhage.
J. Haspers , te Arnhem.
Dr. W. A. A. B ecker , te Delft.
Mr. J. E. Heeres , te Leiden.
Dr. K. Heeringa , te Middelburg.
Dr. J. Heinsius, te Leiden.
Dr. A. H. L. Hensen , te Warmond.
P. G. Hesse , te Weert.
Mr. E. J. J. van der Heyden, te Rotterdam.
J. C. Gijsberti Hodenpijl van Hodenpij1 , te 's-Gravenhage.
F. A. Hoefer, te Hattem.
Dr. J. J. van den Hoek , te Haarlem.
Mr. H. graaf van Hogendorp , te 's-Gravenhage.
Jonkvr. A. baronesse van Hogendorp, te 's-Gravenhage.
Dr. C. Hoitsema , te Utrecht.
A. Hollestelle , te Tholen.
C. J. Honig , te Zaandijk.
J. Hoogendijk, te Vlaardingen.
XXXIII
Dr. G. J. Hoogewerff, te Rome.
Dr. S. S. Hoogstra, te Gouda.
Mr. F. R. ter Horst, te Scheveningen.
A. P. H. Hotz, te Beyrouth.
Dr. M. T. Houtsma, te Utrecht.
A. Hoynck van Papendrecht, te Rotterdam.
F. de Witt Huberts, te Venloo.
Dr. N. G. van Huffel, te Utrecht.
Dr. J. Huges , te Gouda.
Dr. J. Huizinga, te Leiden.
Dr. J. de Hullu, te 's-Gravenhage.
Dr. A. Hulshof, te Utrecht.
G. Hulsman, te Groningen.
Dr. H. F. M. Huijbers, te Tiel.
F. A. R. A. baron van Ittersum, te Utrecht.
Dr. R. Jacobsen , te Rotterdam.
Mgr. Dr. J. A. H. G. Jansen, te Jutphaas.
J. J. van Noorle Jansen, te Utrecht.
Dr. N. Japikse , te 's-Gravenhage.
Mej. J. T. Jelgersma, te Apeldoorn.
Dr. J. de Jong, te Driebergen.
Dr. J. de Jong, te Winsum (Fr.).
Jhr. Mr. B. M. de Jonge van Ellemeet, te Assen.
H. de Jongh , te Leuven.
Mr. J. G. C. Joosting, te Groningen.
G. C. A. Juten, te Oosterhout.
W. F. Juten, te Bergen-op-Zoom.
Dr. H. Kaajan, te Rotterdam.
Dr. J. Kalf, te 's-Gravenhage.
Dr. G. Kalff, te Leiden.
G. M. Kam, te Nijmegen.
Dr. A. H. Kan , te Dordrecht.
Mr. J. Kappeyne van de Coppello , te Amsterdam.
Jhr. Mr. Dr. H. A. van Karnebeek, te 's-Gravenhage.
P. H. van der Kemp, te 's-Gravenhage.
Bijdr. en Meded. XXXVI.
In
XXXIV
A. 0. van Kerkwijk , te 's-G-ravenhage.
Dr. G. W. Kernkamp , te Utrecht.
W. J. Kernkamp, te Edam.
Dr. L. A. Kesper , te 's-Gravenhage.
Dr. E. B. Kielstra, te 's-Gravenhage.
J. C. J. Kleijntjens, te Nijmegen.
F. K. van Ommen Kloeke, te Groningen.
Dr. A. Kluyver, te Groningen.
Dr. L. Knappert, te Leiden.
Dr. H. H. Knippenberg, te Venloo.
F. S. Knipscheer, te Zalt-Bommel.
W. L. S. Knuif, te Denekamp.
Dr. W. P. C. Knuttel, te 's-Gravenhage.
F. Koch Jr. , te Rotterdam.
Mr. F. C. Koch , te Rotterdam.
Dr. W. C. G. T. Koch , te Tiel.
Mej. Dr. A. C. S. de Koe , te Rotterdam.
H. F. Kol van Ouwerkerk , te Utrecht.
Dr. W. J. Kolkert Jr., te Amsterdam.
Mr. A. H. Koning , te Finsterwolde.
Mr. Dr. D. A. P. N. Koolen, te Utrecht.
Dr. L. M. G. Kooperberg, te 's-Gravenhage.
W. P. Kops, te Amsterdam.
Dr. F. J. L. Kramer, te Rijswijk (Z.-H.).
H. F. L. Kramer, te Rijswijk (Z.-H.).
A. J. C. Kremer, te Arnhem.
Dr. N. J. Krom , te Batavia.
Mej. M. E. Kronenberg, te Deventer.
J. F. A. Kronenburg, te Roermond.
B. Kruitwagen, te Woerden.
Dr. R. Krul , te 's-Gravenhage.
Dr. W. J. Kiihler, te Amsterdam.
Mej. Dr. S. I. von Wolzogen Kiihr, te 's-Gravenhage.
Dr. E. T. Kuiper, te Amsterdam.
Mr. J. van Kuyk , te 's-Gravenhage.
XXXV
Dr. A. Kuyper, te 's-Gravenhage.
Mr. Dr. A. R. van de Laar, te Gendringen.
A. J. F. van Laer, te Albany (N.-Y.).
Dr. G. J. Landweer Az., te Arnhem.
Dr. L. W. A. M. Lasonder , te 's-Gravenhage.
Dr. K. Later, te Utrecht.
W. J. Leendertz , te Amsterdam.
Dr. E. C. van Leersum, te Amsterdam.
Mej. Dr. A. E. C. van der Looy van der Leeuw, te
Amsterdam.
Dr. H. M. R. Leopold, te Rome.
Mr. J. A. Levy, te Amsterdam.
Dr. G. J. Liesker, te Freiburg (Zw.).
Mej. Dr. C. Ligtenberg, te Leiden.
Dr. J. D. de Lind van Wijngaarden, te Putten.
Dr. J. Lindeboom , te Groningen.
Dr. H. van der Linden , te Luik.
J. G. de Lint, te Gorinchem.
Dr. C. te Lintum, te Scheveningen.
J. B. van Loenen, te 's-Gravenhage.
Dr. A. Rutgers van der Loeff, te Utrecht.
Jhr. Mr. B. C. de Savornin Lohman , te Utrecht.
Dr. H. W. van Loon, te Washington (D. C.).
J. C. van der Loos, te Nieuwerkerk-a/d-IJsel.
Mr. J. Loosjes, te Tiel.
Jhr. Dr. J. Loudon, te 's-Gravenhage.
Mr. J. de Louter, te Hilversum.
Mr. A. F. baron van Lynden, te Utrecht.
F. baron van Lynden van Hemmen, te Hemmen.
Mr. Dr. F. A. C. graaf van Lynden van Sandenburg,
te Utrecht.
Mr. E. baron Mackay, te Arnhem.
Mej. M. G. A. de Man, te Middelburg.
W. J. Manssen , te Zaandam.
Dr. R. van Marie, te Parijs.
XXXVI
Jhr. Mr. A. H. Martens van Sevenhoven, te Arnhem.
Dr. B. van Meer, te Apeldoorn.
Mr. A. Meerkamp van Embden , te Middelburg.
Dr. P. A. Meilink , te 's-Gravenhage.
Dr. K. 0. Meinsma, te Zutphen.
L. A. van Melle , te Utrecht.
Mr. C. R. Merkus, te Utrecht.
H, M. van der Mersch , te Zeist.
Dr. A. J. van der Meulen , te Utrecht.
Dr. R. van der Meulen, te Leiden,
Dr. W. W. van der Meulen, te 's-Gravenhage.
A. Meyboom , te Utrecht.
G. A. Meijer , te Zwolle.
Dr. W. Meijer, to 's-Gravenhage.
Dr. E. J. W. Posthumus Meyjes , te 's-Gravenhage.
B. H. Molkenboer, te Huissen.
Dr. H. W. E. Moller, te 's-Hertogenbosch.
Dr. E. C. Godee Molsbergen, te 's-Gravenhage.
Mr. F. A. Moister, te Amsterdam.
Dr. M. Monasch , te Utrecht.
Mr. A. M. M. Montijn , te 's-Gravenhage.
Dr. K. W. M. Montijn, te Vlaardingen.
Mej. Dr. H. C. H. Moquette, te Rotterdam.
Dr. W. J. M. Mulder, te Nijmegen.
Dr. H. P. N. Muller, te 's-Gravenhage.
Dr. J. W. Muller, te Utrecht.
Dr. Mr. S. Muller Fz. , te Utrecht.
Mr. S. Muller Hz. , te Rotterdam.
Mej. J. W. A. Naber, te Amsterdam.
S. P. l'Honore Naber, te Amsterdam.
Dr. H. M. van Nes, te Leiden.
Mej. Dr. E. Neurdenburg, te Amsterdam.
Mej. Dr. L. van Nierop, te Amsterdam.
M. C. Nieuwbarn, te Nijmegen.
F. J. Nieuwenhuis, te Utrecht.
XXXVII
Dr. W. H. Nolens , te 's-Gravenhage.
R. P. J. Tutein Nolthenius , te Delft.
M. Noordtzij , te Kampen.
M. van Notten , te Amsterdam.
C. Nuys, te Amsterdam.
W. Nijhoff, te 's-Gravenhage.
Mej. Dr. J. A. Nijland, te Amsterdam.
Dr. H. T. Oberman , te Vlissingen.
Dr. H. G. A. Obreen , te Brussel.
M. Onnes van Nijenrode , te Breukelen.
H. L. van Oordt , te Breda.
J. van Oordt tot Bunschoten , te Velp.
Dr. R. van Oppenraay, te Rome.
Dr. T. H. van Oppenraay , te Rijsenburg.
Dr. 0. Oppermann , te Utrecht.
Mr. J. C. Overvoorde, te Leiden.
Mej. Dr. W. C. E. Peletier, te Hilversum.
Mr. H. Pelinck, te Utrecht.
Mr. P. Pet, te Groningen.
J. W. Pik, te Rotterdam.
Dr. H. A. Poelman , to Groningen.
C. J. Polvliet, te 's-Gravenhage.
Dr. J. W. Pont , te Bussum.
Mej. M. W. Maclaine Pont, te Zetten.
Mr. Dr. N. W. Postbumus, to Rotterdam.
Mr. C. W. van der Pot, te Leiden.
Dr. J. Prinsen J.Lz., te Nijmegen.
P. A. Pijnappel, te Hilversum.
Dr. F. Pijper, te Leiden.
J. C. Ramaer, te 's-Gravenhage.
Jhr. Mr. F. A. J. F. ridder van Rappard, te Utrecht.
Dr. W. van Ravesteyn Jr. , te Rotterdam.
Mevr. M. van Reenen—Wilter, te Bergen (N.-H.).
A. F. J. Reiger, te Meran.
T. graaf de Renesse , te Bilsen (Belgie).
X XXVIII
Mr. W. J. van Welderen baron Rengers, te Leeuwarden.
Dr. H. J. Reynders , te Amersfoort.
Dr. G. M. Reijntjes , te Sneek.
Jhr. B. W. F. van Riemsdijk, te Amsterdam.
Jhr. Mr. T. H. F. van Riemsdijk, te 's-Gravenhage.
S. P. Rietema te Uithuizermeeden.
Mr. P. Rink, te 's-Gravenhage.
Jhr. Mr. Dr. A. Mel' , te Haarlem.
te Haarlem.
Jhr. H. H.
Mr. H. H. R. Roelofs Heyrmans , te Delft.
H. W. Roes , te Kessel.
Dr. K. H. Roessingh te Boskoop.
T. M. Roest van Limburg, te Amsterdam.
Dr. A. G. Roos , te Groningen.
Mr. C. P. van Rossem te Rotterdam.
A. A. J. van Rossum te Benschop.
Mr. W. H. J. Royaards te Utrecht.
J. A. Royer , te Wassenaar.
Dr. F. L. Rutgers te Amsterdam.
Dr. H. C. Rutgers , te Marken.
Mej. Dr. H. J. A. Ruys te Leiden.
Dr. B. van Rijswijk te Dordrecht.
E. A. von Saher, te Haarlem.
Jhr. Mr. A. F. 0. van Sasse van Ysselt , te 's-Hertogenbosch.
Dr. J. Sassen te Zwolle.
Dr. P. D. Chantepie de la Saussaye , te Leiden.
J. H. L. van der Schaaff te Leiden.
Dr. A. C. M. Sehaepman , te Rijsenburg.
Dr. A. A. van Sehelven , te Vlissingen.
C. W. Lunsingh Scheurleer, te 's-Gravenhage.
Dr. D. F. Scheurleer, te 's-Gravenhage.
H. D. J. van Schevichaven , te Nijmegen.
Mr. F. D. graaf Schimmelpenninck , te Elleeom.
Dr. L. C. M. Sehmedding, te Amsterdam.
XXXIX
F. Schmidt Degener, te Rotterdam.
Dr. M. Schoengen, te Zwolle.
Jhr. Mr. K. J. Schorer, te Utrecht.
J. L. Schouten , te Delft.
Mr. W. C. Schuylenburg, te Utrecht.
Mej. Dr. C. Serrurier, te Leiden.
Jhr. Mr. A. F. L. Hora Siccama , te Utrecht.
Jhr. Mr. D. G. Rengers Hora Siccama, te Utrecht.
T. H. Siemelink, te Goes.
Dr. N. J. Singels, te Utrecht.
Jhr. Dr. J. Six , te Amsterdam.
J. C. van Slee , te Diepenveen.
Dr. G. M. Slothouwer, te Wageningen.
Dr. E. Slijper, te Utrecht.
Dr. H. J. Smit, te Amsterdam.
Mr. J. P. W. A. Smit , te 's-Hertogenbosch.
Dr. P. A. E. Sillevis Smit, te Amsterdam.
Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke, te Wassenaar.
H. Snijders, te Middelburg.
Dr. C. J. &gingen, te Nijmegen.
J. F. van Someren, te Utrecht.
Mr. L. J. Sparnaay te 's-Gravenhage.
Mr. J. H. W. Q. ter Spill , te 's-Gravenhage.
Mej. Dr. B. M. van der Stempel, te Amsterdam.
J. F. M. Sterck, te Heemstede.
W. P. van Stockum Jr. , te 's-Gravenhage.
C. A. P. van Stolk , te Rotterdam.
Dr. K. E. W. Strootman te Utrecht.
Mr. A. L. E. ridder de Stuers , te Parijs.
Jhr. Mr. V. E. L. de Stuers , te 's-Gravenhage.
W. 0. Swaying te Middelburg.
,Jhr. Mr. R. de Marees van Swinderen , te Londen.
Jhr. C. H. C. A. van Sijpesteyn , te 's-Gravenb age.
Mej. Dr. S. Szper, te Enkhuizen.
Mr, L. F. Teixeira de Mattos , te Beekbergen.
XL
Dr. N. B. Tenhaelf, te 's-Gravenhage.
Dr. H. Terpstra, te Hilversum.
Jhr. Mr. D. A. W. van Tets van Goudriaan te
's-Gravenhage.
Dr. J. S. Theissen, te Groningen.
J. H. A. Thus, te Sassenhehn.
J. C. Alberdingk Thijm, te Culemborg.
Mej. Dr. E. Timmer, te Delft.
Dr. G. Tjalma, te Veen (Noord-Brabant).
J. W. des Tombe , te Bilt.
j. Trosee , te Nijmegen.
F. L. S. F. baron van Tuyll van Serooskerken van
Zuylen, te Zuilen.
Mr. W. J. L. Urabgrove, te Zutphen.
Dr. V. Vanderhaeghen, te Gent.
F. Vanveerdeghem, te Luik.
Dr. J. S. van Veen, te Arnhem.
Dr. H. E. J. M. van der Velden , te Nijmegen.
J. W. Verburgt , te Nigtevegt.
Dr. J. Verdam, te Leiden.
J. F. L. de Balbian Verster, te Amsterdam.
Dr. C. J. Vinkesteyn, te 's-Gravenhage.
Mej. R. Visscher , te Leeuwarden.
Mr. A. C. Visser van Yzendoorn, te Leiden.
P. T. C. Scharp de Visser, te Gorinchem.
Mr. G. Vissering, te Amsterdam.
B. R. F. van Vlijmen, te Schijndel.
Dr. J. A. Vollgraff, te Leiden.
Dr. J. C. Vollgraff, te Utrecht.
Dr. J. A. Vor der Hake , te Rotterdam.
Dr. W. C. A. baron van Vredenburch , te 's-Gravenhage.
Dr. A. G. C. de Vries , te Amsterdam.
Mr. J. de Vries van Doesburgh, te Leeuwarden,
R. W. P. de Vries , te Amsterdam,
XLI
Mr. T. de Vries , te Grand Rapids (Mich.).
C. W. Wagenaar, te Utrecht.
J. D. Wagner, te 's-Gravenhage.
F. G. Waller, te Amsterdam.
P. M. H. Welker , te Rotterdam.
Dr. H. A. Weststrate , te Zetten.
Dr. C. E. A. Wichmann , te Utrecht.
Dr. F. C. Wieder, te Amsterdam.
Dr. E. Wiersum, te Rotterdam.
Dr. J. te. Winkel, te Amsterdam.
Dr. J. Woltjer, te Amsterdam.
Dr. R. H. Woltjer , te Amsterdam.
Dr. J. A. Worp, te Huis ter Heide (gem. Zeist).
Dr. M. ViToudstra, te Utrecht.
Mr. G. Wttewaall, te Arnhem.
B. W. G. Wttewaal van Wickenburgh , te Houten.
Dr. G. A. Wumkes, te Sneek.
J. M. Wiistenholf, te Sassenheim.
Jhr. J. M. van Asch van Wijck, te 'Utrecht.
Jhr. Mr. L. H. J. M. van Asch van Wijck, te Utrecht.
W. Wijnandts van Resandt, te Ellecom.
H. A. van IJsselsteyn , te 's-Gravenhage.
J. W. IJzerman , te Wassenaar.
Jonkvr. S. J. baronesse van Zuylen van Nyevelt, te
's-Gravenhage.
Dr. A. Zijp, te Rotterdam.
IMAGE B.
GENOOTSCHAPPEN ENZ
WA A RMEDE HET HISTORISCH GENOOTSCHAP
IN BETREKKING STAAT.
Redactie der Annales des Facultes de Droit et des
Lettres d'Aix , te Aix-en-Provence.
Aachener Geschichts-Verein , te Aken.
Koninklijke Akademie van Wetenschappen, te Amsterdam.
Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, te Amsterdam.
Academie royale d'Areheologie de Belgique, te Antwerpen.
Gelre. Vereeniging tot Beoefening van Geldersche
Geschiedenis, Oudheidkunde en Hecht, te Arnhem.
Historischer Verein fur Schwaben and Neuburg, te
Augsburg.
Bataviaaseh Genootschap van Kunsten en Wetenschappen , te Batavia.
Historische und antiquarische Gesellschaft, te Bazel.
Verein fiir Geschichte der Mark Brandenburg, te
Berlijn.
Allgenleine gesellichtforschende Gesellschaft der
Schweiz te Bern.
XLIII
Verein von Altertumsfreunden im Rheinlande , te
Bonn.
Historische Gesellschaft des Klinstlervereins, te
Bremen.
Societe d'Emulation pour l'Etude de 1'Histoire et
des Antiquites de la Flandre te Brugge.
Academie royale des Sciences , des Lettres et des
Beaux-arts de Belgique , te Brussel.
Algemeen Archief van het Koninkrijk , te Brussel.
IDe Bollandisten te Brussel.
Societe royale d'Archeologie de Bruxelles , te Brussel.
Societa, di. Storia patria per la Sicilia orientale , te
Catania.
Westpreussischer Geschichtsverein te Danzig.
Oudheidskundige Kring der Stad en des voormaligen
Lands van Dendermonde , te Dendermonde.
Diisseldorfer Geschichtsverein , te Dusseldorp.
Bergischer Geschichtsverein te Elberfeld.
Gesellschaft fur bildende Kunst tind vaterldndische
Altertiimer, te Emden.
Historischer Verein fiir Stadt und Stift Essen , te
Essen.
Verein fur Geschichte und Altertumskunde , te
Frankfort aid. M.
Societe d'Histoire et d'Archeologie te Geneve.
Koninklijke Vlaamsche Akadernie voor Taal- en
Letterkunde te Gent.
Maatschappij van Geschied- en Oudheidkunde , te
Gent.
Oberhessischer Geschichtsverein , te Giessen.
Oberlausitzische Gesellschaft der Wissenschaften ,
te GOrlitz.
Algemeen Rijksarchief, te 's-Gravenhage.
oninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkande van Nederlandsch-lndie , te 's-Gravenhage.
XLIV
Vereeniging Die Haghe , te 's-Gravenhage.
Riigisch-pommerscher Geschichtsverein , te Greifswald.
Redactie van de Bijdragen voor de Geschiedenis van
het Bisdom Haarlem, te Haarlem.
Thiiringisch-sichsischer Geschichts- und Altertumsverein , te Halle aid. S.
Verein fur hamburgische Geschichte , te Hamburg.
Historischer Verein fur Niedersachsen , te Hannover.
Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant , te 's-Hertogenbosch.
Redactie van Neerlandia Franciscans, te Iseghem
(Belgie).
Verein far thiiringische Geschichte und Altertumskunde , te Jena.
Badische historische Kommission , te Karlsruhe.
Verein fur hessische Geschichte und Landeskunde,
te Kassel.
Redactie van de Westdeutsche Zeitschrift fur Geschichte und Kunst, te Keulen.
Gesellschaft fur Schleswig-holstein-lauenburgische
Geschichte , te Kiel.
Redactie der Altpreussische Monatschrift, te Koningsbergen.
Geschied- en oudheidkundige Kring , te Kortrijk.
Societe d'Histoire de la Suisse romande , te Lausanne.
Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en
Taalkunde , te Leeuwarden.
Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde , te
Leiden.
KOniglich-sachsische Gesellschaft der Wissenschaften , te Leipzig.
Redactie van de Analectes pour servir it I'Histoire
eeclesiastique de ia, Belgique ? te Leuven,
XIN
Redactie van de Revue d'Histoire ecclesiastique , te
Leuven.
Redactie van de English historical Review, te
Louden.
Royal historical Society, te Louden.
Hansischer Geschichtsverein , te Lubeck.
Verein fur liibeckische Geschichte und Altertumskunde, te Lubeck.
Institut archeologique liegeois, te Luik.
Societe d'Art et d'Histoire du Diocese de Liege,
te Luik.
Kongelige Universitet , te Lund.
Institut grand-ducal de Luxembourg, te Luxemburg.
Verein fur Geschichte und Altertumskunde des
Herzogtums und Erzstifts Magdeburg, te Maagdenburg.
Geschied- en oudheidkundig Genootschap in het
Hertogdom Limburg , te Maastricht.
Real Academia de la Historia, te Madrid.
A.bbaye de Maredsous , te Maredsous.
Cercle archeologique , litteraire et artistique de
Malines , te Mechelen.
Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen , te Middelburg.
KOniglich-bayerische Akademie der Wissenschaften,
te Munchen.
Redactie van het Historisches Jahrbuch der GOrresGesellschaft , te Munchen.
Verein Rix Geschichte und Altertumskunde Westfalens , te Munster en Paderborn.
Societe archeologique de Namur, te Namen.
Germanisches Museum , te Neurenberg.
The New-York historical Society, te New-York.
Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, te
St.-Nikolaas.
XLVI
Verein fur Geschichte und Landeskunde , te Osnabriick.
Historische Gesellschaft fur die Provinz Posen , te
Posen.
Historischer Verein fur Oberpfalz und Regensburg,
te Regensburg.
Limburg. Provinciaal Genootschap voor geschiedkundige Wetenschappen, Taal en Kunst, te Roermond.
Biblioteca apostolica vaticana, te Rome.
Institut historique beige te Rome.
Nederlandsch historisch Instituut, te Rome.
Reale Societa romana di Storia patria, te Rome.
Verein fur Rostocks Altertiimer, te Rostock.
Gemeente-archief, te Rotterdam.
Verein far mecklenbiirgische Geschichte und Altertumskunde , te Schwerin.
Gesellschaft fur pommersche Geschichte und Altertumskunde , te Stettin.
Kungelige Vitterhets, Historie och Antikvitets A.kademi, te Stockholm.
Nordiska Museet, te Stockholm.
_Historisch-litterarischer Zweigverein des VogesenClubs in Elsass-Lothringen, te Straatsburg.
KOnigliche Landesbibliothek , te Stuttgart.
Societe scientifique et litteraire du Limbourg, te
Tongeren.
Verein fur Kunst und Altertum in Ulm und Oberschwaben , te Ulm.
Carolina rediviva. Kongelige Universitets-Bibliothek,
te Upsala.
Gemeente-archief, te Utrecht.
Redactie van het Archief voor de Geschiedenis van
het Aartsbisdom Utrecht , te Utrecht.
Redactie van De Katholiek , te Utrecht.
XLVII
Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten
en Wetenschappen , te Utrecht.
Kaiserliche Akademie der Wissenschaften, te Weenen..
Institut fur oesterreichische Geschichtsforschung , te
Weenen.
Harzverein fur Geschichte und Altertiimer , te
Wernigerode.
Verein fur nassauische Altertumskunde und Geschichtsforschung , te Wiesbaden.
Geschichtsverein fur das Herzogtum Braunschweig,
te Wolfenbiittel.
Historischer Verein von Unterfranken und Aschaffenburg , te Wiirzburg.
Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt
en Geschiedenis , te Zwolle.
UITGAVEN.
5
5
F7925.35
f 7925.35
5
5
Saldo in kas 1913
f 668.20
Contribution Genootschappen . . /
49.07
Rente Cred. en Depos. kas . . . „
168.68
Administratiekosten
„ 246.48
„
effecten
„ 1256.77
Reiskosten
„ 37.80
Contribute leden
„ 5030.—
Salarissen
„ 300.—
Verkoop Werken
. „
201.70
Algem. Vergadering
„ 133.10
Geschenk voor boekwerk. . . . „
100.—
Copiëerkosten
„ 19.80
Subsidie Regeering voor Marg. v.
Honoraria
„ 683.55
Parma
„
500.—
Aankoop boeken en tijdschriften. „ 101.20
Verzekering
„ 36.10
Centrale Commissie
„
2.75
Bindwerk
„
90.40
Drukken der werken
„ 3493.38
Gestort Cred. en Depos. kas . . „ 2656.17
Saldo in kas Ult°. Dec. 1914 . . „
75.53
ONTVANGSTEN.
K A S O V E R Z I C H T V A N HET G E N O O T S C H A P 1914.
BIJLAGE C.
xLViii
-—
XÏAX
,--.4 ,--4
(2)
'••
L
-.-4, 10
it.
N: ,--1
T--.1
c0 r-1
VJ
4.;
EF.---,
7- 14 -4"'
CL)
0
1914.
W,
:4-4
\...i .
w
r..,,,,
0
.
6
a)
' C.
ca
• 0.
e-4 ,, .
4 -,
Z tt
cd ci) cl) (1)
,-W
LEESGEZELSCHAP.
;-4 4-1
-4-D --6 4.,
4.
Z Z M ..
C.) e., ,--+
0
0 . 4-4 A.,
:.4 ..73
t 447
0
••-.
0
r--4 .•- o C.;
•--4 °
•.
r",
:4
CD C) (-4 W
C
c\I
—1
C
C -
. . .
5
1 r-i y;J
F
c\i 16
1-C-3 t-
1:4 o
6 c) X.0
0 ,--,
2 CY1 '1"'
;:::::'4-.,
Z
0 •.4...., :-: .`-'
4- M
a)
• •
H
. ,...0
ONTVANGSTEN.
:::
•
ca
41
cd
H
,c-
•
-W
cd (1)
• M
a) . ,--
• -4,
e4-4
14
..
;-, P., ri3 a)
. .M ° ci)
a, _
--
' - c
w..,s'
c0
o CO
co 7:5 CC
"".
-4.
a)
r-1 ;-41 4741
o'z a) -4. 8 , 8 ,–, N
r-,
a)
ril r-,
O
rm
m cr,
(I..)
• ,
,;(4 'D ;._,
0 ci)
ct r k •a)
r.t. r?.
CD
(1)
C:4 -4.. p.., .+L. F.' • 1,-.1
• . ,..0 CD . ,
0.) ..D
-4..,
Z cc
0.) )
?
§
S
*
^
£3
$
S
O •';.-1 o
r' • c);.,
ct s
ci) c...)
ig g
Bijdr. en Meded.
XXXVI.
•
O I..,
l
; L-.•
6
714
C
c) p
r.,. .
CO i 00
1 ch"D
. a)
•
C
0
c
. CD
r-i
tIO
W
Z
, ,
C..
6)
E4
r-,
rn
. Ct
'
r-i
r-i
*5
.4
,-.. 6
ci.) ct
i--1 co
1-1rzs
a) 6.4 C::: m
Z
(1)
.
r-,
,,,3 cd
m
c4
''
•
g
c.3
c
0...4-. C13
.
0
cd0
r-i
Z r-4 e.)
.. cn
v-i 7.' (1)
C:: :
m
Ct
(1)
0d
r
0Q)
a)
.4..
a)
W
C.,)
CI9
.
:
1
'.1 )'
w
0 t
o ci) 0
- 2:5 r-d rt:
74 -c73 (1) w
cn c/) 0
■••• 0
iv
Q
C
CO Cq
z
P-C r'
r-cd 73
Bezit Ult . Dec. 1914 . . . / 38734.73*
co ,--i
`•
›-
"Ci A
C.)
;.-i
5
i- 0 CI)
c.. 10 X
C.; Oi r--1
Lcq I
L-.: GNi
a/
0
.
co
g 0 4
0 0
O rz: 0 r=
r-C
(1) 0 r-05 :,.":7, c.! c) ''z
Cli 4 -it E-1 <1
(if)
t+444 g
Effecten nominaal 31 Dec. 1914 . / 36000.—
„
beurswaarde
„ 31102.81
Saldo Cred. en Dep. kas . . . . „ 4550.39
Saldo in kas Ult°. Dec
„
75.53
Gelden in Depos. aan uitgeloote
effecten
„ 3000.—
1-.4
P.4
a)
4--4
P
,W
a)
.-,
0 cn
cd
up ,. %1
,,
w
• 0
c5-D
r--1
Cii
0
•
N
• `Zi'l
r-1
CZ)
.
Z
C.)
CC
• ci.)
-4,
. <--,
.
a)
'e
(.7
. i
04
a)
ri)
O
41
..--1
:::..-- '+---,.
".t
Saldo Cred. en Depos. kas
Saldo in kas
• a)
o;--.
:-',
+--,
REK. KAP. LEESGEZELSCHAP.
.
44 4—
ct
';','
TJITGAVEN.
z
::
'c
REK. KAP. HIST. GENOOTSCHAP.
l..
cs..)
cx3
M
498.695
cNi IC r-1 00
•,--;
7
c-L ,--;
5
,-4
5
Lo 0
0 ;.7., 1
I c, c' ,,-, ,_, 1 N
1
ifS
/ 387.54
„ 111.15
Saldo in kas 1913
f 387.25
Pensioen vrouw Peters f • • • • f
Cohtributie lezers . . . . . . . . 212.—
Bodeloon
„
52.—
Verkoop van tijdschriften aan het
Administratiekosten
„
12.25
Hist. Genootscbap
„
90.65
Tijdschriften
„ 181.30
Rente Cred. en Depos. kas . . . „
9.50
Aan Cred. en Depos. kas (rente en
Restitutie verloren boekwerk. . . „
1.80
contanten)
„ 319.50
Saldo in kas Ult°. Dec. 1914 . . „ 111.15
/ 701.20*
/
701.20
6
25
XLIX
BIJLAGE D.
LUST
DER VAN JANUARI 1914 TOT JANUARI 1915
DOOR SCHENKING, RUILING EN AANKOOP
VOOR HET
GENOOTSCHAP VERKREGEN WERKEN.
,..._
I. TEN GESCHENKE ONTVANGEN,
A. VAN DE SCHRIJVERS OF UITGEVERS.
M. A. van A n d e 1, Public Hygiene in a mediaeval
Dutch town. (Overdr. uit : Janus XVIII.)
--- Vrije uitoefening der geneeskunde in de
17de eeuw. (Overdr. uit : Nederl. Tijdschr. v. Geneesk.
1914, I, 22.)
Niederlandisches Bibliothekswesen. Eine Uebersicht
in acht Aufsatzen.
W. H. v an B i l derbeek, Geschiedenis der polders
Oud- en Nieuw-Reyerwaard, de wijze van bemaling der
polders benevens hunne bestuurders.
P. J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche
Volk. III.
De Borchgrav e, La Part des Belges dans la fon-
LI
dation de 1'Etat de New-York. (Overdr. uit : Bull. de
la Soc. beige d'Etudes coloniales. Dec. 1913.)
S. van Br ak el, West-Indische Compagnie. (Overdr.
uit : Encyclopaedic van Nederlandsch West-Indie.)
H. Br u gm an s, 2 December 1813. Rede uitgesproken 2 December 1913 in de Aula der Universiteit
van Amsterdam.
C. W. Br uin vis, Geslacht Van Teylingen.
--- Geslacht Van Geesteren of Geesteranus.
--- Memorie van defensie van G. A. de Lange.
H. D e h e r ain, Une estampe en l'honneur de la
Compagnie neerlandaise des Indes orientales. (Overdr.
uit: Bull. de la Section de Geographic 1913, 3.)
B. de Gaay Fortin an , Aanhouding van koopvaardijschepen ingevolge de Schepen wet. (Overdr. uit:
Themis 1914, 1.)
De inbezitneming van Curacao in 1816.
(Overdr. uit: Tijdschr. v. Gesch. , Land- en Yolkenk.)
J. J. Graaf, De „Vergaderinghe der Maechden van
den Hoeck" to Haarlem. (Overdr. nit: Bijdr. v. d.
Gesch. v. h. Bisdom v. Haarlem XXXVI.)
L. de Grandm ais o n, Sculpteurs flamands ayant
travaille en Touraine au XVe et au XVIIe siècle.
(IL G.) v (a n) G (r ol), Bij gelegenheid van de ingebruikneming der nieuwe Engelsche Kerk te Vlissingen. (Overdr. uit : Middeib. Courant 3 Jan. 1914.)
H. P. M. H u y b e r s, Don Juan van Oostenrijk,
Landvoogd der Nederlanden. II.
P. H. van der K e m p, De stichtin g van den Botanischen Tuin te Buitenzorg. (Overdr. uit : De Nieuwe
Gids, Sept. 1914.)
Uit den tijd van C. P. J. Elout's toewijding
aan de Maleische taal.
LII
J. van Kuyk, Niederlande. (Overdr. uit : Jahresber. d. Geschichtswissensch. XXXV, 1912).
E. C. van Leer sum, Note concernant Pannee de
la mort de Jan Yperman. (Overdr. uit: Janus 1914.)
--- Over de waardeering van oude- en yolksgeneesmiddelen. (Overdr. uit : Nederl. Tijdschr. v.
Geneesk. 1914, I, 22).
J. B. van Loenen, Campanologie. (Overdr. uit :
Navorscher LXIII.)
M. G. A. de Man, Een en ander over het Louden Zilversmidsgilde te Middelburg.
The first newspapers of England printed in Holland
1620-1621. Reprod. by W. P. van Stockum Jr.
F. P ij p e r, De autobiographic van Willem Moll.
(Overdr. uit : Nederl. Arch. v. Kerkgeschiedenis XI, 1.)
Rekeningen der stall Nijmegen 1382-1543 , uitgeg.
door H. 1). J. van Schevichaven en J. C. J.
K1 e ij n tj ens. IV. 1527-1531.
S. S eeligmann, David Nassy of Surinam and his
Lettre politico-theologico-morale sur les Juifs.
--- De emancipatie der Joden in Nederland.
Het geestelijk leven in de Hoogduitsche
Joodsche Gemeente te 's-Gravenhage.
C. S errurier, Introduction a l'histoire de la litterature francaise moderne.
N. J. Sin gels, Slavernij in Rome. (Overdr. uit :
Verslag van het Prov. Utr. Gen. 1914.)
Martialis en zijne epigrammen. (Overdr. nit:
De Gids , 1914, No. 11.)
J. C. van Slee, De geschiedenis van het Socinianisme in de Nederlanden.
H. v on S r b i k , Ein hollandischer Bericht iiber
Kaiser Leopold I and seine Staatsmanner. (Overdr.
LIII
uit : Festschrift des akademischen Vereines deutscher
Historiker in Wien 1914.)
H. van der V el de n, De Beoefening der geschiedenis onder de Nederlandsche Katholieken.
Verleden en Toekornst. (Overdr. uit : Het Katholiek
Nederland 1813-1913.)
J. A. V ollgraff, Pierre de la Ramee (1515-1572)
et Willebrord Snel van Royen (1580-1626). (Overdr.
uit : Janus XVIII.)
W. C. A. van Vredenburch, Schets van eene
geschiedenis van het Utrechtsche Studentenleven.
W. Wijnaendts van Resandt, Inventaris van
het Oud Archief van het kasteel Middachten. II.
B.
VAN OF DOOR DEPARTEMENTEN VAN ALGEMEEN
STUUR GENOOTSCHAPPEN, MAATSCHAPPIJEN ENZ.
Van het Ministerie van Binnenlandsche
Zaken te 's-Gravenhage.
Verslagen omtrent 's-Rijks oude Archieven. XXXVI
(1913). Verslagen omtrent 's-Rijks oude Archieven.
1865-1877.
Verslag aangaande de archieven der provincie en
der voormalige vijf kapittelen te Utrecht (1850.)
Verslagen omtrent 's-Rijks Verzamelingen van Geschiedenis en Kunst. XXXVI (1913.)
Verslag over het Kon. Kabinet van Munten, Penningen en gesneden Steenen te 's-Gravenhage. 1913.
P. M. G r ij pink, Register op de parochien altaren,
vicarieen en de bedienaars, zooals die voorkomen in
de middeleeuwsche rekeningen van den Officiaal des
Aartsdiakens van den Utrechtschen Dom. I.
Inventaris der verzameling kaarten, berustende in
het Algemeen Rijksarchief. iste Supplement.
LW
Van den Directeur van het Krijgsgeschiedkundig Archief van den Generalen Staf
te 's-Gravenhage.
Nasporingen en studien op het gebied der Nederlandscbe Krijgsgeschiedenis. 2de, 10de , 18de , 19de jaar_
verslag.
Van de Commissie voor 's Rijks geschiedkundige publication te 's-Gravenhage.
Gedenkstukken der algerneene geschiedenis van
Nederland van 1795 tot 1840, uitgegeven door H. T.
Colenbrande r. VII. Vestiging van het Koninkrijk.
1813-1815.
De Briefwisseling van Constant ij n Huygens
(1608-1687), uitgeg. door J. A. W o r p. HI. 1640-1644.
Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche Textielnijverheid , verzameld door N. W. Posthumus. IV.
1611-1650.
Van het Oudheidkundig Genootschap
„Niftarlake" te Abkoude.
Jaarboekje 1914.
Van het Stedelijk Museum te Alkmaar.
Versiag (van het Archief, het Museum en de Bibliotheek) over 1913.
Van het Genootschap Amstelodamum
te Amsterdam.
Elfde , Twaalfde Jaarboek.
Amstelodamum. Maandblad. I, 1-12.
TV
Van de Commissie van bestuur van het
Provinciaal Museum van Oudheden in
Drente te Assen.
Verslag aan de Gedeputeerde Staten over 1913.
Van het Gemeentebestuur van Deventer,
De Cameraars-Rekeningen van Deventer, uitgeg. d.
J. Acquo y. VII, Bladwijzer.
Van het Indisch Genootschap te
's-Gravenhage.
Verslagen der Vergaderingen van 8 Dec. 1913, 26
Jan., 23 Febr., 23 Maart, 20 April, 30 Mei 1914.
Naamlijst der leden op 1 Mei 1914. Reglementen.
Van de Linschoten-Vereeniging te
's-Gravenhage.
Zesde Jaarverslag. 1913.
Jan Huygen van Linschoten, Reizen van —
naar het Noorden (1594-1595), uitgeg. d. S. P.
l'Honore Naber.
Van de Commission de l'Histoire des
Eglises wallonnes te Leiden.
Bulletin. III, 3.
Van Gedeputeerde Staten van Friesland
te Leeuwarden.
Catalogus van de Buma-Bibliotheek te Leeuwarden.
Vervolg.
7 1e
Van het Bestuur van het Museum van
Oudheden te Rotterdam.
Verslag over 1913.
LVI
Van het Bestuur der Handels-Hoogeschool
te Rotterdam.
Gedenkschrift ter herinnering aan de opening der
Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam.
Van het Bestuur van het Historisch
Genootschap te Utrecht.
Bijdragen en Mededeelingen. XXXV.
Brieven van Johan de Witt. IV. 1670-1672. Bewerkt door R o b e r t Fruin, uitgegeven door N.
Japikse.
Van de Commissie voor het huldeblijk aan
Dr. Mr. S. Muller Fz. te Utrecht.
C. L. de Leur, De Geschriften van Mr. Dr. S.
Muller Fz. 1872-1914. Bibliografisch overzicht.
Van Dr. A. J. van der Meulen te Utrecht.
Verslag der Koninklijke Bibliotheek over 1913.
Van den heer H. G. van Grol te Vlissingen.
Jaarverslagen betreffende het archiefwezen en de
oudheidkundige verzameling der gemeente Vlissingen
over het jaar 1913.
Van de Vereeniging tot instandhouding en
uitbreiding der Zaanlandsche Oudheidkundige Verzameling „J. Honig Jsz. Jr."
te Zaandijk.
Jaarverslag (1909-1913).
Catalogus. Tweede Afdeeling.
19de_22ste
LV1I
Van den Verband deutscher Historiker
te Keulen.
Bericht fiber die dreizehnte Versammlung deutscher
Historiker zu Wien 16 bis 20 September 1913.
Van de Konferenz landesgeschichtlicher
Publikationsinstitute te Munchen.
Historischer Atlas von Bayern. Proben der Territorienkarte von 1802. (Overdr. uit: Oberbay. Archl y. 57.)
Van den heer Dr. F. Nippold te Ober-Ursel.
Brief van Prof. W. Moll, inhoudende autobiographie.
Van de American Historical Association
te Washington.
The American historical Review. XIX, 2-4; XX, 1.
Annual Report for the year 1911 (2 vol.).
IL DOOR RUILING MET ANDERE GENOOTSCHAPPEN
VERKREGEN.
A k e n. Aachen er Geschichtsverein.
Zeitschrift. XXXV, 1-2.
Amster d a in. Koninklijke Akademie van Wetenschappen.
Jaarboek. 1913.
Afd. Letterkunde. Verhandelingen. Nieuwe Reeks.
XIV , 2-5.
Verslagen en Mededeelingen.
4de Reeks. XII, 2, 3.
Poemata (Leg. Hoeufft). Novem
carmina.
TVTTT
Afd. Natuurkunde. Verhandelingen. Tweede Sectie.
XVII, 6; XVIII, 1-3.
Verslagen. XXII, 1, 2.
Am s t e r d a m. Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.
Jaarverslag, uitgebracht in 1913.
Antwerpen. Academie royale d'Archeologie de Belgique.
Annales. LXV (6e serie, V), 3, 4.
Bulletin. 1913, 2-4.
Arnhem. Gelre. Vereeniging tot beoefening van
Geldersche geschiedenis, oudheidkunde en recht.
Bijdragen en Mededeelingen. XVII.
Werken. XI.
A u g s b u r g. Historischer Verein fur Schwaben und
Neuburg.
Zeitschrift. XL (1914).
Batavia. Bataviaasch Genootschap van Kunsten en
Wetenschappen.
Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde. LVI, 1-4.
Notulen. LI (1913), 1-4; LII (1914) , 1 , 2.
Verhandelingen. LX, 2; LXI, 1.
Alas Man goen di Karia, Dialect Djawa Banten.
Rapporten van den oudheidkundigen dienst in
Nederlandsch-Indie. 1913.
Oudheidkundig Verslag. 1913, 1-4; 1914, 1-3.
B a z e 1. Historische und ftntiquarische Gesellschaft.
Basler Zeitschrift Air Geschichte und Altertumskunde. XII, 1, 2; XIII, 1.
Berl ij n. Verein fur Geschichte der Mark Brandenburg.
Forschungen zur brandenburgischen und preussischen Geschichte. XXVII, 1.
LIX
B e r n. Aligemeine geschichtforschende Gesellschaft
der Schweiz.
Jahrbuch fur schweizerische Geschichte. XXXVIII.
Bo n n. Verein von Altertumsfreunden. im Rheinlande.
Bonner Jahrbiicher. 121. Register zu Heft 92-120.
Berichte der Provinzialkommission fur Denkmalpflege und der Altertums- und Geschichtsvereine
innerhalb der Rheinprovinz vom 1. April 1911
bis 31. Mdrz 1912.
Br e m e n. Historische Gesellschaft des Kiinstlervereins.
Bremisches Jahrbuch. XXV.
Brugge. Societe d'emulation pour Petude de l'histoire
et des antiquites de la, Flandre.
Annales. LXIV (1914), 1-3.
Brussel. Academie royale des Sciences, des Lettres
et des Beaux-arts de Belgique.
Annuaire. 1914.
Bulletin de la Classe des Lettres et des Sciences
morales et politiques et de la Classe des Beauxarts. 1912, 2, 3; 1913, 7-12; 1914, 1-4.
Bulletin de la Commission royale d'Histoire de
Belgique. LXXXII, 2-4; LXXXIII, 1.
Les denombrements de foyers en Brabant (XIVeXVIe siècle), p. J. Cuvelle r. Table onornastique.
Mêmoires in 8°. 2e Serie, VIII , I , 2.
L. v an der Essen, Les archives farnesiennes
de Parme au point de vue de l'histoire des
anciens Pays-Bas catholiques.
L. Verriest, Les archives d6partementales du
Nord A Lille. I.
Chartes du chapitre de Sainte-Waudru de Mons, rec.
et publ. p. L. Devillers et E. Mathieu. IV.
Comptes de la ville d'Ypres de 1267 A 1329, publ.
p. G. des Marez et E. de Sagher. II.
LX
Cartulaire de l'eglise Saint-Lambert de Liege,
publ. p. E. Pon6ele t. V.
Br u z s el. Algerneen Archief van het Koninkrijk Belgie.
Les archives de 1'Etat en Belgique. Annuaire
publie sous la direction de J. C u v e 1 i e r.
Inventaire des archives du Comite de commerce
maritime.
Inventaire des archives de la Belgique. Chartes
et cartulaires du Luxembourg. I.
Br usse I. Societe royale d'Archeologie de Bruxelles.
Annuaire. XXV (1914).
Annales. XXVII (1913) , 2-4.
B r u s s e I. De Bollandisten.
Analecta Bollandiana. XXXII , 4; XXXIII , 1, 2.
C a t a n i a. Societa di storia patria per la Sicilia orientale.
Archivio storico per la Sicilia orientale. X, 3;
XI, 1, 2.
D a n z i g. Westpreussischer Geschichtsverein.
Mitteilungen. XIII , 1-4.
Dusseldor p. Diisseldorfer Geschichtsverein.
Diisseldorfer Jahrbuch. 1913/14. XXVI.
E m d e n. Gesellschaft fur bildende Kunst und vaterldndische Altertiimer.
Jahrbuch. XVIII , 2.
Upstalsboom-Blotter fur ostfriesische Geschichte
und Heimatkunde. III (1913-1914) , 1-6.
Genev e. Societe d'Histoire et d'Archeologie.
Bulletin. III , 8.
G e n t. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taalen Letterkunde.
Verslagen en Mededeelingen. 1913, Dec. ; 1914,
G e n t. Maatschappij van Geschied- en Oudheidkunde.
LX1
Handelingen. XIV. Algemeene Tafel der Handelingen (I—X) en van het Bulletijn (I—XX).
Bulletijn. 21 ste jaar, 7; 22ste jaar, 1-3.
Giessen. Oberhessischer Geschichtsverein.
Mitteilungen. Neue Folge. XXI.
's-Gr avenhage. Koninklijk Instituut voor de TaalLand- en Volkenkunde van NederlandschIndie.
Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van
Nederlandsch-Indie. LXIX, 2-4; LXX, 1.
Naamlijst der leden op 1 Juni 1914.
's-G r a v en h age. Algemeen Rijksarchief.
Het Rijksarchiefwezen in het algemeen. 1913.
Januari 1914.
Het Algemeen Rijksarchief. 1913.
' s-G raven hag e. V ereeniging Die Haghe.
Jaarboek 1913.
Haarle m. Redactie der Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem.
Bijdragen. XXXVI, 1, 2.
H a m b u r g. Verein fur hamburgische Geschichte.
Zeitschrift. XVIII, 2.
Mitteilungen. XXXIII (1913).
H a n n o v e r. Historischer Verein fur Niedersachsen.
Zeitschrift. 1913, 1-4.
Is e g h e m. Redactie van Neerlandia Franciscana.
Neerlandia, Franciscana. I, 1-3.
K arlsruhe. Badische historische Kommission.
Zeitschrift fur die Geschichte des Oberrheins.
Neue Folge. XXIX, 1-4.
Kasse 1. Verein fur hessische Geschichte und Landeskunde.
Zeitschrift XL VII (N. F. XXXVII).
XLII
K e u l e n. Redactie van de Westdeutsche Zeitschrift
fur Geschichte und Kunst.
Westdeutsche Zeitschrift. XXXII , 3, 4.
K o n in g s b e r g e n. Redactie van de Altpreussische
Monatschrift.
Altpreussische Monatschrift. LI, 1-4.
K or t r ij k. Geschied- en oudheidkundige Kring.
Bulletijn. X (1912-1913), 3; XI (1913-1914), 1.
L e e u w a r d e n. Friesch Genootschap van Geschied-,
Oudheid- en Taalkunde.
De vrije Fries. XXII.
L e i d e n. Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde.
Handelingen en Mededeelingen. 1913-1914.
Levensberichten. 1913-1914.
L e i p z i g. KOniglich-sachsische Gesellschaft der Wissenschaften.
Abhandlungen der philologisch-historischen Klasse.
XXIX, 8, 9; XXX, 1-4.
Berichte fiber die Verhandlungen d. philol.-hist.
Klasse. LXV (1913), 1-4.
Leuve n. Redactie der A nalectes pour servir 1 1'Histoire ecclesiastique de la Belgique.
Analectes. 3e Serie. IX , 4; X, 1.
Le u v e n. Redactie der Revue d'Histoire ecclesiastique.
Revue. XV, 1, 2.
Londe n. Redactie van de English historical Review.
English historical Review. N° 113-116.
Lubec k. Verein fur liibeckische Geschichte und
Altertumskunde.
Zeitschrift. XVI, 1, 2.
Lubeck. Hansischer Geschichtsverein.
Hansische Geschichtsblatter. 1912, 1, 2; 1913, 2;
1914, 1.
Pfingstblatter. X (1914.)
LXIII
L u i k. Institut archeologique liegeois.
Bulletin. XLIII (1913).
L uik. Societe d' Art et d'Histoire du diocese de Liege.
Bulletin. XX.
Leodium. XI (1912), 10-12; XII (1913), 1-12.
L u n d. Kongelige Universitet.
Acta Universitatis Lundensis. Nova series. FOrsta
Afd. IX (1913); Andra Afd. IX (1913).
Maagdenbur g. Verein fur Geschichte und Altertumskunde des Herzogtums und Erzstifts Magdeburg.
Geschichtsblatter fur Stadt und Land Magdeburg.
XLVIII (1913), 1, 2.
Maastrich t. Societe historique et archeologique
dans le Limbourg.
Publications. XLIX , L (Nouv. ser. XXIX, XXX,
1913, 1914).
M a d r i d. Real Academia de la Historia.
Boletin. LXIII, 6; LXIV, 1-6; LXV , 1-5.
Mareds o u s. Abbaye de Maredsous.
Revue benedictine. XXX, 4; XXXI, 1-3.
M e c h e 1 e n. Cercle archeologique, litteraire et artistique de Malines.
Bulletin. XXIII (1913).
M i d d e 1 b u r g. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.
Archief. 1913.
M u n c h e n. KOniglich-bayerische Akademie der Wissenschaften.
Abhandlungen. Philos.-philol. u. hist. Kl. XXVI, 6.
Sitzungsberichte der philos.-philol. u. der histor.
Klasse. 1913, 9-11, m. Schlussheft; 1914, 1-7.
Register zu den Abhandlungen, Denkschriften und
Reden. 1807-1913.
LXIV
F. V o 11 m e r, Ueber Fiirsorge wad Verstandnis
flir riimische Inschriften in Bayern.
M u n c he n. Redaction des Historischen Jahrbuches
der GOrres-Gesellschaft.
Historisches Jahrbuch. XXXIV, 4; XXXV, 1-3.
Erganzungsheft. Inhalts-Uebersicht fiber Bd. 1-34.
M u n s t e r en P a d e r b or n. Verein fur Geschichte
und Alterthumskunde Westfalens.
Zeitschrift fur vaterldndische Geschichte und
Alterthumskunde. LXX , 2; LXXI , 1, 2.
N am e n. Societe archeologique de Namur.
Annales. XXXI, la et b, 2.
N eurenb e r g. Germanisches Museum.
Anzeiger. 1913, 1-4.
Mitteilungen. 1913.
N i e u w-17 o r k. The New-York Historical Society.
Publication Fund. XLIII—XLIV.
0 sna briic k. Verein fur Geschichte und Landeskunde von Osnabruck.
Mitteilungen. XXXVIII (1913).
P o s e n. Historische Gesellschaft fur die Provinz Posen.
Zeitschrift. XXVIII, 1, 2.
Historische Monatsblatter. XIV , 1-12.
R o e r m on d. Limburg. Provinciaai Genootschap voor
geschiedkundige Wetenschappen, Taal en Kunst.
Limburg's Jaarboek. XX, 1-4.
R o m e. Reale Society romana di Storia patria.
Archivio. XXXVI , 3, 4; XXXVII, 1, 2.
R o m e. Nederlandsch Historisch Instituut.
Jaarverslag 1913.
R o m e. Institut historique beige.
Analecta Vaticano-belgica. VII.
Rostock. Verein fur Rostocks Altertiimer.
Beitrage zur Geschichte der Stadt Rostock. VIII
(1914).
txv
Rotterdam. Gemeente-Archief.
Verslag over 1913.
S c h w e r i n. Verein fiir mecklenburgische Geschichte
und Altertumskunde.
Jahrbiicher und Jahresberichte. LXXIX.
S t.-N ikolaa s. Oudheidkundige kring van het land
van Waas.
Annalen. XXXII (1913) ; XXXI (1914).
Stockholm. Kungl. Vitterhets Historie och Antikvitets Akademi.
Skines medeltida Dopfuntar. II.
St ockholm. Nordiska Museet.
Fataburen. 1913, 1-4.
Stuttgart. KOnigliche Landesbibliothek.
Wiirttembergische Geschichtsquellen. XVI.
Wiirttembergische Archivinventare. 11.
Wiirttembergische Jahrbiicher fur Statistik und.
Landeskunde. 1913, 2, 3.
Wiirttembergische Vierteljahrshefte fur Landesgeschichte. Neue Folge. XXIII (1914), 1-3.
To n ger e n. Societe scientifique et litteraire du Limbourg.
Bulletin. XXXI.
Up s al a. Carolina Rediviva. Kongelige UniversitetsBibliothek.
Skrifter utgifna of Kongl. Hurnanistisk a Vetenskaps-Samfundet. I. Uppsala. XV, XVI.
Svenska LandsmAl och Svenskt Folklif. 1913
(120-123).
Stockholms stad Privilegiebref. 1423-1700. IV.
Utrech t. Gemeente-Archief.
Verslag van den toestand der Gerneente Utrecht
in 1912. 1, II.
Verslag van den Gemeente-Arciiivaris over het
Bijdr. en Meded. XXXVI.
v
LXVI
voorgevallene in de Gemeente-verzamelingen
in 1913.
S. Muller F z., Catalogussen van de bij het
Stads-archief bewaarde archieven. Eerste Afdeeling. De aan de stad behoorende archieven.
B. Kloosters en begijnhuizen.
Catalogus van den topographischen Atlas der
provincie Utrecht.
Utrech t. Provinciaal Utrechtsch Genootschap van
Kunsten en Wetenschappen.
Verslag van het verhandelde in de Algemeene
Vergadering 1911-1914.
Aanteekeningen van het verhandelde in de SectieVergaderingen 1911-1914.
C. L. Kooiman, Fragmenta juris Quiritium.
U t r e c h t. Redactie van het Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht.
Archief. XXXIX, 3; XL , 1, 2.
Utrech t. Redactie van De Katholiek.
De Katholiek. Jaarg. 1914, Jan.—Dec. (Deel
CXLV—CXLVI).
W e e n e n. Kaiserliche Akademie der Wissenschaften.
Archiv fur Osterreichische Geschichte. CII, 2;
CIV, 1.
W. e en e n. Institut fur Osterreichische Geschichtsforschung.
Mitteilungen. XXXIV, 4; XXXV, 1. — Beiblatt:
Kunstgeschichtl. Anzeigen. 1912, 3, 4.
NV e r n i g e r o d e. Harz-Verein fur Geschichte und Alterthiimer.
Zeitschrift. XLVI (1913), 4; XLVII (1914), 1, 2.
W i e s b a d e n. Verein fur nassauische Altertumskunde
und Geschichtsforschung.
LXVII
Nassauische Annalen. XLII (1914).
Nassauische Heimatblatter. Mitteilungen. XVII
(1913-1914), 1-4.
IV o 1 fe nb utt el. Geschichtsverein furdas Herzogthum Braunschweig.
Jahrbuch. XII (1913).
Braunschweigisches Magazin. XIX (1913), 1-12.
NV u r z b u r g. Historischer Verein von Unterfranken
und Aschaffenburg.
Archly. LV.
Jahresberichte fur1912.
Z w olle. Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Ueschiedenis.
Verslagen en Mededeelingen. XXVII—XXIX (2de
Reeks III—V).
A. van Dedem, Register van Charters en Bescheiden berustende bij de Vereeniging.
II. T. Colenbr an d er, Rede gehouden in de
vergadering van 28 Nov. 1913.
HI. AANGEICOCHT.
A.
AANKOOPEN VAN HET GENOOTSCHAP.
Revue d'Histoire diplomatique. XXVIII, 1-8.
F. de Bas, Prins Frederik der Nederlanden en zijn
tijd. Afl. 51-57.
Repertorium op de Nederlandsche Tijdschriften. 1-10.
B.
OVERGENOMEN VAN HET LEESGEZELSCHAP.
Archief voor Nederlandsche Kerkgeschiedenis. Nieuwe
Serie. X, 4; XI, 1-3.
LXVI II
Nederlandsch Archievenblad. XXII (1913/1914), 2-4;
XXIII (1914/1915), 1.
Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde. 5de Reeks , II, 1-3.
Het Boek. Jan.—Dec. 1914.
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen
Bond. 2de Serie. VI, 6; VII, 1-6.
De Navorschet. 1914, 1-12.
Oud-Holland. XXXII, 1-4.
Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde.
XXIX (1914) , 1 —6.
Nieuwe Drentsche Volksalmanak. XXXII (1914).
Neues Archie der Gesellschaft fur altere deutsche
Geschichtskunde. XXXIX , 1-3.
Deutsche Geschichtsblatter. XV (1913/1914), 4-12.
Mitteilungen aus der historischen Litteratur. Red.
von F. Hirsch. XLII, 1-4.
Historische Vierteljahrsschrift. Hrsg. von G. S e e 1 i g e r.
XVII (1914), 1-3.
Vierteljahrsschrift fur Sozial- and Wirtschaftsgeschichte. XII, 1-3.
Historische Zeitschrift. 3 e Folge. XVI, 2, 3; XVII,
1-3.
La Revolution francaise. LXVI, 7-12 (33 e annee,
7-12); LXVII, 1-5 (34e annee, 1-5).
Revue d'histoire moderne et contemporaine. XVIII,
6; XIX, 1.
Revue historique. CXV—CXVI (1914).
Revue des questions historiques. 1914, 1, 2.
Revue beige de numismatique. 1914, 2, 3.
The Scottish historical Review. XI , 2-4; XII , 1
(N°. 42-45, Jan.—Oct. 1914).
BIJLAGE E.
JAARVERSLAG VAN DE CENTRALE COMMISSIE VOOR
DE HISTORISCH-ST.A TISTISCHE
NEDERLAND OVER
KAARTEN VAN
1914.
De uitgave der verdere afleveringen van den Geschiedkundigen Atlas van Nederland in 1914 heeft eenigermate
geleden door den oorlog , die de werkzaamheden van
sommige medewerkers eenigszins vertraagde.
Bijzonder drukke werkzaamheden enz. beletten den
heer Dr. W. A. F. Bannier de gegevens te zenden voor
eenige cartons bij de Kaart 12 (Rep. Ned. 1795) , maar
deze zullen nu weldra gereed komen en de dan te vervaardigen kaart zal vervolgens spoedig kunnen verschijnen.
Bij de 5 bladen van de kaart der Rijnverdeelingen in
de 17 de en 18 de eeuw,, die in den loop van dit jaar verschenen , kon tot leedwezen der Commissie de tekst nog
niet worden uitgegeven , daar de Commissie de kopij ,
waarom ze herhaaldelijk verzocht , nog niet van den bewerker,, den heer J. W. Welcker te Oosterbeek , mocht
ontvangen. Zij hoopt binnenkort in staat te zijn dezen
tekst te doen drukken.
In den loop van dit jaar zal verschijnen de kaart van
de rechterlijke indeeling in de 19 de eeuw,, bewerkt door
Mr. Dr. J. C. Overvoorde te Leiden in 3 bladen (N°. 15
van het Programma) ; voorts die van den Bourgondischen
tijd , met de cartons waarschijnlijk in 4 bladen (N°. 7) ,
die eveneens in bewerking en tegen den zomer zullen
afgewerkt zijn door den heer Blok , die zich met de vervaardiging dezer kaart belast heeft.
De Commissie , daartoe in staat gesteld door de hoog
gewaardeerde hulp van het Departement van Kolonien , was
LXX
zoo gelukkig voor de geschiedenis der kolonien en ontdekkingstochten de medewerking te verkrijgen van Dr. F.
C. Wieder te Amsterdam , die zich reeds met de bewerking bezighoudt. Zij hoopt spoedig met den druk van
het eerste blad deter kaart te kunnen beginnen.
De Commissie heeft maatregelen genomen om, ondanks
alle bezwaren , zoowel die uit den oorlogstoestand voortspruiten als die Welke noodzakelijkerwijze samenhangen
met het regelen der medewerking van verschillende belangeloos arbeidende medewerkers , den geregelden gang
der uitgave te verzekeren.
Wat den toestand van het Centraal Bureau te Hattem
betreft , zal de heer lloefer, door werkzaamheden in verband met de interneering enz. belet de gegevens dienaangaande bijtijds te verzamelen , in het volgende jaarverslag mededeeling doen.
Namens de Centrale Commissie voor de
Historisch-Statistische kaarten van Nederland.
P. J. BLOK, Voorzitter.
A. A. BEEKMAN, Secretaris.
Februari 1915.
BIJLAGE F.
VERSLAG VAN DE VERGADERING DER LEDEN VAN HET
HISTORISCH GENOOTSCHAP , GEHOUDEN OP DINSDAG
14 APRIL 1914 IN HET GEBOUW VOOR KUNSTEN
EN WETENSCHAPPEN TE UTRECHT.
Volgens de presentielijst zijn aanwezig de volgende
leden van het Genootschap :
Mr. J. P. Fockema Andreae.
Dr. W. A. F. Bannier.
Jhr. Mr. W. A. Beelaerts
van Blokland.
Dr. P. J. Blok.
Mr. L. G. N. Bouricius.
M. ten Bouwhuys.
Mr. Dr. S. van Brakel.
Dr. M. Bruijel.
Dr. C. P. Burger jr.
Dr. C. H. T. Bussemaker.
Mr. A. le Cosquino de Bussy.
W. J. J. C. Bijleveld.
Mej. E. de Clercq.
Dr. H. E. van Gelder.
Mr. L. J. C. van Gorkom.
Dr. I. II Gosses.
J. J. Graaf.
Dr. K. Heeringa.
Dr. A. H. L. Hensen.
Jonkvr. A. baronesse van
Hogendorp.
A. Hoynck van Papendrecht.
Dr. J. Huges.
Dr. J. Huizinga.
Dr. A. Hulshof.
Dr. A. F. M. Huybers.
Mej. J. T. Jelgersma.
P. H. van der Kemp.
Dr. G. W. Kernkamp.
W. J. Kernkamp.
J. C. J. Kleijntjens.
F. S. Knipscheer.
Mr. J. van Kuyk.
Dr. L. W. A. M. Lasonder.
Mr. A. Meerkamp van
Embden.
H. M. van der Mersch.
Dr. A. J. van der Meulen.
Dr. W. Meijer.
Dr. M. Monasch.
Dr. W. J. M. Mulder.
Dr. H. P. N. Muller.
Dr. J. W. Muller.
Dr. Mr. S. Muller Fz.
F. J. Nieuwenhuis.
Mr. Dr. N. W. Posthumus.
Dr. F. Pijper.
LXXI1
Dr. E. Slijper.
H. Snijders.
J. F. van Someren.
Sterck.
j. F.
Dr. 11. Terpstra.
Dr. J. S. Theissen.
Mej. Dr. E. Timmer.
j. W. des Tombe.
F. L. S. F. baron van Tuyll
van Serooskerken van
Zuylen.
J. Veersema.
Dr. H. E. J. M. van der
Velden.
J. F. L. de Balbian Verster.
Dr. J. A. Vollgraff.
J. D. Wagner.
P. It M. Welker.
Dr. J. A. Worp.
Jhr. J. M. van Asch van
Wijck.
Wijnandts van Resandt.
Dr. A. Zijp.
De Voorzitter , Dr. Mr. S. Muller Fz. , open t te ruins
11 uur de vergadering met de volgende toespraak :
Dames en Heeren leden van het Historiseli
Genootschap
Van harte heet ik U welkom op deze bijeenkomst ,
die de leden van ons Genootschap voor korten tijd weder
eens samenbrengt en hun de gelegenheid geeft tot eerie
gewenschte wisseling van gedachten.
Ter inleiding onzer vergadering wil ik u een kort
overzicht geven van het voornaamste , dat in de jaren ,
sedert wij voor het laatst bijeenkwamen , geschied is, —
eene samenvatting der laatste jaarverslagen, die het licht
duidelijker zal doen vallen op de hoofdpunten.
De werkzaamheden van uw bestuur en de uitgaven
van ons Genootschap zijn haar gewonen gang gegaan.
Als gewoonlijk hebben de leden drie deelen per jaar
ontvangen , en de qualiteit van het afgeleverde is zeker
niet minder geveest dan vroeger. Onder die werken
staan geheel op den voorgrond de twee laatste deelen
van de uitgaaf der brieven van Jan de Witt, die ons
medelid Japikse , mar Fruins bewerking , die door hem
voortreffelijk aangevuld is , in het licht heeft gegeven.
Deze hoogst belangrijke uitgaaf is thans gelukkig voltooid; in nog twee deelen hoopt Dr. Japikse de brieven
aan De Witt uit dezelfde periode te kunnen samenvatten.
LXXIII
Daarmede zal dan de druk van Fruins schriftelijke nalatenschap geheel door ons bezorgd zijn.
De uitgaaf der nagelaten geschriften van onzen betreurden eere-voorzitter is zeker eene der belangrijkste ondernemingen , die sedert jaren door ons zijn tot stand gebracht. Toch verheugen wij ons to kunnen mededeelen ,
dat het tot stand komen van een nog gewichtiger werk
thans zeker is : de uitgaaf van de vier ontbrekende
deelen van de Correspondance de Marguerite de Parme.
Die uitgaaf is , naar men weet, lange jaren geleden
door Gachard begonnen ; maar zij was nagenoeg geheel
voorbereid door onzen Bakhuizen van den Brink , wiens
afschriften uit de archieven van Brussel en Weenen ,
die ook voor de ontbrekende deelen het materiaal
moeten vormen , onlangs zijn teruggevonden. Het drukken van dit materiaal , — eene groote , omvangrijke
onderneming , wier succes thans verzekerd is , heeft vrij
wat beslommeringen van ons gevergd. Het nut der
uitgaaf stond dadelijk vast , en zij scheen voor ons ook
geene belangrijke moeilijkheden meer te zullen leveren.
Maar de druk dreigde z4Or kostbaar te zjjn , — veel to
kostbaar voor maze beperkte middelen. ?Mr gelukkig
achten wij ons — en wij beschouwen het als eene posthume hulde aan de nagedachtenis van den grooten Bakhuizen van den Brink — , dat wij er in hebben mogen
slagen , om op ens gemotiveerd verzoek zoowel van de
Nederlandsche als van de Belgische regeering, die beiden
bij het begin der uitgave betrokken waren , de door ons
noodig geachte subsidies te verkrijgen. De bewerking
der volumineuse verzameling brieven kan dus thans eerstdaags beginnen ; in Dr. Theissen meenen wij een serieuse
kracht gevonden te hebben , die volkomen berekend is ,
om het groote werk , dat hij met ingenomenheid aanvaardt , tot stand te brengen.
Wel merkwaardig is het, dat de twee belangrijkste
uitgaven , die wij in de laatste jaren ondernomen hebben en
in de eerstvolgende ondernemen zullen , beiden afkomstig
zijn van de historici — de grootste historici — der vorige
generatie. Ook de andere publicaties , waarop ik uwe
bijzondere aandacht vestigen wil , zijn ons alle nog ver-
LXXIV
maakt door onze voorgangers ; mar dezen zullen niet,
zooals de zooeven genoemde, strekken tot verhooging
van hunnen roem. Veeleer zullen zij de aandaeht vestiges
op de zwakke zijcle hunner werkzaamheid : op de dikwijis
onvoldoende verzorging hunner bronnen-uitgaven. Eene
aanvulling van de uitgaaf der Hollandsche grafelijkheidsrekeningen uit het Henegouwsehe huis is bij ons in bewerking : nog een dik deel, wellicht zelfs twee deelen, zullen
gevuld worden met rekeningen , die ten onrechte uit deze
belangrijke serie zijn weggelaten. Bovendien zijn wij
bezig met de bewerking van naamregisters op de geheele
sane , die bij een work als dit niet mogen ontbreken. Deze
eerste leernte wenschen wij aan te vullen ; de andere, niet
minder voelbare lacune , het ontbreken eener inleiding ,
zullen wij noode ter zijde moeten later]. Ook op de
aanvulling van een ander groot work der vorige generatie
is onze aandacht gericht : ik bedoel Van den Berghs
Hollandsch oorkondenboek. Jaren geleden heeft de heer
De Fremery reeds een lijvig supplement op het oorkonden.boek in het licht gegeven ; het is ons eater gebleken,
dat de Belgische areltieven nog stof kunnen leveren voor
eene tweede , wellicht niet minder ornvangrijke nalezing:
deze nuttige ondernemiug wordt door ons overwogen. —
Op de jaren geleden door ons Genootschap successivelijk
bezorgde uitgaaf van de verschillende journalen van
Constantijn Huygens den Zoon is door ons , reeds voor
eenige jaren , een naamregister uitgegeven , dat bij dit werk
onontbeerlijk heeten mag. Maar ons medelid Mr. Mr.
J. H. flora Siccama heeft kans gezien, om dezen index
zeer belangrjjk in gewicht to doen toenemen door tallooze aanvullingen uit andere bronnen , die hij beter dan
iemand kep t en die nu het supplement vrij wat omvangrijker zullen maken dan ons naamregister zelf was. Het
geheele werk zal aldus eene waardevolle aanvulling leveren
van de mededeelingen van Huygens zelf, — een arbeid
eenigszins in den trant van Fruins aanteekeningen op
het journaat van Droste , waarvoor wij ons medelid ten
hoogste verplicht zijn. Een laatste arbeid , waarop ik
uwe aandacht wil vestigen, is onze uitgaaf van de beide
oudste gedeelten van het welbekende St. Adalberts-boek
LXXV
van Egmond. Al bet door ons thans op nienw uitgegevene was reeds vroeger gedrukt , fragmentarisch en
verspreid eerst thans echter , nu alles volledig en in
zijn verband herdrukt werd , is het mogelijk geweest , de
wording en den samenhang der beide hoogst belangrijke
-stukken te begrijpen en in het licht te stellen. Ik neem
de gelegenheid waar,, om hierbij eene hinderlijke omissie
te signaleeren , die mij groot leed doet : in de inleiding
van de goederenlijst verzuimde ik de vroegere uitgaaf
van het laatste gedeelte der goederenlijst door Pijnacker
Hordijk te vermelden , eene omissie , die mij te meer
sgrieft , omdat zj het werk betreft van mijn hoogvereerden vriend.
Nog meen ik u te mogen spreken van twee ondernemingen , — geene bronnen-uitgaven ditmaal , maar
publicaties , door ons ondernomen om andere dergelijke
uitgaven , die wij mogen te gemoet zien, voor te bereiden
en te vergemakkelijken. Lange jaren geleden heb ik zelf
in ons Genootschap uitgegeven eene lijst van de mij bekende handschriften onzer Noord-Nederlandsche kronieken.
Het stuk heeft zijn nut gehad en tot verschillende nieuwe
bronnen-publicaties aanleiding gegeven toch was het een
geheel onvoldoende arbeid. Zonder eenige medewerking
was het destijds niet wel mogelijk , een werk als dit
schrede op een geheel nieuwen weg — goed te voltooien.
Reeds dadelijk bij de uitgaaf zag ik dit in maar dit
scheen mij toch gees reden , om het stuk terug te houden.
Toen echter in den loop der jaren de nieuwe gegevens ,
die ik vond , steeds toenamen , — toen kantteekeningen
zonder tal mijn handexemplaar bijna onbruikbaar maakten,
begreep ik , dat het thans tijd werd , om eene veel verbeterde, om eene definitieve nieuwe uitgaaf in het licht
te zenden. hebben ons medelid Hulshof bereid gevonden tot dezen nuttigen arbeid bet werk is reeds ver
gevorderd en zal binnen een paar jaren het licht kunnen
zien. Een kleinere , maar niet minder nuttige arbeid
zal reeds vroeger gereed zijn : de nieuwe eenigszins verbeterde herdruk van de door ons jaren geleden vastgestelde regels voor het uitgeven van middeleeuwsche
teksten en van teksten uit den nieuweren tijd. Wij
LXXVI
zullen daaraan nu toevoegen eenige door ons vast te
stellen regels voor de bewerking van indices op middeleeawsche en nieuwere teksten. En wij hopen ook de.
door ons voor een paar jaren geformuleerde eischen voor
de inleidingen onzer uitgaven te kunnen uitbreiden tot
een kort programma van hetgeen wij van de bewerkers
onzer uitgaven wel verwachten en wat wij meenen niet
van hen te moeten vergen. Het kleine bundeltje zal,
naar wij vertrouwen , den arbeid onzer medewerkers
veelszins vergemakkelijken ; het zal meer eenheid brengen
in onze werken en ook aan de bewerkers van andere
uitgaven een nuttigen leiddraad kunnen geven.
Gij ziet het , Dames en Heeren ! er is voor ons nog altijd
werk genoeg : de vrees , dat de Commissie voor 's Rijks
geschiedkundige publication op den duur te veel gran
voor onze voeten zou wegmaaien , blijkt wel zeer bijzonder ongegrond te zijn geweest. Zij is het zelfs in die
mate , dat ons laatste jaarverslag moest waarschuwen ,
dat groote zuinigheid , wellicht zelfs eene beperking onzer
uitgaven noodig zou kunnen worden. De reden dezer
bezorgdheid is niet alleen de kostbaarheid van de voorgenomen uitgaaf der Correspondance de Marguerite de.
Parme , maar vooral de voortdurende stijging der drukkersloonen. Onlangs hebben wij met de firma Kemink
een nieuw contract moeten sluiten , met belangrijk verhoogd tarief. Door ernstig overleg en door verschillende
bezuinigingen was de slag ditmaal nog te dragen. Toch
verhaalde ik u reeds , dat wij twee regeeringssubsidies
hebben moeten vragen , om de uitgaaf van Margaretha's
correspondentie mogelijk te maken ; ook voor het bezorgen
eener andere bijzonder kostbare uitgaaf hebben wij bijdragen moeten veroveren van Teylers Genootschap en van
het Provinciaal Utrechtsch Genootschap. Natuurlijk kan
dit redmiddel echter slechts enkele malen dienen. Ook
andere middelen hebben wij beproefd : door prijsverlaging
onzer oude werken hopen wij ons debiet nog wat te
vergrooten. Wanneer de noodzakelijkheid van drukprijsverhooging zich echter andermaal mocht voordoen , dan zullen
wij ons kwalijk kunnen redden en denkelijk gedrongen
zijn , over te gaan tot beperking onzer uitgaven.
LXXVII
Pit zijn schaduwen op onzen weg; maar gelukkig zijn
het de eenige : er zijn ook lichtpunten. Ons ledental
neemt langzaam , maar voortdurend toe : sedert verleden
jaar hebben wij zelfs het getal 500 overschreden. Dankbaar zijn wij voor de belangstelling , die ons in zoo ruime
mate ten deel valt : ons laatste jaarverslag mocht vermelden , dat twee onzer leden , de heeren C. W. Bruinvis
en Mr. N. P. van den Berg, ons gedurende niet minder
dan zestig jaren trouw zijn gebleven !
Ons leesgezelschap , hoewel gesteund door zijne verschillende Haien , hecft nog altijd niet genoeg leden om
zijn onkosten geheel te dekken. Wij overwegen , of er
middelen zijn, om dit bezwaar te overwinnen. Zoo gaan
wij , al zijn wij niet blind voor enkele gevaren , met moed
en met opgeheven hoofd onze toekomst te genioet.
De Voorzitter verleent daarop het woord aan den beer
Prof. Dr. G. W. Kernkamp , die dan zijn aangekondigde
voordracht houdt over :
Christiaan 11 van Denemarken in zijne betrekkingen tot
de Nederlanden.
Van den inhoud dezer voordracht volgt bier een Dort
verslag :
De romantische levensgeschiedenis van Christiaan II
van Denemarken heeft in versehillende tijden de belangstelling van kunstenaars en historici gewekt , ook in
Noord- en Zuid-Nederland. Drie Nederlandsche vrouwen
spelen dan ook in dat levee een groote rol : Isabella , een
jongere zuster van Karel V, die op 13-jarigen leeftijd aan
Christiaan werd uitgehuwelijkt Duveke, de minnares van
den koning, en haar moeder Syberich, of, zooals zj meestal
genoemd wordt , met den naam dien zij in het Noorden
droeg Sigbrit. Van deze drie is Sigbrit zeker een van
de merkwaardigste: een vrouw uit de burgerklasse , die
zooveel invloed op den koning kreeg , dat hij haar het geheele bestuur van het financieele wezen zijner rijken overliet en in de gewichtigste regeeriugszaken haar raad inwon.
Maar ook om audere redenen trok de geschiedenis van
LXXYIIY
Christiaan II de aandacht van Nederlandsche historici.
In zijn tijd begonnen de Nederlanders de Hanseaten te
verdringen uit de vaart op de Oostzee ; meer dan eenig
ander yolk hadden zij belang bij den afloop van den
strijd , dien Zweden en Lubeck tegen Christiaan II aanbonden. Naar de Nederlanden nam Christiaan de wijk ,
toen zijn vijanden in eigen rijk en daarbuiten zich tegen
hem vereenigden ; hier bracht hij een groot deel zijner
ballingschap door ; van hieruit ondernam hij in 1531 de
expeditie naar Noorwegen , waardoor hij op den troon
van de drie Skandinavische rijken hersteld hoopte te
worden , maar die uitliep op zijn verderf: door de verraderlijke handelwijze van Denen , Zweden en Lubeckers
verloor hij de vitheid en moest hij zijn laatste 27 levensjaren in gevangenschap doorbrengen.
De Noord- en Zuid-Nederlandsche geschiedschrijvers ,
die zich met de lotgevallen van Christiaan II bezighielden , hebben , op een enkele uitzondering na, geen kennis
kunnen semen van het voortreffelijke , uitvoerige werk
van C. F. Allen , den Deenschen historicus , die beter
dan iemand vertrouwd was met de Skandinavische geschiedenis van de eerste helft van de 16 de eeuw. Sinds
de verschijning van dat werk is bovendien door de Nederlandsche historici zoo goed als geen studie gemaakt van
de betrekkingen tussehen Nederland en de Skandinavische
landen in de 16 de eeuw zoo is het er nog verre van af,
dat de resultaten van het onderzoek van Allen en van de
Skandinavisehe historici , die zich na hem met den tijd
van Christiaan II bezig hielden , gemeengoed zijn geworden van de beoefenaars der geschiedenis van Nederland.
Spreker acht het daarom niet overbodig , op die resultaten de aandacht te vestigen. Hij kan daaraan trouwens
enkele nieuwe bizonderheden toevoegcn , deels ontleend
aan de in 1913 door dr. R. Hapke uitgegeven „Niederlandische Akten und Urkun.den zur Geschichte der Hanse
und zur deutschen Seegeschichte , Erster Band , 1531—
1557" , deels aan de rekeningen van Pompeius Occo ,
een Amsterdamsch bankier,, die de geldschieter was van
Christiaan IT. Deze rekeningen zullen door Spreker in de
Bijdragen en Mededeelinge)I van het Historisch Genoot-
LXXIX
schap worden uitgegeven ; Allen heeft er echter reeds
veel wetenswaardigs aan ontleend.
Spreker behandelde daarna uitvoerig de reis van Christiaan II in de Nederlanden in 1521 en de posten nit de
rekeningen van Pompeius Occo , die voor deze reis van
belang zijn. Daaruit blijkt o.a., dat Christiaan II destijds
afschriften liet nemen van de keurboeken van verschillende
Nederlandsclie steden , vermoedelijk ten behoeve van de
nieuwe wetgeving , die hij bezig was in Denemarken in
te voeren. Deze wetgeving wordt dikwijls aangevoerd als
een bewijs van de democratische richting in de staatkunde van Christiaan II ; naar de meening van Spreker is
het woord democratie echter niet van pas. Christiaan IT
was een der absolute vorsten van zijn tijd , die hun cigen
macht uitbreidden ten koste van die van adel en geestelijkheid , en daarbij steun zochten bij de gegoede burgerij , den koopmansstand. In zijn wetgeving komt zeker
veel voor , dat getuigt van een juist inzicht in de belangen
van handel en scheepvaart , ook van medelijden met het
lot der hoorige boeren ; ook bewijzen de bepalingen ten
opzichte van het onderwiis, dat hij ander den invloed van
het humanisme stand; maar het hoofddoel dezer wetgeving was toch een versterking van de koninklijke macht
en het verkrijgen van steun van burgers en boeren in
den strijd tegen de geprivilegieerde klassen. Christiaan II
ondernam echter een taak , die te zwaar was voor iemand
van zijn karakter : hij was niet bij machte het hoofd te
bieden aan de vijandschap , die hij zelf had uitgelokt ;
op het beslissende oogenblik toonde hij zich een zwakkeling en nam de wijk uit zijn land , voordat hij zich tot
het uiterste had verdedigd.
tit de nu volgende periode van Christiaans ballingschap
behandelde Spreker nog uitvoerig , wat er thans bekend is
geworden van de verdere lotgevallen van moeder Sigbrit,
die er zooveel toe had bijgedragen om Christiaan II in
Denemarken gehaat te maken. Ten slotte zette hij uiteen,
hoe de Koning zich in de Nederlanden voorbereidde voor
de expeditie van 1531 , die hem in zijn rijk moest herstellen , en besloot met een korte schets van zijn ongelukkig levenseinde.
LXIX
Als de heer Kernkamp gesproken heeft , brengt de
Voorzitter hem den warmen dank der vergadering over
voor hetgeen hij medegedeeld heeft en verleent hij daarop
het woord aan hen, die naar aanleiding van het gehoorde
jets in het midden te brengen hebben.
De heer Prof. Blok sluit zich bij de hulde en den dank
van den Voorzitter aan. Hij heeft slechts een wensch,
nL dat Spreker van zijn voordracht een artikel make en
het niet begrave in een verslag. Christiaan II, een
dramatische en tragische figuur,, is bij ons te weinig bekend. In het Noorden is groote belangstelling voor hem.
Kort geleden vroeg een historicus uit Christiania aan den
heer Blok inlichtingen over Sigbrit, van wie hij een
biografie schreef. Mag voor die inlichtingen naar den
heer Kernkamp verwezen worden
De heer Prof. Pijper uit insgelijks zijn waardeering en
heeft ook een wensch. Misschien zal de heer Kernkamp
hat kunnen verspreiden over Willem van Zwolle, fourier
van Christiaan II , Wiens martelaarschap wordt beschreven
door Bugenhagen.
De heer Sterek wenscht Been aanvulling te geven, maar
een paar vragen te stellen. De bissehop van Drontheim,
Walkendorf, is ook in Amsterdam bij Occo geweest hij
is naar Rome gegaan en daar gestorven, maar zijn
inboedel is te Amsterdam verkocht. Weet de heer Kernkamp daar jets naders van P Is hem verder bekend een
Amsterdamsehe kroniek over de jaren 1477-1531, aanwezig op de Koninklijke Bibliotheek , waarin over. Christiaan
II wordt gehandeld
De heer Kernkamp zal gaarne den heer His , den
Noorsehen historicus, inlichtingen geven. Bij de uitgave
der rekeningen van Pompejus Occo in de Bijdragen en
illededeelingen zal h jj nadere toelichtingen geven wellicht
sehrijft hiej ook een studie over Christiaan II.
Den heer Piper antwoordt Spreker , dat hij Willem
van Zwolle uit akte-stukken van Allen wel kent als hoffourier, maar niet als martelaar.
Den hoer Sterek moet hij mededeelen , dat hem van
den boedel van Walkendorf niet veel bekend is. De
kroniek kent hij.
Lxxxi
De beer Prof. Bussemaker is van meening, dat de Sigbritte-Forschung niet zoo bijzonder door de mededeelingen
van Hapke is bevorderd , en dat de heer Kernkamp ,
indien hij geen andere aanwijzingen heeft dan die van
genoemden schrijver, zijn gewone voorzichtigheid wel wat
heeft verzaakt.
De Voorzitter ten slotte vindt het belangrijkst voor ons
Nederlanders het bericht omtrent het afschrijven van
stadsrechten. Is ooit het verband tusschen het Nederlandsche en bet Deensche stadsrecht onderzocht ?
De beer Kernkamp is van meening , dat de heer Bussemaker een te ideale voorstelling heeft van Sprekers voorzichtigheid. Hij twijfelt er echter geen oogenblik aan ,
of met „la vieille femme" , die in de stukken bij Hapke
genoemd wordt, is Sigbrit bedoeld. Met den Voorzitter is
hij het eens , dat die quaestie der stadsrechten een belangrijke is. Aileen moet men niet te veel waarde hechten
aan dat afschrijven dier stadsboeken. Wij weten niet het
verband tusschen het tijdstip , waarop die afschriften gemaakt zijn, en Christiaans wetgeving.
De Voorzitter schorst thans voor den tijd van een uur
de vergaderiug , gedurende welken tijd het tweede ontbijt
wordt gebruikt.
Na, heropening geeft de Voorzitter eerst gelegenheid
aan den heer Dr. H. E. van Gelder, am een woord van
aanbeveling te spreken van de vereeniging „Hofwijck"
en tot financieelen steun daarvan aan te sporen ; vervolgens geeft hij bet woord aan den heer Dr. I. H. Gasses
tot het houden van diens aangekondigde voordracht over:
Edelen en niet-edelen in het graafschap Holland gedurende de middeleeuwen.
Hieronder volgt een uittreksel daarvan :
Lang heeft, ten minste in de populaire geschiedschrijving , de voorstelling geheerscht , dat in het graafschap
Holland oudtijds de bevolking hoofdzakelijk verdeeld geweest is in edelen en lijfeigenen. Deze laatsten zouden
hun vrijheid verworven hebben , of door op kruistocht te
LXXXII
gaan , of door zich in de opkomende steden te vestigen ,
of doordat liberaal gezinde graven, als Floris V, de
boerenbevrijding ter hand namen. Sommige schrijvers
met veel fantaisie , zooals Hofdijk , hebben deze voorstelling opgesierd en nog onjuister gemaakt dan zij reeds
is. Een nuchter onderzoek der geschiedbronnen laat ons
heel wat antlers waarnemen ; het oude beeld met zijn
schilderachtigen opsmuk vervluchtigt dan. Volkomen zekerheid kan men evenwel ook zoo niet bereiken ; trouwens
het gansche problem der oude standsverhoudingen onder
de Germaansche stammen is nog verre van opgelost.
Sedert Philipp Heck zijn onderzoekingen daarover in het
licht gaf, heerschen onder de geleerden formeele „standentwisten".
In het graafschap Holland laten zich in den oudsten
tijd , waaromtrent wij bruikbare gegevens hebben , dd. in
de 13de eeuw , drie stonden duidelijk onderkennen : edelen
of welgeborenen, vrijen en onvrijen. Van den laatsten
stand is de best waarneembare en stellig ook de talrijkste
klasse die der dienstlieden. Een scherpe grens scheidde
de welgeborenen eenerzijds van de vrijen en dienstlieden,
samen de „huislieden" , andererzijds. Dienstlieden en vrijen,
daaronder ook de poorters , waren bedeplichtig , ze betaalden de z.g. jaarbede , een vaste belasting ; de welgeborenen waren hiervan vrij. Dienstlieden en vrijen waren —
de eersten tenminste sedert het midden der 1 3de eeuw —
aan eenzelfde militieplicht onderworpen ; voor hen bestond
een gemeenschappelijke , in haar oorsprong zeker zeer
oude , organisatie , naar Welke een bepaald deel hunner
in 's graven oorlogen moest dienen en waarnaar de onderhoudskosten der uitgeboden gewapenden verdeeld werden.
De welgeborenen daarentegen waren alle persoonlijk tot
„heervaart" gehouden ; voor hun onderhoud in den krijg
zorgde geheel of gedeeltelijk de graaf. Dienstlieden en
vrijen stonden , wat de rechtspraak betreft , onder het
schoutengerecht ; slechts wegens zware misdaden en in
geval van hooger beroep verschenen zij voor den baljuw;
de welgeborenen stonden te recht uitsluitend voor den
baljuw.
Op een dualisme dus , op de tegenstelling tusschen
LXXXIII
welgeborenen en huislieden , berustte de regeeringsinrich.
tang van het graafschap. Het was onderverdeeld in
„ambachten" , d. z. tegelijk belasting- , militie- en rechtsdistricten , maar alleen voor de huislieden ; de welgeborenen stonden hierbuiten. Niet door hun leefwijze
echter onderscheidden zich de welgeborenen ; het waren
zeker grootendeels landlieden , boeren, evenals de anderen.
Al vroeg echter begon zich in deze standen ontbinding
te vertoonen. Een deel der welgeborenen en een deel
der dienstlieden zijn begiftigd met leenen ; beide scheidden zich of van hun oude standgenooten , ze smolten
samen tot een nieuwe aristocratie. Behalve doordat zij
leenmannen waren , waren zij gekenmerkt door ridderlijke
levenswijze. Aan de behoefte der vorsten om te kunnen
beschikken over beroepskrijgslieden , steeds bereid tot den
wapendienst te paard, had deze nieuwe stand zeker grootendeels zijn ontstaan te danken : om ridderlijk te kunnen
leven hadden ze hun leenen. Wel ontvingen niet alle
den ridderslag , maar toch kan men ze bet best samenvatten en werden ze samengevat onder den naam „ridderschap". Over bleven nit den ouden adel een groot getal
boersche welgeborenen , die zich op den duur met de
vrijen en het restant der dienstlieden tot een Nahrstand
moesten vereenigen. Toch hebben ze nog tot in de 16de
eeuw,, op enkele plaatsen zelfs tot in de 17 de eeuw,, een
deel hunner oude standsrechten weten te bewaren.
Veel moeilijker dan in de verwording is het om een
inzicht te krijgen in het ontstaan der oude standen. Deze
eenvoudig te beschouwen als gelijk aan de drie standen,
die ten tide van Karel den Groote hier bestonden , is
niet wel mogelijk. De welgeborenen zaten tusschen de
groote massa der bevolking bona als vreemdelingen , in
Kennemerland waren ze er als 't ware tusschen gewrongen ;
ze waren bier gehaat , een geweldige opstand omstreeks
1270 was een poging om dit heterogene volkselement
uit te werpen. In West-Friesland kwamen waarschijnlijk
geen welgeborenen voor. Dit en ook nog andere waarnemingen geven den indruk , dat de welgeborenen inderdaad oorspronkelijk een vreemd volksdeel zijn, dat over
de ingeboren , naar Friesch recht levende bevolking heen-
LXXXIV
geschoven is ; welks druk op de onderlaag naar het Noorden toe door deze steeds moeilijker werd verdragen en
dat zich over de West-Friezen niet heeft kunnen uitbreiden.
Wanneer de Voorzitter den heer Gosses namens de
vergadering hulde heeft gebracht voor zijn voordracht ,
opent hij het debat.
Hieraan wordt deelgenomen door de heeren Bouricius ,
Huizinga , Pijper en J. W. Muller , die , alien waardeerende de heldere wijze , waarop de heer Gosses orde gebracht heeft in het moeilijke en ingewikkelde vraagstuk,
dat hij heeft behandeld , detailpunten ter sprake brengen,
inlichtingen vragen of paralellen aanwijzen , die door den
Spreker worden toegelicht of beantwoord, beaamd of verworpen.
De leden van het Genootschap hebben na afloop der
vergadering in grooten getale een bezoek gebracht aan
de Utrechtsche Universiteits-bibliotheek , waar door de
goede zorgen der heeren J. F. van Someren en Dr. A.
Hulshof een belangwekkende tentoonstelling van fraaie
handschriften en boekwerken en van fotografische reproducties was aangericht. Een door genoemde heeren samengestelde en rondgedeelde Wegwijzer door deze tentoonstelling, alsmede hunne mondelinge voorlichting hebben
deze tentoonstelling tot een groot succes gemaakt.
Des namiddags to half zes verzamelden zich een aantal
leden aan een gemeen.schappelijken maaltijd in den huize
Okhuyzen.
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN 'S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR 1629 ,
MEDEGEDEELD DOOR
DR. J. S. VAN VEEN.
Het merkwaardige beleg van 's-Hertogenbosch heeft
in vroegeren en lateren tijd tal van pennen in beweging
gebracht. Achter het in 1873 door het Provinciaal
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant uitgegeven vierde stuk der ,, Verzameling van
oorkonden betrekkelijk het beleg van 's-Hertogenbosch
in den jare 1629" komt eene list der gedrukte werken
en stukken over dit beleg voor, die niet minder dan 99
nummers telt.
Het buitengewoon groote belang van de vermeestering
van 's-Hertogenbosch 1) on de omstandigheid , dat zij uit
de pennen van twee ooggetuigen zijn gevloeid en bijzonderheden bevatten , die elders niet worden aangetroffen ,
zoodat zij eene aanvulling van de „Verzameling" vormen,
hebben mij doen besluiten de hierachter volgende brieven
aan het bestuur van het Historisch Genootschap aan to
bieden.
De inhoud der door mij medegedeelde brieven , die
berusten in de brievenverzameling van het Hof van
1) Zie hierover J. P. de Bordes, De verdediging van Nederland in
1629 (Utr. '1856).
tRIEVEN OVEt
HET BELEG "VAX
Gelderland (Rijksarchief te Arnhem), strekt zich uit over
den geheelen dour van het beleg met eene gaping evenwel , omvattende den tijd tusschen het vertrek van
H. van Essen omstreeks 30 Juli en het opvatten van
de briefwisseling door A. de Bye , die kort tevoren in
het leger moet zijn aangekomen 1).
Aangaande de personen der briefschrijvers zij het volgende medegedeeld :
Henrick van Essen behoorde tot een adellijk Veluwsch
geslacht en was een noon van Henrick en Evermoet
Voet. Zen geboortejaar is niet bekend , maar men zal
m. i. niet ver van de waarheid zijn, wanneer men dit
zoekt omstreeks 1570. Na in 1604 te zijn toegelaten
tot de Ridderschap van Veluwe werd hij in Mei 1607
benoemd tot ordinaris raad in het Hof van Gelderland.
In 1616 volgde hij den overledenen Johannes Fontanus,
den bekenden Arnhemschen predikant, op als curator der
kwartierlijke school te Harderwijk en in 1618 nam hij als
politick gecommitteerde deel aan de Synode van Dordrecht,
waar hij zich als eenen heftigen tegenstander der Remonstranten deed kennen.
In 1619 behoorde hij tot de rechters van Oldenbarnevelt.
Zijne raadheersplaats in het Hof verwisselde hij in
Mei 1623 voor die van extraordinaris raad , welke verandering in October van hetzelfde jaar gevolgd werd door
zij ne aanstelling tot richter van Arnhem en Veluwezoom.
Reeds voor lien tijd , in 1622 , was hij door Gelderland
ter Generaliteit afgevaardigd. Als gedeputeerde te velde
treffen wij hem reeds in den herfst van hetzelfde jaar aan.
In Februari 1624 , bij gelegenheid van den inval des
vijands in de Veluwe, heeft hij zich als richter van
Veluwezoom , naar het schijnt , aan eenig plichtverzuim
schuldig gemaakt. Zoowel aan den Veluwschen drost
als aan hem was last gegeven om den IJsel tusschen
Deventer en Zutphen te laten „yzen" 2). De drost had
naar behooren uitvoering hieraan gegeven, maar van
1) Zie Verzam. van oork. III, N°. 40 in verband met N°. 44 en 53.
2) In de 46de eeuw noemde men dit „byten".
°S-HERTOGEN130SCH IN HET JAAR
1629.
Van Essen verhaalt zijn neef Alexander van der Capellen 1),
die in het algemeen niet gunstig over hem oordeelt, dat
dit ,,qualick geexecuteert was in Veluwensoom door den
richter Essen , dewelke selve sich absenteerende (uyt
vreese van gevangen te worden, soo ick vermoede) daervan bevel gaf aan Philips van Vurstenbergh , een versumend en onbequaem persoon ," waarvan het gevolg
was , dat graaf Hendrik van den Berg bij Dieren de
rivier kon oversteken. Naar aanleiding daarvan verscheen
kort daarop een paskwil „Het Velousche alarm", volgens
Van der Capellen „sonderlinghe tegens Henrick van
Essen , raetsheer, tot Deventer, nae 't schijnt , gedruckt.
Min opinie is , dat het Henrick van Eck gemaeckt
heeft" 2).
Dit gebrek aan fiver schijnt hem overigens niet veel
nadeel te hebben berokkend. Van der Capellen teekent
althans in Maart 1624 aan : „Belangende H. van Essen,
is dese twe verleden jaeren seer geluckigh geweest, wits
hy, verlatende den staet van ordinaris raedt , extraordinaris is geworden , gedeputeerde ter Generaliteyt ende
richter van Aernhem ende Veluwensoom ende nu gesonden
is in ambassade na Vranclirijck , daerin de Hollanders
dus Lange geene Gelderschen hebben willen admitteeren."
Bovendien werd hij ook meer dan eens gebruikt voor
binnenlandsche zendingen , o.a. naar Friesland en Groningen ter besleehting van oneenigheden.
Hij was gehuwd met Swane Lose en overfeed 24
October 1641.
Ten aanzien van Arnt de Bye zijn de bronnen minder
overvloedig. Als noon van Johan de Bye werd hij in
1600 te Zalt-Bommel geboren. Hij is meermalen burgemeester zijner vaderstad geweest en werd wegens het
Nijmeegsche kwartier ter Generaliteit afgevaardigd. Hij
heeft behoord tot hen , die van wege de Nederlandsche
Republiek aan den vredehandel te Munster deelnamen ,
'1) Gedenkschriften I, blz. 234.
2) Aid. , blz. 253.
4
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
en moet daar door zijne kennis een persoon van invloed
zijn geweest.
In 1648 wend hij bij de verheffing der kwartierlijke
school tot provinciale academie tot curator Bier inrichting
benoemd.
Hij was gehuwd met Margaretha Bicker en overleed
25 September 1652.
J. S. v. V.
I.
1629—April 18/28.
Miin Heeren ! Ick weet voor ditmail niet anders toe
advisiren als dat Syne Excell. deese nacht met het
leegher logirt tot Malden en met Goodes hulpe morghen
nacht sal logiren tot Vellip. Dus cryghen wy advys ,
dat die vyandt eenich vorraidt 1) heeft gehadt op Ravestein , loch es , Godt lof, ontdeckt. Tnacht sullen wy
met twee compagnien pairden volghen op de Grave.
....................
Ick sal niet laten UEd. van tiidt tot tiidt naerder
t'advisiren en Godt bidden , Miin Heeren , UEd. t'nemen
in Syne hillige protectie.
Uyt Nimmeghen, den 18/28 Aprilis 1629.
UEd. dienstwillighe
II. VAN ESSEN.
Min Heeren Cantselar en Baden des vorstendonis
Gelder en graifschap Zutphen.
'1) Plan, opzet.
' S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR
1629.
5
II.
1629
April 21
Mei 1 '
Miin Heeren ! Uyt Nimmeghen heb ick UEd. geschreeven d'gelegenheit van 't marchiren onses leeghers.
Eergisteren logeerden het tot Vellip ende Reecken ,
gisteravondt en deese nacht tot Berlicom ende Rosmalen.
Ick en die andere gecommitteerde van Hare Hoghmoghenden siin gisteren van d'Grave de Maes af tot bier
gecomen. Deesen morghen hebben wy van die wallen af
connen siin , hoe dat onse leegher voir die stadt van
d'Bosch quam , als oock hoe dat sy uyt die stadt met
het canon scooten seer feel ende sterck. Syne Exeell.
heeft quartier genoomen tot Vucht , Siin Genade graif
Ernst 1) tot Hinten en graif Willem van Nassaw tot
Orthen. Tot Enghelen siin deesen avondt en sullen oock
morghen daer noch by comers acht compagnien, d'welcke
gecommandirt sullen worden by d'heere van Hemert, die
morghen vroich alhier van Bommel verwachtet wordet.
Men heeft deesen dach dapper beginnen t'graven ;
wunsche , dat d'huisluiden uyt d'Betuwe en de Veluwe
al hier waren om wacker t'helpen , en hope , dat wy se
voer d'aincomste van deese tot Arnhem al sullen hier
hebben. D'vyandt schiindt verrascht t'siin , alsoo hi last
hadde gegeven, dat d'wyven en d'Hollantsche kinderen
den tweeden iey daer sollen uyttrecken , dat hun nu
verbooden is. Dair was ghisteren en deesen dach groote
alteration , soo wy verstaen uyt verscheiden persoonen ,
die noch deesen dach uyt de stadt comers; sy hebben
gheen volck binnengecreeghen noch oock gheen avantageuse plaitsen besettet. Dair siin soo in d'stadt als
scansen achthien compagnien. t'voet en vier t'paerde ,
tsamen sterck tusschen de twee en dreduesent mannen.
Van vivres siin sy genoich voer een jair versiin ; sy
hebben dairin tachtentich stucken gescuts, hebben deesen
1) Ernst Casimir van Nassau , Stadhouder van Friesland.
6
BR1EYEN OVER HET BELEG VAN
Bach viif malen doer 't logys van Siin Gen. graef Ernst
gescooten , oock soo dat een pagie van d'slach van rich
selvs viel en dat Siin Gen. Bich een weinich moste
retiriren.
Het garnisoen bestait in Waalen en Duitschen , dairvan een goet deel gemiscontenteert is.
.................
Uyt Creveceur, den eersten Mey 1629 1).
1629
23 April
3 Mei
Miin Heeren ! Sedert d'myne van gisteren is hier
niet gepasseert als dat d'vyandt buyten d'poerten seer
begint toe arbeiden en syne batteriên in de stadt oock
doet rysen ende verhooghen. D'onse siin vast doende
om hunne quartiren t'sluiten ; hope , dat sy deese verleeden nacht sullen geslooten siin en dat men van nu
of sal beginnen t'arbeiden om de quartieren aeneen
t'brenghen , 'twelck al vry wat inheeft soo ten respecte
van d'groote distantie als van het voole waters, dat dair
noch is , 'twelck doch seer begint t'vallen.
Het opgecochte riis sal dair wel t'passe comen , dairvan wy viif samoureusen vast hebben doen afcomen. De
huisluiden om t'graven worden met devotie verwachtet,
alhoewel d'soldatesque dairtussehen niet leedich staet.
Deese nacht hebben se sterck gescooten; gisteren waren
wy tot Engelen, alwair aisnoch in absentie des heer van
Hemertz capp. Tuil oover acht compagnien commandiret,
edoch alsoo de voors. plaitse mede behoert onder 't guartier van graaf Willem, heeft Siin Gen. dair mede gesach
oover. Dus 2) soo comen d'huisluiden uyt d'Betuwe ,
Tilerweerdt ende Veluwe bier. Godt d'Heere wil hunnen
1) Daar het slot en het opschrift van alle brieven gelijk zijn, laat
ik deze voortaan achterwege.
2) Op dit oogenblik,
1 S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR 1629.
7
arbeit seeghenen en oock , Miin Heeren , UEd. t'nemen
in Syne protectie.
Uyt Creveceur, den 3 Mey 1629.
IV.
1629
April 25
Mei 5
Miin Heeren! Onse soldaten en d'huisluiden siin vast
doende om d'quartieren meer en meer t'verstercken ,
selvs d'plaetsen, dair d'ruiterie achter d'quartieren legert,
met een sterck retrenchement ende dipe grachte. Syne
Excell. heeft tusschen Vucht ende Hinten noch een clein
quartier doen afsteecken7 onder beveel van d'heere van
Brederode 1). Men hoopt d'quartieren oock in een cort
aeneen toe trecken, alsmede tusschen Vucht ende Enghelen,
alhoewel met groote beswarnisse. Gisteren morghen heeft
de vyandt tusschen Vucht en Engelen door gebracht vir
oft viifhondert mannen, sommighe maecken 't getal cleiner,
andere grooter , d'eene wil segghen , dat het volck de
...... is , andere , dat het officiren met recreuten
siin , die dair buiten waren geslooten. Sy sciten nu en
dan sterck , dock met weinich scaden.
De vyandt vergadert tusschen Roirmonde ende Venloo
op Roovers 2) beide , als oock in Brabandt tot Diest
en Herentals. Daerentusschen siin wy dach en nacht
beesich om ons t'begraven. Godt d'Heere wil dit belech
seegenen.
Uyt Crevecoeur, den 5 Mey 1629.
Miin ITeeren ! Met d'eerste gelegenheit sal ick UEd.
advertiren het succes van 't gheenen , daer dus tot acht
uyren op den avont viif oft seshondert manne uyt het
leegher op uytgaen om sich to verseeckeren van een
avantageuse plaitse. Godt gene , dat het gelucke.
4) Johan Wolfert van Brederode.
2) De Reuversche heide,
8
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
V.
1629—
April 29
Mei 9 •
Miin Heeren ! Het voornemen ofte ainslach , dair ick
UEd. in myner laetste van advisirden , was , dat Syne
Excell., om den pas d'vyandt of toe nemen, daerdoer hi
het volck in d'stadt hadde gebracht , gelast heeft ain
graef Willem om door den sargiant-majeur Wijnberghen
tot Deuteren een fort t'doen legghen en in behoerlicke
defensie t'brenghen , geliick gedaen is ter goeder uyren ,
alhoewel in een seer coude en stormachtighe nacht , als
wanneer sy tot oover hunne cnyen doer 't water molten
marcheren , oock een soldaet van coude en ongemack
doot bleef. Ick hebbe geseyt ter goeder uyren , alsoo
juist op d'selve tiit tot Vlymen sevenhondert van des
vyandtz volck waren met buspulver om in de stadt
t'comen , dan vernemende , dat het gadt vernaghelt was ,
siin sy re infecta wedergekeert. Deesen morghen doet
S. G. graef Willem tot Vlymen op een hoochte noch
een fort legghen tot meerder verseeckeringhe van die
pas tot Deuteren , 'twelck men verhoopt morghen in
tamelicke defensie toe hebben.
D'huisluiden doen seer goede dienst. D'Hollantsche
bueren siin eergisteren voer een gedeelte gecomen en sal
d'reste oock morghen hier siin. Het ware to wenschen,
dat wy d'Scotten hier hadden om de sware en mennichvuldighe forten t'besetten. D'vyandt , tot noch op verscheiden quartiren vergadert, brenght nu siin gros byeen
tot Diest , soodat hi in dri daghen by ons can siin.
Syne Excell. ontbidet dairtegen den colonel Pinssen 1)
met siin volck oock hier. Smiltzinck 2) is ghisteren
ooverleeden.
Uyt Crevecoeur, den 9 Mey 1629.
4) Willem Pynssen van den Aa , gouverneur van Rees.
2) Nicolaes Smeltzing, voorzitter van den krijgsraad.
' S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR 1629.
9
VI.
1629 —
April 30
Mei 10'
Miin Heeren ! D'gecommitteerden van Hare HoghMoghenden hebben dienstich gevonden sich t'verdelen ,
eenighe tot Crevecoeur t'laten , andere om by Syne Excell. in 't quartier tot Vucht t'siin , alwairtoe ick merle
versocht bin. D'logysen , soo van Syne Excell. als het
once, siin onder 't canonscoeit van d'stadt en noch nairder
van d'scanse tot Vucht , doch sciten nu weinich. Nu en
dan compt dair een vervloogen cogel, met weinich scale;
oock draecht har gescut niet verre, soodat men presumirt,
dat sy gebreck van pulver moeten hebben en oock dat
het pulver, dat sy hebben , niet van het beste is. Oock
wordt sterck geseit, dat Grobbendonck voer weinich tiidts
tweehondert tonnen pulvers uyt den Bosch Hair Breda
heeft ghesonden. Het schiindt en bliickt oock uyt d'intercipieerde briven, dat sy gheen staet en hebben gemaeckt,
dat men deese plaitse solde beleegheren , mair wel
Wesel , Breda ofte Antwerpen.
D'vyandt vergadert siin volck noch byeen. Men wil
seggen, dat graef Henrick van den Berghe het commandement sal gedeferirt siin.
Onse leegher is noch doende om sich t'begraven ,
avanciren seer niettegenstainde d'groote circumvallatie
van viif uiren gains en het mennichvuldighe water, dair
men moet door arbeiden, dairop dat Grobbendonck schiint
d'onmogelickheit gefondirt t'hebben van d'plaitse t'connen
besluiten , 'twelek wy doch verhoopen in corten tiit toe
doen. Godt d'Heere wil het seeghenen.
Tlyt het quartier tot Il ucht, den 10 Mey 1629.
VII.
1629—Mei 8/18.
Miin Heeren ! Sedert myne laitste vinden wy gheen
veranderinghe noch van die vyandt in die stadt noch
1 0
BRIEVEN OVER HET BEL1J 31- VAN
buiten die stadt. In die stadt is alles als voorens en
worden oock tot noch toe in stilte gelaten. Nu en dan
comen sy met een chalouppe uyt om voerlueden (en) pairden t'halen , hebben oock al eenighe becomen, doch siin
eergisteren in 't quartier van d'heer van Brederoode
wacker onthaelt. Van buiten vernemen wy noch gheene
vergaderinghe als hier en dair van eenige regimen.ten ,
doch beginnen meenichte van carren en waghens toe
pressen. Tot Breda maecken sy har magasiin. Siin
Excell. heeft advys , dat graef Henrick van den Berghe
tot Bruissel is en swaricheit maickt om toe marcheren
sander dri maenden salts, die hem belooft siin, echter
noch al wat sal aenloopen , eer men dat byeencriicht.
Van Soist ende Luinen becomen wy advysen , dat
men dair noch gheen geruchten en hoert van eenich
Keysersvolck.
Dairentusschen is , Godt lof,, onse geheele leeger geslooten en aeneengehecht , selvs een parthie van 380
roiden door 't water, dair op sommighe plaitsen viif voiten
waters waren , oock eenighe van dri en twee voeten , op
welcke wech oock een wackere tuin ende borstweeringhe
is gemaickt , die tusschen beiden met sandt ende riis
wordt aingevult , soodat men tegen een musquetscoot sal
vry connen siin. Deese wech wordt nu verbreidt in 't
water d'lanckte van een roide , dair het criichsvolck sal
connen stain ende marcheren. Buiten deese wech is een
grachte van twailf voiten breedt ende vir voeten diep en
dairbuiten is het vol waters. Oock worden Baer twee
holten reduiten op gemaickt , van dewelcke men met
cleine stuxkens d'geheele wal sal connen besciten. Deselve
wordt mede vir voiten verhoocht , geliick doergaints alle
d'wercken van 't leger verhoocht worden en nair proportie
verswaart, welcke verhooginghe ende verswaringhe binnen
vir ofte viif daghen , wil 't Godt , in perfectie sal siin.
Men is oock doende om twee rivierkens, als die Dummel
ende Aa , t'stoppen soo om ons d'landen op eenighe
plaitsen 't drooghen en accessibel t'maicken en op andere
't water t'verhooghen en den vyandt aldair siin aencomste
onbruickbar t'maicken , 'twelck mede in weinich daghen
sal gedain siin, en alsdan sal men d'approches connen
1 S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR
1629.
11
by die handt nemen generalick , geliick nu alreede in
het quartier van graef Ernst (van) Nassau begost is ,
geliick oock die van den Bosch het effect van onse
canon ende vuerwercken doen gevolen, die sy nu roepen
dat in den lombardt versettet is. D'Heere Godt wil alles
verder seeghenen.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 8/18 Mey 1629.
VIII.
1629—Mei 14/24.
Miin Heeren ! Ick weet UEd. noch gheene groote
veranderinghe sedert myne laitste toe to schryven als
dat booven d'verswaringhe van d'wercken ende de verhoginghe van lien wy eergisteren buiten den Hollantschen
diick van 380 roiden noch een niw retranchement hebben
doen bestaden en dairenbuiten noch een groote en dipe
grachte , als oock op die Boschsloot die wech dri voten
doen verhooghen teghen 't water, die lanckte ongeveer
van achthondert roiden. Het wassen van 't water gheeft
ons eenighe incommoditeiten , echter sulcke , die wy met
Goodes hulpe sullen ooverwinnen.
Ghisteren is tusschen die wintmolens booven Engelen
ende die stadt een hoit vol briven gevonden en een
weinich van lair een loot en verdroncken man , onder
d'welcke beneffents voole particulire oock eene was van
d'Infante , eene van graef Henrick van den Berghe en
eene van Octavio Visconti in dato van den 17 deeses ,
t'samen holdende airs den gouverneur Grobbendonck, vast
van eenen inholdt , als dat men doende was om het
leegher t'versamelen en dat men hun seeckerlick sol
comen ontsetten ; oock dat sy het dilaieeren niet qualick
wilden duyden, alsoo dat dienden om 't ontset met meerder seeckerheit ende effect t'doen ; dat sy oock ordre
Bolden stellen om de somme van achtentwintichduisent
croonen in de stadt oover t'maicken. D'eene brief seide
mede , als dat d'marquis Spinola henwarts quam oover
Italien en in 't laitste van Junio , immers half Julio sol
bier siin.
12
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
Dair was noch eene brief by van Vereicken , die in
ciiffer was geschreeven , doch noch niet en is ontciiffert.
Wy hebben aireede duisent vimmen riffs hier en noch
viifhondert vimmen doen opcoopen ; sullen ontwyvelick
noch al meer moeten hebben boven ontallick holt , dat
wy- bier hebben doen houwen , soodat wy siin , dat wy
extraordinaris gheldt van doen hebben : d'provintien
sullen elx in 't sync in tiidts dairop moeten dencken.
* 11.yt * het 1 ******** voor
or * den Bos ********* 1'4/24 M ey. 1629 **
Soo ainstondt seit ons Syne Excell. , dat d'vyandt wel
drihondert carren met alderleihande provision tot Breda,
met een convoi heeft doen brengen om siin legher hieromtrent voor thien oft veerthien daghen dairmede toe
voeden.
Ix.
1629—Mei 20/30.
Miin Heeren ! Van d'gelegenheit van once leegher
weete ick niet meer t'schryven als voor deesen ; alleene
dat seedert die Aa ende Dommel gisteren en deesen
dach beide gestopt siin , soo om het water t'ontrecken
op eenighe plaitsen als op andere t'gheven. Die verhoginghen ende verswaringhen van die retranchementen
en andere wercken siin genoich volmaickt ; alle , immers
die meeste scanssen en reduiten siin in hare perfectie.
Eenighe , dair noch wat ain manqueert, sullen ofte connen
in twee daghen volmaickt worden. Daerentusschen soo
is men doende met d'approches ende nywe batterien
t'maicken in 't quartier van graef Ernst ende graef
Willem , alwair men voer alsnoch niet verder can comer,
doch ontwyvelick in een dach ofte twee verder sal connen , alsoo 't water nu seer beghint t'vallen. In 't quartier van Brederoode approcheert men d'Pettelair scansse.
In dit quartier van Syne Excell. heeft men d'approches
soo seere geavanceert , dat men nu sal moeten sapperen,
d'Fransoisen aireede siinde tot ain ofte verby het hoorn-
j S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR
1629.
13
werck van de groote Vuchter scansse ende d'Engelschen
op gelycke veerte Hair d'cleine scansse hinain. Wy siin
doende met een batterye toe stellen omtrent tweehondert
passen van de groote scansse en siin d'Fransoisen nu
gheen neghentich pas van d'scansse.
Voer dri daghen deeden sy een sortie met ongeveer
hondert mannen , doch deeden gheen scade ails een man
of twee , doch dach ende nacht soo sciten sy nu met
musquetten en somtiits met canon , oock met weinich
scade , soodat in alles gheen twailf soldaten gebleeven
siin.
Deese nacht is once ruyterie uytghereden , toe weten
van elcke compagnie viiftich pairden. Godt geve , dat
sy met goede effect weedercomen.
Van des vyandts optrecken hebben wy niet nairders ,
sullen buiten twyvel op een cort horen ofte siin, wairwarts hun dessein strecket.
Uyt bet leegher voer den Bosch, den 20/30 Mey 1629.
X.
1629
Mei 24
Juni 3
Miin Heeren ! Seedert myne laitste is hier niet son.derlinghs gepasseert als 'tgheene d'heere van Meiners-
wyck, voer dri daghen van hier vertreckende , UEd.
ontwyvelick sal gerapporteert hebben ; alleen dat Hair
Siin Ed. vertreck men sterck doende is om d'approches
t'bevorderen. Met het vallen van 't water soo sal men
in d'quartiren van Hinthen ende Orthen d'approches op
die stadt vervolghen. In 't quartier van d'heer Brederode
tegen den Pettelair approcheert men seer, telckens sooveel het water compt toe vallen. Alhier in 't quartier
van Syne Excel!. soo op d'groote als cleine scansse doet
men het meeste. D'Fransche hebben op d'groote seer
geavanceert 7 ligghende al aen d'syde van d'selve.
D'Engelsche , gainde Hair d'cleine scansse , hadden ghisteren nacht wat desordres , doch hebben 't deese nacht
verbeetert en gerepareert. Op beide quartiren sappirt
14
BRIEYEN OVER HET BELEG VAN
men nu , doch worden hier en dair dertich man ofte
meer bygevoicht om t'meerder toe vorderen. Uyt
d'scanssen hebben sy nu sedert twee daghen herwarts
sterck beginnen t'sciten , treffen nu en dan wel een
mensch. Onse batterye hier in 't Vuehter quartier heeft
deesen dach beginnen to speelen op d'scanssen met ses
halve canons. Verleeden als oock ghisterennacht hebben
die in d'stadt sterck uyt Karen tooren gevuirt 1); wat het
beduidt , weten wy niet.
Wy cryghen nu van alien canten advysen , als dat
d'vyandt rich beghint t'weren en dat sy niet alleen tot
Venloo, main oock tot Arssen een brugghe beginnen
t'legghen. Soo haist Syne Excell, verneempt , dat het
op die Waal ofte Issel sol moghen ghelden, sal by voeten pairdevolck derwarts seinden , doch UEd. sullen ontwyvelick hare spions uythebben en ons van alles in
tiidts advisiren.
Uyt het leegher voer den Bosch , den 3 Junii 1629.
Deese nacht hebben d'Engelschen wel geavanceert.
Das cryghen wy van Brevoort advys, als dat de jonghe
graef van Tilly met 18000 mannen marcheert. UEd. gelyve doch hunne contscappers uyt toe seinden, die trow
en cloick siin en die selvs gaen daer sy siin , en niet
van hooren segghen rapport doen , en alhier adverteren
'tgheene sy medebrenghen. Deesen 4 Junii.
XI.
1629
Mei 29
Juni 8 •
Miin Ireeren .
.....
.............
Alhier is men vast alle nacht doende in d'approches :
d'Fransche ende die van d'groote scansse siin nu in den
anderen, t'weten in des vyants contrascerpen, d'Engelschen
4) Vuurteekens gegeven.
1 S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR 1
629.
15
siin oock verre geavanceert pair d'cleine scansse en
maicken nu een nairder batterye , d'welcke veerdich
siinde , men — wil 't Godt — in veerthien daghen hier
al vry wat sal segghen.
Pus compt een tromslagher uyt graef Ernsten quartier
segghen , hoe dat Siin Gen. graef Ernst verleeden nacht
een seecker hoochte met viifhondert mannen hadde geoecupeert , die de vyandt quam om in toe nemen , doch
was gerepousseert , soodat de onse meister bleeven.
Dus om elf uiren des nachts soo wordt dapper en
continueeliek met musquetten gescooten , apparenteliek
om onse arbeiders t'beletten.
Uyt het leegher voer den Bosch , den 8 Junii 1629.
XII.
1629—Juni 1/11.
Miin Heeren ! Wy en verneemen noch niet seeckerders van des vyandts dessein als voer deesen. Het laitste
sullen UEd. uyt dit bygaende advys vernemen; dairentusschen soo verstercken wy onse leegher seer, soo met
maicken van nywe grachten als verbreiden van die olde.
Teghen d'stadt ende de scanssen soo avancirt men
seer onse approches ende sappes, dairtoe ons deese groote
droochte een merckelick avantage geeft , oock soo dat,
dair men tegenwoerdich d'approches al door gemaiekt
heeft , voer veerthien daghen , jae minder tiidt noch
twee , dri en op sommige plaitsen meer voiten waters
waren ; echter hebben hier en dair noch al eenighe
waterbeletselen.
In dit quartier van Syne Excell. siin d'Franschen, geassisteert uyt het regiment van Famai en van Dedem ,
soo seer geavanceert , dat sy den vyandt hebben doen
quiteren het contrescarp van hun hoornwerck en deese
nacht in des vyandts bedeckte wech sullen logiren, doch
weeder dri ofte vir daghen beesich moeten siin met een
niwe batterie, die men denckt t'stellen op d'poincte van
hun hoornwerck.
16
BRIEVEN OVER HET BELEG VAX
D'Engelsche , mode uyt de gardes geassisteert , avanciren seer op de cleine scansse, hebben deese verleeden
nacht hunne nywe batterie veerdich en daerop gebracht
twee halve canons , onder d'faveur van d'welcke sy
d'selve cleine scansse seer sullen nairderen.
D'heere van Brederode heeft een cleine reduite, siinde
opgeworpen by d'vyandt tusschen d'Pettelar scansse en
onse wercken , ingenomen.
Graef Ernst van Nassau , het meeste water nu quiit
siinde , avancirt seer pair d'stadt , oock soo dat men uyt
onse uyterste wercken met een steen in d'stadtsgrachte
aldair sol connen werpen , heeft oock een linie van
communicatie nu al veerdich , door d'welcke S. Gen.
graef Ernst en grave Willem den anderen connen secondiren.
D'niwe Scotten siin gisteren in 't quartier van grave
Ernst gecomen , een wackere ende goede trouppe.
Eergisteren is de heere van Vitenwal , in d'approches
sich wat blootgevende , door 't hooft gescooten , soodat
hi nu buiten verstandt ende hoope van geneesinghe is.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 1/11 Junii 1629.
XIII.
1629—Juni 3/13.
Miin Heeren ! Myne laitste is gheweest, hoe dat d'onse
logirden op de contrescerp van 't hoornwerck van d'groote
scansse en die nacht in d'bedeckte wech sollen logiren
en op de poinct voort maicken een batterie. Seedert
is men aldair, t'weten in de Fransche , seer geavancirt ,
loopen , in plaitse van het hoornwerck airs toe tasters ,
dair buiten om her. Aen d'een siidt hebben sy verleeden nacht vir roiden en airs d'andere ses roiden verder
geloopen , soodat sy op een cort tot airs d'brugghe ende
poorte van d'groote scansse sullen siin en alsoo beletten
het verversschen van 't volck , 'twelck tot noch toe alle
twailf uyren op- en afgetrocken is , en alsdan sullen sy
moeten resolviren oft d'scansse t'verlaten ofte met weinich
)
S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR
1629.
17
volcks t'versiin, alsoo sy, die met voole volcks versiinde,
afgesneden sullen weesen van d'stadt en peryckel loopen
van 't verlos van soovoole volcks , die hun in d'stadt wel
sollen t'passe comen teghens d'onse , die soo in 't guartier van graef Ernst en graef Willem als Brederode hun
oock seer nair comen, en particulierlick teghen d'Engelsche,
die soo nair nu siin by d'cleine scansse, dat sy deese
nacht meinen t'logiren airs ende in een travers by d'vyandt opgeworpen en mair siinde dri roiden van het contrescerp van d'cleine scansse; doch is dair noch tusschen
beiden wel anderhalf voit waters.
D'batterye , dair ick in myne laitste van screef, is al
gisteren veerdich geweest en sciten dairvan recht in
't hoornwerck van d'groote scansse en op de scansse
selve, soodat sy dair qualick langhe sullen connen duyren.
Men heeft alreede gesyen , dat d'officiren d'soldaten in
d'scansse met gewelt van helbarden ende geweer hebben
moeten indryven ; oock sciten sy nu dairuyt noch oock
uyt de cleyne scansse niet meer soo vool met canon als
voor deesen, wairuyt wy gelooven wair toe siin 'tgheene
den tweeden ooverlooper, die gisteren uyt d'stadt quam ,
ons Beide , als dat die dri grootste stucken gheschuts
eerst uyt d'groote scanse nair d'cleine scanse hadden
gebracht en dairnair van dair in die stadt. Mede seyt
hy, dat onse gescut als oock onse musquettiers groote
scade doers en dat hun criichsvolck seer afgemattirt
wordet door de verscheidene en yverighe approches van
d'onsen. Verclairt oock , dat sy in d'groote scansse ende
hoornwerck van lien verscheiden minen hebben , diewelcke doch gheen scade sullen doen , als wy, de verbygainde , geliick hierbooven geseit , recht nair d'poerte
ainloopen en har van d'stadt separiren , wairmede men
oock hunne afsnydingen in d'scansse sal elusoir connen
maicken.
Den gouverneur Grobbendonck , in 't begin van d'belegeringhe alle daghe dair siinde , heeft , seedert onse
approches begost siin, noit weeder dair oft een voet
buiten d'stadt gesettet.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 3/13 Junii 1629.
Bijdr. en Meded. XXXVI.
2
18
BRIEVEX OVER HET BEt1G VAN
XIV.
1629—Juni 5115.
Miin Heeren ! Alsoo men ghisterennacht ain d'travers
van de cleine scansse was gecomen , dair men achter
meinde t'vinden anderhalf voit en twee voit waters, heeft
men in plaitse van dien gevonden een grachte van achthien voten breedt en ses voeten diep, die men ghisteren
heeft moeten bestaden , en alsoo men deese nacht dair
sol arbeiden , is uyt d'scansse groot tegenweer ghedain ;
d'cappitein van de garde door siin luchter ooghe oft een
weinichsken dairboven getroffen , comende by het oor
wederom uyt , en noch ses andere loot en veerthien gequetst aewordensoodat
,
die het vallen van dien hadden
ainghenoomen , dair mosten uytscheiden ; edoch deesen
morghen en onder 't faveur van onse canon hebben sy
wacker beginnen toe arbeiden en hebben 't nu , des
morghents omtrent seven uyren , al meest gevult.
Ghisteren hebben onse granaden beginnen t'speelen
en is eene gevallen in d'groote scansse met een vreembde
operatie , want met het vallen is dair een groote damp
opgegain en sulcken gecraick gehoordt , alsoft dair hondert en meer musquetten losginghen ; men sach doren
en vensteren vlyghen ; oock hoorde men een groot gecriit , soodat men presumeert, dat sy in het magasiin
van pulver en granaden is gevallen oft in die corps de
garde, dair hunne musquetten geladen laghen 1).
Eerghisteren is graef Henrick van den Berghe uyt
Bruissel verreist ; tot Tuirnhout vergadert hi siin leegher;
tot Breda begint men t'backen , soodat wy hem nu haist
by ons sullen hebben. Dair marcheren seven regimenten
4) Het dagboek van den schepen Robbert van Voorne deelt dienaangaande mede (Vert. van oork, betr. het beleg van 's-Hertogenbosch
I, blz. 26): „Den '14 heeft den vyant eenen petard in de groote
schanse geschoten in 't huys van capitain Berwouts, waerdoor het
poeder tot ses tonnen is aengegaen met ennige granaeten, in 'tselve
}guys liggende, ende is 't huys vernielt, maer, Godt 1of1, niernandt
ghequetst".
2 S-HERTOGENBOSCII IN IIET JAAR 1629.
19
Keiserschen en waren tot Deelbrugghe 1) ende Buren in
't landt van Paterborn , die men meint , dat sych Hair
d'Rhiin op onse frontiren begheven.
Syne Excel!. schickt morghen oft oovermorghen colonel
Varick met dri compagnien pairden tot Doisborch by
provisie , met macht om eenighe compagnien t'moghen
lichten en alsoo des vyandts surprinsen voor t'comen, en
soo haist men sal hooren , dat sy op onse frontiren beghinnen ain t'comen, sal Syne Excell. eon clein leegher
van seven oft achtduysent man t'voit en tweeduisent
pairden oock derwarts seinden onder een gequalificeert
hooft.
.......
.......
...
Pus voor 't einden van deese comen d'Engelschen met
hoopen by ons, die gearbeidt hadden in 't vullen van de
scansse 2), rapportirende , dat sy d'gracht soo goet als
gevult hadden en dat d'vyanden niettegenstainde onse
canon en sciten van musquetten het riffs dair hadden
uytgehalt en d'onse den arbeidt verhindert , soodat dair
met eenich ander expedient sal moeten worden versiin.
Uyt het leegher voer den Bosch, den 5/15 Junii 1629.
XV.
1629—Juni 6/16.
Miin Heeren ! Alsoo d'vyandt tot Diest en Herentals
met siin voile macht vergadert om hier op het leegher
t'comen en wy nu tot twee reisen advys becomen , het
eene van Dorsten, dat d'Keisersche met neghen regimenten
herwarts marcheeren , het andere van Rees , dat sy wel
twintichduisent man sterck sollen siin , heeft Siin Excell.
ten hoochsten noodich geordeelt een Bros ofte clein
leegher, als in miin voorgaende verhailt, byeen t'brenghen,
fundament maickende , dat d'wartgelders byeen sollen
4) Delbrtick, Rgbzk. Minden.
2) Waarschijnlijk verschrijving voor gracht,
20
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
connen siin , om die in d'garnisonen t'legghen , dair men
het olde volck weder soil uytlichten ; dan alsoo men
bevreest , dat d'voors. lichtinghe van wairtgelders soo
haist niet sal gevordert siin als die noot wel sol comen
t'vereysschen, hebben Syne Excell. en de gecommittirden
alhier raidtsam geacht, dat men by provisie uyt Hollandt
ses compagnien burghers wilde gereet holden, uyt Uytrecht
twee ende uyt d'Veluwe twee , om deselve toe logiren
in d'naiste plaitsen , dair men garnison uyt sol comen
t'lichten teghens dat de patenten van Syne Excell. sollen
aincomen, ten ware dat men met de waartgelders gereet
ware , weshalven ick heb moeten ainnemen UEd. t'versoicken ordre t'willen stellen , dat uyt d'steeden van
Veluwen twee vaindelen burghers sich gereet hielden
om op de patente van Syne Excell. t'marchiren ter
plaitsen dair sy geassigneert worden.
Tot denselven einde gaen d'heeren van der Dussen
en tresorier Goch nair den Haghe, welcke heere tresorier
nu wel eenighe weecken dair mochte blyven. D'heeren
Ploos en Eisingha sullen gelycke debvoiren doen in hare
provintien. Ick wil verhoopen, dat UEd. in deese extraordinarisse occasie niet sullen leedich stain om twee
compagnien burgheren gereet t'holden teghen dat d'patenten van Syne Excell. sullen moghen aincomen , en
my in aller iil advertiren van d'resolutie , die deselve
hierop sullen geliven t'nemen , met ooverseindinghe van
die namen der hopluiden , die dair sullen uyttrecken ,
immers van d'steeden , dair sy uyt sullen gaen, als oock
d'gelegenheit van de compagnien waartghelders , stainde
op d'repartitie van onse provintie , soo van 't getal van
hunne soldaten en van hunne loopplaitsen , opdat Syne
Excell. , sulx wetende , dair ordre op mach stellen.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 6/16 Junii 1629.
XVI.
1629—Juni 9/19.
Miin Heeren ! Syne Excell. heeft seeckere en ver-
' S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR 1629.
21
scheiden advysen , soo uyt het rapport van een lieutenant , die den vyandt heeft siin marcheren , als oock
van elders , hoe dat graef Henrick van den Berghe eerghisteren omtrent den middach was gecomen met siin
leegher tot Oudt Turnhouldt, hebbende siin logys genomen tot Coursedonck , sullende als ghisteren logiren
tot Ravels en deesen dach , geliick den roep ginck , tot
Havel 1) ende Gilsen ; hadde by sich virenviiftich cornetten pairden , wair noch by solden comen twailf cornetten uyt Breda. Van het eigentlicke getal des voitvolcks was gheen seeckerheit: men wilde die begrooten
op viifentwintichduisent man ; echter wordt geordeelt,
dat sy niet vool meer sullen siin als viifthien- of sesthienduisent mannen. Men seit , dat sy twee halve paien
solden hebben ontfangen en als ghisteren oft van daghe
noch soovool solden ontfangen; op welcke advysen Syne
Excell, gesonden heeft tot bewaringhe van d'Hemertsche 2)
ende Bommelerweerden viifentwintich compagnien t'voet
en dri cornetten pairden , gecommandeert door graef
Willem van Nassau.
Onse approches in dit quartier, soo op d'groote als
d'cleine scanssen , siin door seecker incident in vir oft
viif daghen niet soo seer gespoidicht als sy wel vereischten , doch worden nu seer geavancirt, alsmede in 't
quartier van graef Ernst van Nassau op die stadt.
Dewyle ick deese schryve , becompt Syne Excell.
advys , als dat d'vyandt gisteren in siin quartier stil is
blyven ligghen , edoch een swair convoy binnen Breda
had doers brenghen, meinende hoochgedachte Syne Excell.
dat , als by syne provision binnen Breda sal hebben , op
ons alsdan rechtain sal comen marchiren.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 9119 Junii 1629.
1) Bedoeld wordt Bavel, gelijk ook staat in N°. 25 van het derde
stuk der Verzameling van oorkonden betr. het beleg van 's-Hertogenbosch, blz. 41.
2) Het zuidelijke deel der tegenwoordige gemeente Nederhemert.
22
BRIEVEN OVRR HET BELEG VAN
XVII.
1629—Juni 12/22.
Miin Heeren ! Van d'vyands marcheren hebben wy
noch niet naiders als dat d'roep ginck , dat sy gisteren ,
als sy noch stillaghen , ghelt solden ontfangen en deesen
Bach voorttrecken.
In onse approches beletten ons soo d'naderheit in
hunne wercken als oock op eenighe plaitsen het water
seer, dat gewassen is. Die gallerie oover d'grachte van
't hoornwerck van d'groote scansse was ghisteren veerdich ; met d'andere oover d'grachte van 't contrescerp
was men doende. D'myne , die men deesen nacht onder
d'wercken van de groote scansse Wilde doen springhen ,
is niet wel geluckt 1).
D'gallerie oover d'grachte van 't travers pair d'cleine
scansse hebben sy met hunne granaden voor een deel
gebroocken , doch wordt nu gerepareert.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 12/22 Junii 1629.
XVII.
1629—Juni 14/24.
Miin Ileeren ! Van de weinighe operatie van d'eerste
myne op het groote fort heb ik UEd. geadviseert. Sedert
heeft men die tweede myne op het cleine fort oock doen
springhen , doch niet met sulcken succes als men wel
hadde gehoopt, alsoo sy achteruyt sprongh, oock eenighe
van d'onse bescadichde , onder anderen den lieutenantcolonel Astley,, die doch buiten peryckel , Godt lof, is.
1) R. van Voorne deelt (a. w. blz. 29) dienaangaande mede : „Desen
nacht hebben onse mineurs op de groote schanse tot Vucht ontdect in
't horenwerck een mine van den vyant ende den mineur van den
vyant is in de mine dootgeschoten ende den vyant heeft eenen bombes
in 't horenwerck geworpen, waerdoor haere mine ierst ende daernae
de onse siin gesprongen , sonder dat wij daerdoor eenen mensche
hebben verloren".
'S-HERTO€+ENBOSCH IN HET JAAR
1629.
23
Ghisteren heeft men die derde myne doen springhen,
die gestelt was onder 't hoornwerck van 't groote fort,
en deede seer goede operatie , doch men bevondt , dat
sy achter die opgespronghen airde sich opnieus hadden
geretrancheert , soodat die plaitse tusschen har ende ons
bliivt ligghen. Dairentusschen soo is men doende om
har met graven , oock met nywe batteryen , die men opnieus maickt , van dar t'dryven. Dairentusschen vart
men oock voort met d'gallerye door har eontrescerp op
't groote fort, geliick oock op het cleine fort seer yverich
wordt gearbeit.
Het schiint, dat sy nu wat met meerder ordre ende yver
tegen ons arbeiden, geanimeert door har verhoopte ontset.
Dus compt een van des vyants tambouren om gevanghens tlossen ; seit , dat sy ghisteren gemonstert siin
en voorts hebben ghelt beginnen t'ontfangen , als elck
een maindt colts , en dat sy deesen dach solden marcheren. Op den avont sullen wy ontwyvelick nairder
advys hebben.
....................
Uyt het leegher voor den Bosch, den 14/24 Junii 1629.
D'vyandt is deesen dach tot Etilverbeeck onder Tilborch , omtrent vir uiren gains van onse leegher.
XVIII.
1629—Juni 16/26.
Miin Ileeren ! Des vyandts leegher, dat tot Hilverbeeck ende Goirlee eerghisteren hadde geleeghen , is
ghisteren tot op het Loon in Sandt ende Spranghen gemarcheert.
Onse approches, die een tiidt lanck vermits verscheiden
incidenten wat gehapert hebben , vorderen nu seer, soowel op d'groote als d'cleine scansse.
Men is nu doende om in 't quartier van graef Ernst
een gallerie t'doen maicken uyt gin uyterste wercken
tot in die stadtmuiren , doch alsoo sy wel drihondert
roiden lanck sal vallen , wil se noch al vry tiidt nemen.
24
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
Gisteren is in d'approche op d'cleine scansse Om Kees
dootgescooten.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 16/26 Junii 1629.
XIX.
1629
Juni 23
Juli 3 '
Miin Heeren ! Sedert dat die vyandt verby Vlymen
op Helvoort en Haren met siin leegher is gecomen, heeft
hi tot noch toe stilgeleeghen sonder die t'doen hutten ,
doch eerghisteren , alsoo viiftich waghens , met sesentwintich ruiters geconvoieert , uyt waren om riis t'halen ,
heeft hi advys gecreeghen, alsoft met een groot convoy uyt
waren ; dairop hi met het meeste deel van siin ruiterie
en een deel voitvolcks tot onder onse retrenchementen
quam ende creech drie ruiters en alle d'waghens. Graef
Henrick was dair selvs by.
Syne Excel is tot noch toe alle nachten met het
meeste van onse leegher in d'wapenen gheweest.
Onse approches waren wel vorderende soo op d'eene
als d'andere scansse , doch deese nacht hebben sy uyt
d'stadt , dair sy nu stercker als voor deesen uyt sciten ,
viif gebinten van d'gallerye , die wy haist oover die
Dommel hadden , in stucken gescooten , dair men nu
merle doende is om t'repariren.
Eergisteren werden d'grave van Hanou in siin arm
gequetst , als hi in d'gallerie was , doch is , Godt lof,
buiten peryckel.
Gisteravont is d'colonel Fama 1) dwars door siin liif
gescooten. Dus soo compt men my segghen , dat hi
t'nacht gestorven is.
Wy verstain van goede handt , dat in d'stadt ook al
verscheiden officiren dootgescooten siin.
Junii 23
Uyt het leegher voor den Bosch, den 1629.
ME 3
4) Willem de Levin , heer van Fama.
1S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR 1629.
25
XX.
1629
Juni 24
Juli 4
Miin Heeren ! Aihoewel tot noch toe niet schriifweerdich hierin is , echter om t'depescheren van vir booden
eenen , die tegenwoordich hier siin , heb ick hierby wel
willen ooverseinden deese liiste van het voitvolck van
d'vyandt, wairby hy heeft achtensestich cornetten pairden.
Van het regiment van Borneville cryghen wy vool
ooverloopers , doch willen weinich hier in dienst blyven.
Van het Duitsche regiment van Barbancon , dat uyt die
Palts compt , contender noch meer cover, die alle oft
meest dienst neemen.
Die vyandt vertoont sich nu en dan met een groot
deel van siin leegher, doch heeft in acht dagen tiidts ,
die hy hier is, noch niet getentirt. Scermutselen tusschen
d'ruiterie vallender wel, doch met weinich beidersiits scade.
Deese nacht heeft hi sich met siin geheele leegher oft
meeste van lien laten siin omtrent d'Heidescansse, d'wech
op p air d'Hollantsche diick , is oock tusschen d'ruiterie
gescarmutselt ; echter is Bonder yet t'versoicken weeder
afgetrocken.
Sun Excel is noch alle nachten met het meeste van
't legher in d'wapenen.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 4 Julii 1629.
24 Junii
XXI.
1629— Juni 24
.
Jul' 4
EXTRACT UYT 'T SCRYVENS -VAN DEN HEERE ESSEN,
UYT 'T LEGER VOOR DEN BOSCH VAN DEN 4 JULII.
Naedat de vyant acht dagen tot Helvoort ende Haren
. ongehut ende onbegraven hadde gelegen , Bonder iets to
26
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
willen attenteeren als nu ende dan gal vertoont , oock
eenige schermutzelen gehouden , soo is hy desen nacht
op versceiden oorden op onse leger gevallen : op twe
plaetsen , als 't Heidenfort ende Vlimen , sich alleene
vertoont , maer tussen het quartier van graef Ernst ende
Brederode heeft by het gemeint , ende alhoewel 't voetvolck van achteren van de ruterye tot den hals toe in
't water wierde gedwongen om een scantze , datmael by
de Scotten bewaert , te forceeren , hebben sy sich doch
re infecta moeten retireeren , achterlatende veele , die
verdroncken waeren ende dootgeslaon.
Op dit onse guarder tot Vucht , daer siin principael
dessein was , quam hy oock aen , marcheerende over een
smalen diick, daer niet meer als een of uyterlyck twe de
front kosten gaen ; doch siinde op een halve musquetschoot by onse retrenchement , weeck hy van sich selfs
af, niettegenstaende het eene van de minst gefortificeerde
plaetsen was , hebbende maer een retrenchement ende
twe buytengrachten, doch binnen stonden 14 compagnien
te voet ende 8 te peerde. Haere meyninghe , soo men
verstaet, was, als sy het retrenchement souden gepasseert
siin, door hondert soldaten met scuppen den dam van
den Pommel te doen doorsteken ende , dewyle men met
het water sal besigh siin, d'andre op die scantze de
Petteler te doen brengen , alsoo siin dessein , volgents
de geintercipieerde brieven, meer is met hoope om volck
in te brengen als om te ontsetten. Daer siin in alles
van haer vry wat dooden gebleven : sy hebben den ritmr.
Verreiken verlooren ende wy panne. In 't velt is veel
bloets gevonden 1).
1) Dit gedeelte van eenen brief van Van Essen is door mij overgenomen uit het eerste deel der ,,Gedenkschriften van Jhr. Alexander
van der Capellen (Utrecht, 1777), blz. 513. Of wij bier te doen hebben
met een schrijven aan het Hof, waarvan het origineel is verloren geraakt,
dan wel met eenen particulieren brief aan Van der Capellen, is niet
uit te maken, maar met het oog op N°. XXII is het laatste waarschijnlijk. Men zie bovendien over de gebeurtenissen voor Den Bosch
het genoemde werk op blzz. 502, 9, 16, '18 vg., 31 vgg., 40, 43 vgg.
' S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR
1629.
27
XXII.
2 169--
Juni 24
Julio'
Miin Heeren ! Nairdat d'brief, die ick deese morghen
heb gedepescheert en voollicht Hair oft met deese UEd.
sal worden geleevert , soo verstain wy van seer goede
handt , alsdat die vyandt verleeden nacht niet alleen op
eenen , mair oock op meerdere plaitsen van 't leegher
heeft geattentiret. Due de Borneville heeft met d'regimenten van Barbancon, Chimay, Mansveldt en siin eigen,
t'samen sterck omtrent virduisent mannen , by sich hebbende seven cornet pairden , willen ainvallen op een
scansse, met Scotten datmail besettet, tusschen het quartier van graef Ernst ende Brederoode ; waren oock tot
ain d'uyterste grachte en werden door d'ruiterie gedwongen voort toe gaen , doch siin soo van d'onse verwellecomt , dat dair voole verdroncken en noch meer
dootgescooten siin. Grad Henrick was met het meeste
gros veerdich om op dit quartier van Syne Excell., wairop
eigentlick har dessein was , t'comen en had d'rechte
plaitse gevonden , alsoo dair mair twee slooten ofte
grachten waren en een retranchement , weesende van
d'minste gefortificeerde van dit quartier, doch hadden
een sthallen diick tot advenue , dair mair een oft uyterlick twee in front costen marcheren , latende het huffs
Oldt Herler op d'rechter handt , met die intentie dat,
soo sy dair waren oover comen , geliick voollicht had
connen gesciden , soo sy, halfwech op den diick siinde
en gheen oft qualick een half musquetscoot van onse
retranchement , die scrick niet en hadden gecreegen en
van sich selvs waren gekeert , 'tweick Syne Excell,
wunschten dat sy niet hadden gedain , alsoo acht compagnien pairden en veerthien t'voit op haren dienst pasten.
Hare intentie was , dat sy hondert mannen met scuppen
voorts Hair den dam , dair die Pommel toegedampt is,
solden schicken om die door toe steecken en also aldair
ons t'abusiren , opdat dies t'beeter hunnen wech op
d'Pettelar solden connen winnen en alsoo doorcomen.
-28
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
Op d'andere siidt van 't quartier van Syne Excell. , op
d'scansse 't Heidenfort , had sich oock een trouppe laten
siin , als oock omtrent Vlymen , doch niet geattentirt.
Onse gescut heeft vool quaets ghedain en neffents andere
officiren , dairvan d'lichamen gevonden siin , den ridtmeister Vereicken die panne van 't hooft afgescooten.
Het getal van die dooden can men niet weeten , alleen
dat hier ende dair in 't veldt, in d'bosschen en struicken
veel bloets wordt gevonden.
Pair sun oock twee buiren gevanghen , die aingenoomen hadden hun door toe leeveren en tot dien einde
d'passen wel t'besichtighen. Men had hun twee riixdalders op d'handt gegeven en belooft tweeduisent riixdalders,
en nair rapport gaf men hun mar dri riixdalders. Oock
heeft men een geintercipieerde brief van graef Henrick ,
airs Grobbedonck geschreeven , hem advisirende de wercken ongelooflick t'vinden , soodat hem onmoghelick was
t'ontsetten , dan dat hy sol arbeiden om volck dairin
t'werpen , 'twelck Godt nimmermeer gunne.
24 Junii
Uyt het leegher voor den Bosch, den 1629.
Julii
XXIII.
1629—
Juni 28
Juli 8 •
Miin Heeren ! Des vyandts leegher heeft seedert siin
laitste ainval , dairvan ick UEd. voor deesen heb geschreeven, stil geleeghen, totdat hy eerghisteren met sesoft seventduisent mannen t'voith en veertich cornet ruyteren
optrock , d'myne maickende , oft hi op Boxtel wilde ,
doch keerde en nam d'wech op Vlymen , vertoonde sich
oock aldair, dan alsoo den Bach ainquam , is hi sonder
yet toe tentiren trugghe in siin quartier gegain.
Deese nacht hebben sy uyt d'groote scansse een fuHeuse uytval ghedain met twee trouppen, elx van viifftich
mannen, d'eene op d'rechter siidt van once wercken nair
d'heide henain , d'andere op d'lochter siidt, doch die ain
d'rechter siidt hebben niet vool ghedain , oock mair viif
S-HERTOGENBOSell IN HET IAAR
1629.
29
oft ses dooden gelaten , dan d'andere spronghen van
booven van onse gallerye , wel twailf voten hoochte , en
namen onse cleine corps de garde in en hielden die wel
een halve uyre in, totdat sy met geweldt dairuyt gejaicht
werden. , en alsoo sy gheen andere sortie en hadden als
d'voors. hoochte van de gallerie , dair sy waren afgespronghen , hebben sy elf dooden laten ligghen , twee
gequetste en twe gevanghens , onder d'welcke een vaindrich is. Onder die doode — nair dat men can ordeelen — siin twee officiren gevonden en dit behalven
die doode en gequetste van d'gheene , die dairbuiten
stonden om hun t'secondiren , soodat men meint, dat sy
in alles verlooren hebben omtrent veertich mannen , die
sy ontwyvelick missen sullen ten respecte het gebreck ,
dat sy van dien hebben.
Van d'onse siin twee 1) dootgebleeven , daironder de
vaindrich van Alart , en twintich gequetsten. Si hadden
oock onse gallerie tweemal in brandt gesteecken , loch
werden telckens gebluscht.
Uyt het leegber voor den Bosch, den
28 Junii
8 Juli 1629.
XXIV.
1629—Juli 7/17.
Miin Heeren ! Gisteren op den nairmiddach tot viif
uyren soo heeft des vyandts leegher beghinnen t'opbreecken en deesen morghen hebben sy voort alle tenten
en pavillonen beginnen op toe namen , stellende Karen
coups op Erpen en Vechelen , wairby compt , dat Mulert
ons schriivt , dat het volck uyt het Ooverquartier Bich
begost t'reppen, soodat men meint, dat sy het op d'Mase
gemunt hebben , behalven dat d'opgenomene briven , die
4) R. van Voorne (a. w. blz. 36) spreekt van 200. Daarentegen
stemt hij ten aanzien van de verliezen der belegerden met Van Essen
overeen : „Van de onse isser veertich soo doodt als gequetst."
30
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
eenen Brempt aim graef Henrick hadde geschreeven ,
melden , dat hunne scaiten ende waghens teghen den
sesten of sesthienden deeses veerdich Bolden [din. Syne
Excel heeft d'plaitsen van d'selve , als Grave , Ravestein ende Gennip , met volck en andere behoiften doen.
voorsiin , oock alreede ordre gegeven , dat die trouppen
van graef Willem , die in d'Hemertsche en Bommelerweerden hebben geleeghen , op lleedel comen om van
lair voorts nair die Betuwe t'marcheeren , by soo verre
d'vyandt het oogh op d'Waal mochte hebben , en sal
d'heere van Haultain , met siin volck uyt Flandren gecomen , d'Hemertsche weerdt weeder bewaren.
Oock is men doende om een prooper leegher toe formiren tot defensie van d'Issel en d'plaitsen dairomtrent
geleeghen teghen d'Keisersche.
Dairentusschen siin once approches soo gevordert, daft
wy tegenwoordich d'gallerien oover d'grachten van beide
d'forten hebben en van nu ain of onder d'bolwercken
van d'selve beginnen t'mineeren. Godt d'Heere wil het
vorder seeghenen en des vyandts ainslaghen stoiten ,
dairom ick Hem van herten bidde.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 7/17 Julii 1629.
XXV.
1629---Juli 8/18.
Miin Heeren ! Deesen morghen , een half uyre nair
d'sonnenopganck, heeft d'vyandt een myne onder 't groote
fort doen springhen , alsoo sy merckten , dat wy oock
doende waren om een mine t'doen maicken; wairop, alsoo
stilte volchden, heeft d'heere van Didem 1), die d'wacht
aldair deese nacht commandirden, viif soldaten nair booven
gesonden, die, alsoo sy nimantz in 't fort en saghen, hare
cameraden wenckten, die oock datelick volchden en des
vyandts volck in disordre saghen retiriren , achterlatende
1) Otto van Gent , heer van Oyen en Dieden.
' S-HERTOG1NBOSdH IN HET SAAR
1629.
31
voole corceletten , andere wapenen , provisie van bier,
oock wat wiins ende its 1).
Ick come dus selvs_ uyt d'scansse , bevondt , dat die
weeder hadden afgesneeden, soodat sy se noch wel thien
oft veerthien daghen hadden connen disputeren. Dair
waren d'verleeden nacht noch vir compagnien in geweest,
geliick my een jonck soldat seide , die noch slapende in
d'scansse werken gevonden. Het is een extraordinaris
sterck fort, oock stercker als Grolle. Onder hare myne
siin neghen oft thien van d'onse bestortet, loch main
eene dootgebleeven.
Oock heeft Syne Excell. gisteren een brief , by graef
Henrick van den Berghe ain Grobbedonck geschreeven,
geintercipieert by eenen schelm , die briven van gheene
importantie , oock by graef Henrick ain Grobbendonek
geschreeven , telckens Syne Excel ooverbrachte en ,
onder dat praetext credyt winnende, meinden in de stadt
t'comen, dan is misluckt. Hy was van den 6/16 deeses ;
schriivt, dat hi vermits onse ongelooflicke werken d'stadt
niet en coste ontsetten met het volck , dat hi by sich
hadde , dat hi dairom optrock nair Wesel om sich met
d'Keysersche t'voghen en ons forciren t'comen tot een
bataille en dat dairmede , by soo verre hi d'victorie
creech , die stadt ontsettet was , soo hi , Grobbedonck ,
die soo langh sol connen mainteniren.
Uyt het leegher voor den Bosch, den 8/18 Julii 1629.
XXVI.
1629—Juli 9/19.
Miin Heeren! Deesen morghen tot vir uyren heeft
d'vyandt in het cleine fort , nairdat sy t'vooren twee oft
1) R. van Voorne (a. w. blz. 38) geeft de volgende voorstelling :
„Ons volck heeft het voorste deel (der groote schantse) doen springen,
waernae den vyant , met mennichten opcomende , hebben met groot
verlies daerinne gebleven, ende de onse hebben hen vertrocken met
goede ordre ende alleenlyck twee mannen verloren hebbende".
BRIEVEN OVER HET EELEG VAN
dri valsche alarmen hadden gegeven , een mine doen
springhen Bonder eenige scale ; en alsoo dairop colonel
Hardwood soldaten henop sondt om t'besichtighen , was
het fort leedich , wairop voort nairdat het rontsom gevisiteert was, men dair viiftich man in heeft doin logiren,
soodat men , Godt lof, van beide d'forten , die extraordinaris sterck waren soo van het water als van wercken , nu meister is. Godt d'Heere , hoop ick, sal d'rest
oock seghenen , warom ick Hem van herten bidden.
ITyt het leegher voor den Bosch, den 9/19 Julii 1629.
Post datum. In t'schryven soo compt den ingenieur
ons segghen , dat een niew opgeworpen reduite ofte
travers tusschen het cleine fort ende d'stadt by d'vyandt
verlaten en by d'Engelsche ingenoomen is. Dit lach
oover t'water hair d'stadt ain 1).
XX VI I.
1629—Augustus 6.
Miin Heeren ! Ick hebbe verleden Saterdach Uw. Ed.
en W. overgeschreven 2) wat bier was gepasseert ende
hoe by de Fransoysen des vyants tenaille wel was ingenomen , maer dat sy 'tselve wederom hadden moeten
verlaten. Het is geweest een puyre disordre van de
volontaires , die , in de plaetse van logement te nemen ,
haer engagerende om den vyant uyt ziin werck met
eenen slach te verdryven oorsaecke hebben gegeven, dat
de plaetse niet heeft connen behouden worden 3). Zedert
is men doende geweest met de sappe ende om wederom
1) Omstreeks dezen tijd heeft Van Essen het leger verlaten om zijnen
post te 's-Gravenhage weder in te nemen. Eenigen tijd lang werd het
Geldersche Hof niet op de hoogte gehouden van de voorvallen om
's-Hertogenbosch: eerst in de eerste helft van Augustus zette A. de
Bye deze taak voort.
2) Dezen brief heb ik niet kunnen vinden.
3) Zie het uitvoerige verhaal van R. van Voorne (a. w. blz. 44).
S-11ERTO(IENBOi1CH IN HET JAAR
1629.
38
een nyeuwe mine onder den vyant te brengen, beneffens
dat men buyten de biesbruggen noch een houte brugge
over de grachte van 't ours. tenaille heeft geslagen, ende
gisteren avont waeren de onse gaen logeren in den wal
van den vyant , dan verleden nacht is by denselven met
booren onse nyeuwe mine geattrapeert , waermede de
mineurs terugge siin gekeert , tegenwoordich staende de
compagnie van de wacht in bataille , verwachtende , dat
den vyant sich sal blootgeven ende yet by de handt nemen.
Op de andere plaetsen , daer geapprocheert wordt ,
verneempt men tegenwoordich ende verwacht men dagelicks overmits 't vallende water betere commoditeyt one,
vort te gaen ende volgens de verclaringe van den ingenieur van der Voort 1) sal nu de galerye tegens het
hoornwerck voor de Hintemer poorte haer perfectie
moeten hebben , waerdoor geschapen , dat die van 't garnisoen, van de stadt gedistraheert op verscheyde plaetsen,
in hare defensie tegens de onse sullen verslappen.
De Fransoysen verlangen seer, dat sy de faute , die
haere natie in den lesten aenval heeft gehadt , mogen
repareren , uyt vreese dat de Engelsche, die haer beurte
van wercken morgen sal siin, haer nyet beschamen
mogen ; waermede eyndigende bidde den Almogende ,
Miin Heeren, Uw. Ed. ende W. te nemen in Zyne
protectie.
Uw Ed. ende W. dienstwillige
A. DE BYE.
In 't leger voor den Bosch, 6 August 1629, 's morgens
to viiff uyren.
XXVIII.
1629—Augustus 22.
Miin Ileeren !. Den schouwdach van de dycken van
Boemeireweert heeft gecauseert , dat ick eenige dagen
van hier hebbe moeten absent siin. Daerentusschen be-
1) Matthijs van Voort.
Bijdr. en Meded. XXXVI.
3
34
13RIEVEN OVER HET BELEG VAN
vinde ick , dat dese belegeringe seer is gevordert ende
dat alsnu tusschen de stadt ende onse wercken niet meer
in de wege is als de grachte, wordende de halve mane,
die voor de Vuchter poorte is gelegen , voorbygelopen
ende alles geprepareert omme de galerye te beginnen ,
alhoewel men daermede noch niet vort en gaet, overmits
den capitaine de Campagne , die uyt de stadt is overgecomen , neffens meer anderen oordelen , dat men ,
deflecterende van de bolwercken , wat meer nederwaerts
langs de grachte nae den Petelaer behoort te gaen omme
de galerye tegens sekere plaetse genaemt de Bleycken ,
alwaer de stadt 't swackste is , te leggen ende so met
eenen de Petelaers schanse van de stadt aff te snyden.
Op gisteren siin twee soldaten van de compagnie van
d'heer Grobbendonck met verscheyde bryeven , so van
hem als de clergie, aen d'Infante geattrappeert, houdende
in substantie . 'tselve , dat den capitaine de Campagne
bide geopenbaert , te wesen dat daerbinnen was manquement van verscheyde behouften, die men nootsakelick
moste hebben; dat , byaldien de stadt datelick niet en
worde gesecoureert , dat sy alle mosten vergaen , dat
geduyrende den tiit van ses off meer weecken , zedert
dat sy van den toorn teyckenen hebben gegeven , geene
bryeven of bootschappen daerbinnen waeren gecomen ,
zulcks dat zy t'eenemael waeren ignorant van 'tgeene
tot haere ontsettinge mochte worden gepooght ofte voorgenomen , behalven dat .sy nu ende dan uyt den mondt
van de gevangens quamen te verstaen. De capitaine de
Campagne vought onder andere in specie daerby, dat
Baer gans geene provisie van plancken is nochte eenigh
middel tot opmaeckinge van batterye ende 'tgeene dagelicks meer mach occurreren , ende dat de stadt van
binnen niet is afgesneden nochte eenige onbekende wercken alwaer gemackt , daermede de onsen , in den walle
gecomen siinde , souden mogen worden opgehouden ; besluytende , dat men in seer corten tiit ende eer als men
gist , daervan wester sal connen wesen.
Ick hebbe my geinformeert van de galerye van 't
hoornwerck voor de Hintemer poorte ende come te verstaen , dat onaengesien de meynichvuldige verclaringe
' S-HERTOG-ENBOSCH IN HET JAAR
1629.
35
ende toesegginge van de ingenieurs ter contrarie daer
noch aen gebreecken vyer gebinten.
In 't leger voor den Bossche, 22 Aug. 1629.
XXIX.
1629—September 3.
Miin Heeren ! Uw. Ed. en W. recommanderen my by
haere missive van den 22 Aug. , ouden stiils , te willen
besorgen , dat in cas van overgaen van dese stadt van
wegen de provincie van Gelderlant in geen accoort en
werde bewillight dan daerinne het exercitie van de waere
Qereformeerde religie alleen wordt getolereert, met interdictie van alle andere , geliick zulcks breeder in deselve
missive wordt uytgevuert. Die van 't Synode van Zuythollant hebben eenige dagen geleden tot gelycken eynde
by de gecommitteerde alhier alsmede by Siin Exc. geinsisteert ende connen Uw. Ed. en W. wel vertrouwen,
dat ick my in desen conform derselver intentie geerne sal
gedragen.
Een partye van de ruyterye met eenige musquetiers
siin van desen morgen wederom ingecomen , hebbende
tot Eyndthoven verdreven eenige keurlingen ende andere
van des vyants soldaten , die het platte lant daerontrent
met opbot van provisie van vivres als antlers begonden
te belasten ende vermoedentlick yetwes tot vordeel van
dese stadt souden hebben getenteert. Ontrent tweehondert
daervan worden hier gevangen gebracht ende sestich, die
op het casteel waeren gebleven, siin met haer wapen en
bagagie daeruyt getrocken.
De mineurs siin desen nacht overgegaen ende hebben
haer werck in des stadts wal aengevangen , alhoewel
twee daervan siin geschoten ende dat sy van achteren
van de halve mane voor de Yachter poorte worden gesien ; alwaer over de grachte de biesbrugge is geleyt
ende de mine oock begonnen omme de avantage van 't
schieten den vyant met de veroveringe van de halve
mane te benemen.
36
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN
Voor de Hintemer poorte is de biesbrugge oock over
de grachte van de halve mane gebracht ende een
sapperinge gemackt , die over deselve halve mane
commandeert.
In 't leger voor den Bossche , 3 Septembris 1629.
XXX.
1629—September 10.
Miin Heeren ! Verleden nacht ontrent elff uyren heeft
den major Wits 1) door ordre van Siin Exc. met een
capiteyn van den vyant , die in de halve mane voor de
Vuchter poorte de wacht hadde , gesproocken , ondersoeckende , hoe de gemoederen aen die zyde mochten
siin gestelt , met verhael, dat de soldatesca van de stadt
rich geduyrende dese belegeringe ten vollen van haer
devoir hadde gequeten ende dat 't aenstaende perykel
haer behoorde te doen dencken op goede condition,
waertoe Siin Exc. als een debonnaire prince ende courageus veldtheer t'eenernael was genegen , dan in de
plaetse van daerop een gevoughlick antwoort te verlenen
heeft des vyants capiteyn siin criischvolck , onaengesien
den gemackten treves , datelick belast te schieten ende
de conferentie afgebroocken. Siin Exc. heeft daerop de
mine , die onder de halve mane gereet was gemackt ,
doen spelen ende de soldaten , daer een partye gecommandeert volck onder was , met vyerroers versien , den
wal van de halve mane doen opclimmen , die den vyant
hebben gevonden in een goede contenantie omme de
plaetse te disputeren , doch also de onse te hardt aendrongen 7 is vooreerst het punckt ende daernae oock de
traverse binnen de halve mane by haer verlaten ende
met eenen doen springen twee miners, waerdoor de onse
meer voordeels als schade is aengedaen , ende also den
--1) Jacob Wytz , sergeant-majoor-generaal en :na den dood van
Nicolaes Smeltsing ep 8 Mei '1629 voorzitter van den Krijgsraad.
' S-HERTOGENBOSCH IN HET JAAR
1629.
37
vyant veroorsaeckt de halve mane de onsen gans te laten
ende sich op de vlucht te begeven.
Na de veroveringe is datelick ordre gegeven twee
cortegardes , yder tot tweehondert man , in de halve
mane te maecken , waertoe de traverse , die den vyant
daerinne hadde , geslicht is.
De galerye is tegenwoordich becleet met hondert min
een gebinten ende can van dage volmackt siin. De
tweede galerye heeft 33 gebinten , ende is de mine , die
op 't eynde van dese galerye door (des) stadts muyr was
aengevangen te maecken , by den vyant ontdeckt, ziinde
niet te min wat ter syde wederom een gat door de
muyre gemackt om een andere mine binnen lancks deselve muyre te beginnen ende met den slach omverre te
doen vallen , nu den vyant allesins belet , dat men die
diep onder den wal niet en can brengen ; off indien
zulcks misluckt , sal den wech tot de stadt met 't canon
moeten worden geopent.
Die troupes van den oversten Ferens siin in 't quartier
van Siin Gen. graeff Ernst aengecomen tot merckelick
sublevement van de compagnien , die van outs daer siin
geweest ende nu door sieckten seer siin geswackt.
In 't leger voor den Bossche , 10 Septembris 1629.
XXXI.
1629—September 11.
Miin lleeren ! Van de morgen , naedat de mine te
nacht in den wal van de stadt heeft gesprongen ende
een aensienlicke bresse gemackt , is den vyant gecomen
om zyne doden, die met de mine waeren onder de aerde
geraeckt, te soucken ende also ter spraecke met de onse
te comen , verclarende , indien van deser syde sekerheyt
sonde worden gegeven voor de geestelickheyt ende de
burgerye van de stadt , dat van haere syde twee capiteynen souden worden uytgesonden , waertegens men
wederom van buyten twee capiteynen sonde kunnen
senders omme de condition van de stadt over te geven
te beraemen. Zulcks by Sun Exc. gerapporteert siinde ,
38
BRIEVEN OVER HET BELEG VAN ENZ.
heeft men haer versekert , dat (men) met de geestelickheyt ende de burgerye van de stadt in de redelickheyt
soude handelen ; waerop by haer twee capiteynen din
gedeputeert ende monsr. Buchin neffens een ander Frans
capiteyn by Siin Exc. haer toegesonden.
Voor den Bossche, 11 Septembris 1629.
XXXII.
1629—September 5 1).
Edele , erentveste , Wyse , voorsienige ende discrete ,
besondere goede vrunde ! Also d'almachtige Godt belieft
heeft te segenen die belegeronge ende veroveringe van
's Hartogenbosch ende nu by den yrsten intret hoognodich
will wesen, dat by provisie eenige ordre gestellet werde op
de bedienonge van de kercke ende wat lien angaet, ende
dat eenige gedeputeerden van 't Synodo van Gelderlandt
ende van Hollandt, als wesende naestgelegene provincien,
voornemens gin sich aldaer te laeten vinden , opdat mit
meerder stichtonge gelettet moge werden op die bedienonge
van Godts woordt tot bevorderonge van de Gemeente, so
ist , dat wy goetgevonden hebben die gedeputeerden van
't Synodo van Gelderlant , toonderen deses , aen U. E.
t'addresseren om ten fine voors. nae gelegentheyt aldaer
geemployeertt te werden. U. E. hiermede , Edele etc. ,
in Godes bewaronge bevelende.
Geschreven t'Arnhem, den 5 ten Septembris 1629.
U. E. dienstwillige
CANTZLER etc.
Aen de Gecoininittierde van Gelderlandt , teg enwoordich in 't leg er voor den Bosch siinde.
(Brieven uit en aan het Hof,
Rijksarchief in Gelderland.)
1) Volgens den ouden stijl, 15 volgens den nieuwen.
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS ,
MEDEGEDEELD DOOR
K. VOS.
De Doopsgezinde oudste Leenaert Bouwens , die in
1551 door Menno gewijd werd en in 1582 stierf, heeft
in zijn diensttijd groote zwerftochten gemaakt om het
evangelie te verkondigen en doop en avondmaal te bedienen. Van zijn doopsbedieningen heeft hij een lijst
aangelegd , waarin hij plaats en aantal doopelingen opteekende. Deze lijst is oudtijds herhaaldelijk gecopieerd.
Blaupot ten Cate heeft indertijd een afschrift verkregen
van de copie, die in 1629 behoorde aan Jacob Arents te
Appingadam , en heeft dit afschrift ten grondslag gelegd
aan zijn berekeningen over de verspreiding der Doopsgezinden in ons land tijdens de 16 de eeuw 1 ). Dit afschrift,
vervaardigd door J. D. Hesselink, is door mij zorgvuldig
vergeleken met een copie, in 1714 op het eiland Ameland
vervaardigd 2). Deze laatste is veel nauwkeuriger en
uitvoeriger, zoodat ongetwijfeld de Amelandsche copie de
voorkeur verdient. Zoo geeft 't afschrift-Hesselink herhaaldelijk een verkorting. Ale bijvoorbeeld de copieAmeland geeft : Bolsward 4 , Bolsward 8 , geeft 't af-
1) Gesch. d. Doopsg. in Friesland (1839) blz. 87.
2) Het afschrift-Hesselink en de copie-Ameland berusten beide in
het archief der Doopsgezinde gemeente te Amsterdam (Inventaris
Archief, deel II, 2 de stuk , n°. 9 en n°. 9a). Een copie door Lubbert
J. lireemer uit 1754 kon ik niet terugvinden.
40
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
schrift : Bolsward 12. Ook zijn of en toe namen overgeslagen. Daarbij geeft de copie voortdurend optellingen
onder aan de bladzijden met een plaatsregister met voor
iedere plaats bet geheele getal doopelingen. Deze beide
tellingen per bladzijde en per plaats kloppen precies op
elkaar. Derhalve wordt Tiler de copie-Ameland afgedrukt.
Daarbij worden enkele verschillende lezingen uit 't afschrift-Liesselink, als die mij voorkomen de juiste te zijn,
opgegeven.
Beide lijsten hebben een verdeeling : 1551, 1557, 1563,
1568. Daar echter in 't eerste gedeelte Wismar voorkomt , waar Leenaert in 1554 heeft vertoefd , hebben
wij dus een opgave over vijf tijdvakken. Hiervan zijn
de cijfers tot aan 1568 de belangrijkste , omdat dit
doopelingen betreft tijdens de vervolging gewonnen en
omdat kan worden aangenomen , dat de daarin voorkomende cijfers voor plaatsen uit Friesland, Groningen
en Oostfriesland weinig minder dan het totaal aantal
doopelingen in die gewesten zullen zijn. Want terwijl
in Holland en Belgiê voornamelijk andere oudsten hebben
gearbeid , schijnen deze drie provincies vrijwel uitsluitend
door Leenaert te zijn bewerkt. Vandaar dat de getallen
in 't Noorden die voor de overige streken verre overtreffen.
De cijfers na 1568 zijn in mindere mate belangrijk ,
omdat zij niet alleen een tijdruimte van 14 jaren omvatten , waarin de broederschap zich zeer sterk heeft
uitgebreid , maar ook alleen betrekking hebben op de
gemeenten , die zich bij de Vriesche, fractie hadden aangesloten. In de gemeenten, die tot de Vlaamsche partij
behoorden, die Leenaert gebannen had, heeft hij natuurlijk
niet weer den doop bediend. Daarbij beschikten de
Vriezen in dit tijdvak over minstens zes andere bekwame
oudsten , die vermoedelijk allen 66k hun doopelingen
zullen hebben gehad.
Het hierachter gedrukte document is daarom zoo hoogst
belangrijk , omdat er van geen enkelen anderen prediker
nit den hervormingstijd eenige aanteekening omtrent het
resultaat van zijn werkzaamheid in ons vaderland bekend
geworden is. Ook de mededeelingen van gevangen
DE DOOPLUST VAN LEENAERT BOUWENS. 41
Doopsgezinden omtrent hun doopers geven betrekkelijk
weinig licht. Wel blijkt uit die bekentenissen , dat verschillende andere predikers hebben gedoopt , maar dit
betreft slechts een klein aantal personen, voornamelijk in
Holland en Belgie. Daartegenover geeft Leenaerts dooplijst ons de gelegenheid om den groei der Doopersche
beweging in tal van plaatsen na te gaan.
Aan de hand van zijn reeks namen en cijfers is van
een groot aantal Doopsgezinde gemeenten de aanvangsgeschiedenis op te maken door bijeenvoeging der bezoeken, die aan bepaalde plaatsen zijn gebracht. Er kan
warden aangenomen, dat op plaatsen , waar Leenaert
herhaaldelijk kwam, een geestverwante kring of gemeente
is geweest. Ook geven deze cijfers , vooral voor het
Noorden van ons land , materiaal ter beoordeeling van
de beteekenis en de kracht der geloofsvervolging.
Wie de plaatsen op een kaart nagaat komt daarbij
tot een verrassende opmerking. Zij zijn in Friesland en
Groningen, vrijwel alien , in een bepaald gedeelte, nl.
aan den zeekant , te vinden. Het doet vermoeden , dat
Leenaert met een schip rondreisde.
Leenaert werd in 1515 te Sommelsdijk geboren.
VOOrdat hij zich bij de Doopersche beweging aansloot is
hij „rethorijcker" geweest. Hij is beschuldigd te hebben
meegedaan aan de Munstersche troebelen. Is dit zoo ,
dan heeft hij in zijn jeugd de beste verontschuldiging.
Maar er zijn verschillende Leenaerts geweest, zoodat
hierbij te denken valt aan naamsverwarring. Reeds voor
zijn wijding heeft hij een rol gespeeld, want hij nam
deel aan 't Lubecker convent in 1546. Vermoedelijk in
Mei 1551 werd hij gewijd. Hij werd „bisschop" te
Emden, maar had zijn woonplaats in 't naburige 't Falder.
De tijcistippen 1557, 1563 en 1568 wijzen op onderbreking van zijn dienstwerk. Het eerste valt samen met
de twisten over den ban (1555-57). In 1556 werd de
twist te Emden zees fel , zoodat wij moeten denken aan
1) Het volgende vindt men uitvoeriger in mijn Menno Simons
(Brill, Leiden 1914 blz, 128 en vlg-.
42
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
een oponthoud in 1556. Het tweede tijdschip 1563 beteekent : de wederopneming van zijn dienst. Vermoedelijk
had 11 reeds in 1561 met zijn doopen opgehouden ,
omdat hij omstreeks dit jaar door sommigen bij de gemeente aangeklaagd was , alhoewel niet geschorst. In
1565 werd hij echter door Dirk Philips wegens het feit,
dat hij voor zijn geestelijke diensten vijftig daalders had
aangenOmen en omdat hij van een goed glas wijn hield ,
uit zijn ambt genet.
De vijf tijdvakken loopen dus van Mei 1551-1554,
1554-1556, 1557-1561, 1563-1565, 1568-1582.
Zen vriend Jan Jacobs , oudste der Vriezen, dichtte
op hem :
. . .. d'uytvaart klachtig,
Als men schreven , twee en tachtig ,
Doen hij smertig , had goedhertig , een en dertig
Jaar dat God verlient , client
Duysent partig , ende die getient ,
Mede wartig, met Christo verient.
D. i. : Hij is in 1582 begraven , na een diensttijd van
31 jaar, waarin hij tienduizend met Christus door den
doop had vereenigd.
De Amelandsche copie werd in 1855 door Dr. K. S.
Gorter ontdekt. Een gemeentelid had het boekje met
andere boeken op een boelgoed gekocht. Het boekje
bevat 72 bladzijden, 14 1/2 bij 9 112 cM., waarvan 5 blank
zijn. Blz. 1 bevat : „Wouter Jacobs hoort dit boeck toe
geschreven den 19 Augustus." Met potlood staat erbij :
1714. Blz. 3 geeft een paar versjes met denzelfden
naam en datum. Blz. 5 en vlg. : „Een geestelijck liet
gemaakt door Cornelis Hiddes aen Foppe Ones." Blz.
14 bevat den titel van de copie , blz. 15-58 de dooplijst, blz. 59 de optelling der bladzijden , blz. 60-65
het plaatsregister met optelling , blz. 67-72 een copie
der oudsten van 1535 tot 1702. Uit deze opgave van
oudsten , waarbij telkens vermeld staan , welke bij een
scheuring afvielen , blijkt , dat de copie afkomstig is uit
de zeer strenge Vriesche fractie der zgn. Jan Jacobsgezinden.
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS. 43
Zooals uit de aanteekeningen zal blijken , heeft het
afschrift-Hesselink somtijds een betere lezing voor een
plaatsnaam 1), loch vaak ook een minder goede lezing,
bijv. voor Kimswert geeft het geregeld : bemsaet. Daarbij
komt , dat dit afschrift eindigt : „In alles volgens mijn
optelling van Leenaert Bouwens gedoopt somma 10982",
maar Hesselink telde er slechts 10206 en schrijft : „Er
schijnt dus in het boekje , waaruit ik dit afgeschreven
heb een abuis te bestaan , gelijk ook folij 20 § 23 bij
optelling niet conform zijn met het facit, 't geen er onder
staat". Toch is de mogelijkheid niet uitgesloten , dat de
copie-Ameland in de 4de periode de cijfers telkens een
plaatsnaam te hoog heeft staan en dat dus aan de gecombineerde cijfers in Hesselinks afschrift een copie,
die voor deze periode nauwkeuriger was, ten grondslag
ligt. Daarom heb ik in de alfabetische naamlijst tusschen
[ de cyfers genet, die de afwijking in 't afschrift-Hesselink veroorzaakt heeft.
De Amelandsche copie geeft op blz. 59 de telling van
haar bladzijden : „somma van persoonen 10251 die Leenert
Bouwes heeft bedient". Volgens mijn telling zijn het
10252. Hesselink telde in zijn afschrift 10206. De copie
door hem gecopieerd spreekt echter van 10982. Dit is
z6Oveel meer, dat aan vertelling haast niet te denken
valt. Eer ben ik geneigd aan te nemen dat de oorspronkelijke dooplijst nog een of twee bladzijden meer
heeft bevat.
Verdeeld over de vijf tijdvakken zijn de totaalcijfers :
869
1551-1554
693
1554-1556
808 2)
1557-1561
4499
1563-1565
3509.
1568-1582
Menno Simons stierf in 1561. Derhalve heeft Leenaert
4) In het terechtbrengen van namen hielpen mij Mr. J. L. Berns
te Leeuwarden en Ds. C. Leendertz te Middelstum.
2) Zie de aanteekening op blz. 50. Trekken wij voor Gent of 126,
dan wordt dit 682.
44
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
Bouwens tot aan den flood van Menno ongeveer 2244
door den loop bij de gemeente gevoegd. Verminderen
wij het totaalcifier met 126 voor Gent , dan wordt het
totaal: 10125. Hiervan zijn in den tijd der vervolging
gedoopt : 6614. Daar is in ons land geen enkel Calvinist
of Luthersch of Doopersch prediker geweest , die zoo
rijke vrucht mocht plukken van zijn arbeid. Een oogst
om van jaloersch te zijn.
K. V.
COPIA. VAN ALLE DOOPELINGEN DIE BIJ ONSE OUDE
LEERAER LEENERT BOUWES : DOOR DEN DOOP DER
GEMEENTE SIJN TOE GE EIJGENT BE GONNEN INT JAAR
CHRIJSTIJ 1551 IN DE MA.INT MEIJ 1557, 1563 EN
1568-1714. COPIA LEENNERT BOUWES DOOPSBEDIJENUNGH GESCHREVEN DEN 17 APRIL : ANNO 1714.
voor Eemden bedyent
tot Weerdum
In de Rijp
op folderen
In de ese
toe nes
op folderen
op folderen
tot Tier 1)
ter sijve 2)
op folderen
tot groeningen
tot grijpskerck
tot northorm
tot grijpskerck
op lutkegast
-I- beteekent nieuwe bladzijde.
■■.
1) Leer.
2) Eijwe (0.-fr.).
3) Bij Leeuwarden,
2 tot dockum
3 Dockum
op nilant 3)
1
2 tot Santweer
1 ten dam
tot ,Inselens
1
2 ten dam
op folderen
1
3 In de ese
te hinte
2
2 j- op folderen
tot Harlingen
3
2 tot doen gium
tot fraenker
2
tot schaert
1
tot bolswaart
1
3
4
1
1
3
1
1
2
1
1
2
1
3
4
1
1
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS. tot bolswaart
bij Santwert
bij santwert
In der Its
by ferwert 1)
tot Worckum
Worckum
Worckum
tot Molkwarrum
tot Molkwarrum
Stavoren
Stavoren
Stavoren
Molkwarrum
to Elahuijsen
te Elahuijsen
tot balck
Slooten
t Slooten
slooten
slooten
te Elahuijsen
tot leeuwaarden
tot steens
leeuwaarden [4] 2)
leeuwaarden
tot Dockum
Dockum
Dockum
Dockum
Dockum [1]
tot Grijps kerck
te bonstersiji
te bonstersijl
voor Eemden
1
tot Wester eijnde
3
op folderen.
2
tot grotenhuisen
5
tot groeningen
4
tot groeningen
2 tot goens
10 tot Norden
1 voor eemden
7 j- op folderen [2]
8 ten dam
6 In den dam
8
tot eiselens
1
tot eisenga
7 tot groeningen
4 Dockum [9]
4 Dockum
5 Dockum
3 Dockum
1 Dockum
2
op driesijl 3)
1
te leeuwaarden
4 leeuwaarden
4 leeuwaarden
1
tot Wierdum
1
te Rauwert
1
te Harlingen
1
tot tziom
4 tot Harlingen
1 Harlingen
3 Harlingen
2 bij Harlingen
1
In grote broek
3
In boecke spel
5
In boecke spel
1 t in boecke spel
4) Hesselink: Santfeert.
2) Cijfers tusschen [ bij Hesselink.
3) Hesselink : Niezijl (Gron.).
45
3
2
2
6
1
2
2
1
3
3
1
1
2
1
2
6
2
1
2
5
2
1
3
9
4
4
10
1
5
5
2
6
3
1
1
46
t
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
tot Hoorn
te Harlingen
toe balck
toe balck *)
tot Ipcolsga
toe Elahuijsen
tot slooten
Slooten
toe balck
te stavoren
te mokweru Ill
bij santfoort
bij santfoort
bij santfoort
te Worcum
te Worcum
tot elmoren 1)
toe bolswaart
bolswaart
tot sneeck
sneeck
bolswaart
te Tier
tot eemden
eemden
ten dam
ten dam
ten dam
tot santweer
tot eesingh
bij bonstersiji
bij bonstersiji
Dockum
buijten Docken
2 bij Collum
6
te groeningen
19
tot eemden
5 toe hamswerrum
10
tot eemden
4 tot eemden
4
ten dam
1
In boecker spel
3 In Groote broeck
2
tot Hoorn
7
Delfhaven
2
Harlingen
1
ten dam
1
tot eemden
6 eemden
1 eemden
7
In den dam
2
bij grijpskerck
In den dam
1
5 In den dam
1
te Hatshausen
tot goens
1
In de Rijp
1
2 voo(r) Eemden
1 j op folderen
5 toe eemden
5 op folderen
1
toe bamen 2)
1
Leeuwaarden
Harlingen
2
fraenquer
5
1
Harlingen
6 Harlingen
2 Harlingen
4
3
2
2
3
4
5
1
5
3
1
1
1
7
1
3
1
2
1
1
1
2
1
2
3
1
5
1
3
5
8
8
5
4
Een sterretje beteekent, dat plaats en cijfer bij Hesselink ontbreekt.
1) Exmorra.
2) Hesselink : Leeuwarden.
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS. tot kimsert
tot santfoort
In de Lamer 1)
Op de Jouwer
tot slooten
tot molkweerrum
tot Hinlopen
tot ferwolde
tot ferwolde
tot sylense
bolswaart
bolswaart
In der Its
tot Smeek
bij leeuwaarden
Dockum
Dockum
Dockum
t tot Aurick
tot eemden
ter sieve 2)
ten dam
tot santweer
tot Hamsweerum
In de eis
tot Hats Hausen
3) tot eemden
tot eemden
tot eemden
op folderen
tot eemden
ter sive
ter sive
ten dam
1
steenwijck
2
In Groote broeck
6 toe Veen Huijsen *)
4 toe eijnckhuisen
toe Harlingen
2
7 toe Harlingen *)
1
tot sneeck
3
Sneeck
2
Harlingen
1
toe suwoude
2 t te fisfliet
te groeningen *)
1
2 ten dam
2 ten dam *)
Hats Hausen
1
7 Aurijck
5 toe eemden
1 toe hams weerum
In de eis
3
3
op folderen
voor eemden
2
9 In den dam
bolswaart
1
2 bolswaart
1
santfoort
toe Hoorn
1
4 Hoorn
bij eijnckhuijsen
3
bij eijnekhuijsen*)
6
3 bij Amsterdam
2 Stavoren
1
Stavoren
1
Molkwerrum
1 Worcum
47
5
7
5
14
13
9
7
3
1
5
7
4
3
3
1
2
1
3
6
1
1
2
4
8
2
9
1
5
3
6
2
1
3
3
4) Hesselink: Lemmer.
2) Eijwe.
3) Hiertusschen bij Hesselink : op 't Falder 6, ter siwe 4 , harthuisen 4.
48
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOLTWENS,
Harlingen [4]
Harlingen [3]
fraenquer
Harlingen *)
op folderen *)
op folderen *)
ter sijve *)
toe Hats Hausen *)
fraenquer
Harlingen
Harlingen *)
leeuwaerden
leeuwaerden
ten dam
ten dam
bij bonstersijl
Dockum
Dockum *)
Dockum
Dockum
Nes op Amelandt
tot Hollum
bij Wirdum
In der Est
In Ipcolsga
Ipcolsga
Slooten
op de Jouwer
te groeningen
groeningen
ten dam
ten dam
t op folderen
te Hatshausen
Aurijch
t
1
2
3
4
5
1
1
1
1
5
3
3
7
1
2
4
1
1
11
7
3
8
2
5
9
1
2
5
1
3
2
7
4
1
1
4
Op folderen 1
tot Wismer 1)
7
op folderen
1
toe eemden
1
ten dam
4
ten dam 3
op nilant
1
toe santweer 12
te groeningen
2)
5
te fisfliet
3
Groeningen
toe santweer
een
Ian
1
neken 3)
In den dam
7
2
op folderen
9
op folderen
6
op folderen
1
te Hatshausen
2
te tier
1
f ter sijve
1
ter sijve 1
op folderen
4
toe eemden
4
ten dam
4
ten dam
2
te Antwerpen
4
tot doornick
3
Doornick
4
Doornicc
26
tot menen
12
tot Iperen
1
Iperen 7
toe gent
9
gent
8
gent
1) Hier was Leenaert Bouwens in 1554.
2) Hesselink : Esinghe.
3) Hesselink : Te Larnaniken te Zandeweer.
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
49
8 Harlingen 3)
3
gent
3
5
Int
Haarlemer
Hait
gent
9
Haarlem
*)
13
toe Cortrijck
2
1
Haarlemer
Cortrijck
flak *)
6
9 t Haarlem gent
10
Harlingen
17
bij Antwerpen
4
15 Harlingen
bij Antwerpen
9
4 Harlingen
Antwerpen
10
8 fraenquer
Antwerpen
5
4 bij doen ium
Antwerpen
6
te
fraenquer
5
Mechelen
7
Harlingen
2
bruisel
4
Harlingen
21
t bruisel
3
12 in Den Darn
Antwerpen
1
Harlingen
buijten Antwerpen [11] 22
7
3 bolswaart
Antwerpen
13
10 Sneeck
Rotterdam
7
bij der Its Rotterdam
5
7
4 In t broeck
Wtregt
4
9 Ipcolsga
Wtregt
1
slooten
1
Wtregt
7
Slooten
5
voor eemden
2
4 In de Rijp
Norden
17
4 Dockum
op folderen
11
3 Dockum te goens
7
1 Dockum
goens
3
1 Dockum
In de Rijp
6 Hollum op Amelandt 9
op folderen
7
4 Hollum by framsum 1)
5
7 Hollum *)
te dam
4
5 Hollum groeningen
17
fraenquer
8
Hoorn 2)
6
3 t fraenquer Hoorn 2)
6
fraenquer 4)
2
Harlingen 3)
1)
2)
3)
4)
Hesselink : Farmsum.
Id.: te samen 10.
Id. : Haarlem.
Bij Hesselink zijn de plaatsen omgewisseld.
5o
BE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
leeuwaarden 1)
leeuwaarden
leeuwaarden
leeuwaarden
leeuwaarden
Winsum
Winsum
op t nijlant
ten darn
In den dam
voor eemden
op folder
op folder
12
1
11
3
7
6
1
4
4
1
1
15
17
Noch opt Jaar 1557 2).
binnen eemden noch [3] 6
5
In den dam [6]
6
tot Groeningen [5]
tot northorm [6]
3
2
Harlingen [3]
11
Harlingen [2]
4
Harlingen 3)
2
Harlingen [15]
3)
Harlingen 4)
5
10
is Antwerpen
8
Antwerpen
14
Antwerpen 4
Antwerpen 4
Antwerpen
12
Antwerpen 4
Antwerpen
3
Antwerpen
11
Antwerpen
6
Hartogen-bos
2
llartogen-bos
2
Hartogen-bos *)
25
ilartogen-bos
4
Antwerpen
[24]
14
Antwerpen
11
Gent
14
Gent
2
Gent
6
Gent
8
Gent
3
Gent
[4]
140 5)
Gent
11
Gent
20
Doornick
43
Nijpkercke
3
te menen
18
menen
11
t Cortrijck
1
gent
11
Middelborgh
2
middelborgh
2
Zierksee
6
Dordregt
1
Rotter Dam
14
Rotter Dam
7
In den Haage
2
Wtregt
4
Wtregt
1) Bij Hesselink zijn de plaatsen omgewisseld.
2) Hesselink : Int jaar 56.
3) Id.: Haarlem.
4) Id. : Harlingen ontbreekt en de verdere rij cijfers staat telkens
een regel lager, dus Antwerpen 5 enz.
5) Aan dit te hooge cijfer is in de copie geknoeid. Misschien stond
er 14. Hesselinks origineel heeft blijkbaar 1 gelezen.
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS. 51
6
7 Dockum
Amsterdam
5
Harlingen
In de molkwerrum
1)
14
In de molkwerrum noch 9 Harlingen
7
18 Harlingen
te Harlingen
6
Harlingen
1
fraenquer
3
16
fraenquer
fraenquer
2
fraenquer
5
Dockum
15
2
fraenquer
op folderen
[26]
12
4 Harlingen
op folderen
2
7
Harlingen
te nes
8
6 t kimswert
op folderen [7]
5
7 Witmaarsum
op folderen [6]
6
4
Idsgahuijsen
te Hamswecrum
3
1
boolswaart
toe Wal
6
boolswaart
4
op folder nogh
1
1
ferwolde
te her
1
2 Worcum
te Hats Hausen
4
2 te Heesekum 2)
t op folderen
3
6
groenterp
te farmsum
7
4
In
de
Molkwerrum
te helum
5
7 In de Molkwerrum
bij loppersum
9
2
stavoren
buijten groeningen
6
slooten
6 *)
tot Groeningen
7
3
Ipcolsga
bij eesing *)
2
In der Ilst
1
bij eesing
2
9
In der Ilst
bij bonstersij1
3
2
Sneek 3)
bij Grypskerck
1
op folder
3 Int Jaar 1563 den 1 dag 4).
te Ii
5
Te Oldeboorn
1
op folder
5
4
oldeboorn
tot Hats Huijsen
8
4 op de Jouwer Dockum
9
2 In de kaamer 5)
Dockum
1)
2)
3)
4)
5)
Het cijfer ontbreekt.
Hieslum , bij Hesselink : Heselum.
Bij Hesselink tweemaal : Sneek.
Id.: 1556 den 1 Jan.
Id.: Lemmer.
52
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOTTWENS.
In de kaamer 1)
In de kaamer 1)
In de olde merck
tot giethoorn
op folderen
In den darn
In den dam
1- op folderen
to Hatshausen
op folderen
op folderen
op folderen
Harlingen
Harlingen []
Harlingen
Harlingen
Harlingen *)
Harlingen *)
fraenquer
Harlingen
opt bil
fraenquer
fraenquer
Harlingen
Harlingen
Harlingen
Harlingen
Amsterdam
Amsterdam 2)
Antwerpen 2)
Antwerpen
Antwerpen
Antwerpen
buijten Hartogen bos
Hartogen bos
Hartogen bos
I) Hesselink: Lemmer.
2) Hesselink : Amsterdam 36.
2 Hartogen bos
1 f gorcum
7 gorcum
5 Dort
8 Dort
3 Dort
8 Dort
2 In den Haag [2]
1
In den Haag [9]
7 Rotterdam
2 Rotterdam
4 Rotterdam
2 Rotterdam
3 Wtregt
12 Amerswoort
16 Haarlem
10 Haarlem
4 Amsterdam
10 Waaterganck [24]
3 Hoorn
3 Hoorn
5 Hoorn
2 Aurijek
3 Wierdum
2 Aurij ck
op folder
3
op folder
11
20 Dockum
3 Dockum
33 t fraenquer
fraenquer
29
bij fraenquer
12
Harlingen
1
6 Harlingen
10 Harlingen
4 Harlingen
1
17
2
8
8
2
1
9
2
7
12
1
1
13
10
24
3
11
14
9
16
6
1
9
3
4
2
17
2
3
14
2
9
7
11
4
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
Harlingen
Wierdum [11]
op der luine 1)
toe Norden
Norden
op folder
op folder
buiten eemden
op folder
groeningen
bij oldeboorn
bij Accrum
In broeck
toe olde slooten 2)
toe olde slooten
bij olde lemmer
In de kamer 3)
toe Sneek
In der Ilst
In de molkwerrum
In de molkwerrum
In de molkwerrum
t stavoren
stavoren
Ipcolsga
te balck
Slooten
slooten
bolswaart
Worcum
bij Santfoorde
te Santfoorde
borsum
te Hatshuijsen
op folder
Hesselink : Op 't land.
2) Oudeschoot.
3) Lemmer.
9
op folder
op folder
12
op folder
2
te tier
2
4
op folder
1
op t bil
toe Wirdum
11
1
leeuwaarden
leeuwaarden [14]
4
opt bil
2
14
fraenequer
op flielandt
5
5 Harlingen
13 Harlingen
Fraenequer
1
6 Fraenequer
5 Fraenequer
7 Harlingen
buiten harlingen
6
kimswert
1
10 Witmaarsum
te Idsgahuisen
4
7 buiten Worcum
8 tot Worcum
In der Its
4
9 Sneeck
In de broeck
11
4 A urich
op foldere
9
op folderen
7
5 toe Norden
3 toe Wouchert
toe Her
1
op folder
1
op folder
4
53
3
6
5
1
3
14
9
12
3
2
13
11
23
4
3
9
3
10
12
1
3
3
6
2
3
8
6
4
6
2
1
2
4
7
54
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
op folder
ten dam
groeningen
Dockum
leeuwaarden
Harlingen
Harlingen
In de molkwerrum
Amsterdam
Amsterdam
Amsterdam
Amsterdam
1- lansmer
Munneken Dam
toe mede lie
Hoorn
Hoorn
Hoorn
Groote broek
Alckmaer
Harlingen 1)
Catwijck op see
In den Hage
Delfshaven
Rotterdam
Rotterdam
Rotterdam
Dort
Dort
Dort
Dort
Antwerpen
Antwerpen
Hartogen-bos
gorckum
gorckum
1) Hesselink : Haarlem.
2) Hesselink : Hyum.
3 Wtregt
1 Amerswoort
7 Amsterdam
9
Harlingen
9
fraenquer
11 t Dockum
5 Dockum
5 ten dam
op folder
2
3 op folder 3
is [3]
21
2 Hoorn
3 Amsterdam
9 Amsterdam [11]
6 Amsterdam
25 Haarlem
18 Durgerdam
14 Harlingen
4
fraenequer
24
fraenequer 15
fraenequer 18 te Huisum
2)
18 Wirdum
15 Grou
16 Oldeboon 14
op folderen
buiten den dam [12]
1
Harlingen
1
3 Collum 7 Wirdum
4 leeuwaarden
1 Dockum bij fisfliet 3
op foller [2]
5
11
te tier
op folderen *)
3
8 toe Wierdum
10
1
6
15
6
10
9
1
6
21
3
3
8
5
11
7
10
9
4
7
9
37
2
6
11
4
3
6
4
15
6
1
1
1
5
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOtTWENS. 55
ter horne
30
t leeuwaarden
4
In
der
Es
12
Harlingen
16
fraenquer
Dort
23
5
1
buijten fraenquer
Rotterdam
12
1
Wirdum [4]
Delfshaven 8 Deifs
9
op foller 1 op folder 17 is 18
haven 1 is
3
toe Tier
3
tot Delft
toe goens
leiden
5
12
In wijbelsboer
Haarlem
2
6
te marienhoove
Amsterdam
7
10
op foller 3 liens
2
is
1)
5
Amsterdam
2
1
op follere 1)
Amsterdam
7
fraenquer
17
op 't bil
5
Harlingen 2 Harlingen
leeuwaarden
2
27 is
29
flielant 12 flielandt 3 is 15
Harlingen 11 Harlingen
flielant
1
2 is
Harlingen
12
13
buiten Harlingen
Witmaarsum
4
2
Harlingen
Idsbenhuisen
1
4
fraenquer
bolswaart
3
8
opt bil
bolswaart
12
8
buiten Leeuwaarden
Worcum 6
10
Wirdum 2)
santfoort
4
12
leeuwaarden. 2)
santfoort
3
1
by eemden
Molkwerrum
6
2
molkwerrum
voor eemden
2
3
Danswijek 3) 3
stavoren 4 stavoren 13 is 17
3
op
Woestevelt
Ipeolsga
2
2
te op harich 10 i. Marienhoof
te Nord en
3
2
te op harich
14
voor eemden
t slooten
2
5
te Tier
1
In de lemmer
op foller
6
te Catlijck 20
by pinsum 4)
1
11
In de broeck
1)
2)
3)
4)
Hesselink : Op 't falder 3 , Tier 2 , dito 2 , op 't falder 6.
Id. : omgewisseld.
Dantzig.
Peusum.
56
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
5
30
Meemlick 1)
bernhorn 2)
Alckmar
20
Alckmar
5 Harlingen 11 Harlingen
3
5 is 3)
2 Catwijck
Delft
26 Schiedam 6 Schiedam
17
3 is [6] te Scharloo 4)
18 Rotterdam 10 Rotter
8
dam 7 is [11]
2 gorcum
2 Hoorn
Tier
3 Meemlijck
op foller 2 op foller 3 is 5
Harlingen
Wirdum
1
op folder 1 op folder 10
7
bellecum
is [2]
fraenquer
12
Tier
Harlingen
22
op folder *)
kimsert
3
Aurick
boolswaart 3 boolswaart
Norden
6
3 is Wijbelsbuijer
Sneeck 5
op folder [5]
Santfoort
1 t te holwierden
1• In de Molkwerrum
8 op t sant .
Muien
2
bij slogtersijl
Sardam
4 groeningen
Munneken Dam
6 ten dam
Hoorn 15 Hoorn
10
is
25
te helem 5)
In hoog kespel
16
op folder [5]
Enchuijsen
6 te goens
op foller
Harlingen
Harlingen 2 Harlingen
18 is [19]
Harlingen
Kimsert *)
Harlingen *)
fraenequer 22 fraenequer 4 is
fraenequer [107]
leeuwaarden 15 leeu-
waarden 3 is
wirdum
Norden
bij Pin sum
1)
2)
3)
4)
5)
Medemblik,
Hesselink : Barsignerhorn.
Hesselink : Haarlem.
Charlois.
Hellum,
5
32
28
17
16
5
5
9
2
17
11
5
6
5
11
3
1
1
2
1
4
10
17
10
5
7
12
2
2
Da DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS, op folder *)
3
by Colmer nilant
8
by Anjum
15
Dockum
25
te Holwert
20
Wirdum
12
fraeneker 3 fraenker 1 is 4
leeuwaarden *)
1
leeuwaarden
5
belcum
15
Harlingen 2 Harlingen
12 is
14
Harlingen 2 Harlingen
45 is
47
fraeneker 35 fraeneker
4 is
39
fraeneker
10
Harlingen 15 Harlingen
9 is
24
kimsert
9
harlingen
3
tier
2
Norden
1
Marienhoof
2
op foller
6
In de Hamrick
1
goens
2
t Aurick
1
tier
2
In de Rijp
1
op foller
2
Gorcum 11 Gorcum 7 is 18
te bueren
8
lijcke woude 11
In de Nipoort
10
In de Nipoort
2
1) Hesselink Leksmond,
2) Hesselink : omgewisseld.
57
5
Dort
17
Rotterdam
Rotterdam 17
Delfshaven *)
17
Schiedam
5
Delft
22
5
In den Haagh
4
Catwijck
15
leaden
Amsterdam 1 Amster
dam 18 is
19
Amsterdam 13 Amster
14
dam
1 is
9
texel
flielandt 13 flielandt 5 is 18
12
schellingh
Aurijck
6
Harlingen
20
kimsert 2) 9
Harlingen 2)
28
bij belcum
16
toe fraenequer [49]
48
leeuwaarden
38
Wirdum
26
Antwerpen
34
Wtregt
5
9
Amsterdam
fraeneker
6
15
toe Aenjum
7
bij Collum 20
bij Holwert
11
Dockum
bij Wijbelsboer
3
7
op foller
3
voor eemden
3
goens
58
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
Tier
leeuwaarden
5
holwert
op folder
2
36 Aenium
Sardam
lansmar
18 by Collum
48 Dockum
Rarip 1)
Rarip
34 leeuwaarden
Munnekendam
op foller
21
Munnekendam
29 by de Rijp
Edam
13 Aurich
Meedenblick
30 In Wijbelsboer
ter beets
Norden
19
Hoorn 17 Hoorn 26 is 43 toe peusum Hoorn
5 op folder
In hoog kerspel
voor eemden
19
Enckhuisen
kimsert
8
meedenblick
harlingen 64 harlingen
11
2 is
meedenblick
11
frantier 19 frantier 20
Wieringen
25
is 2)
t toe Colhorn
6
26 tzium
Colhorn
bij Alckmaer 27 Alck-
t te menaldum
maer 33 is
60 tiumarrum
Haarlum
7 bij belcum
Amsterdam
25 In Warrega
muien
op nilant by leeu16
waarden
Edam
2
Harlingen
Harlingen 36 Harlingen
58 Esingabueren
22 is
Kimswerth
29 bij Collum
fraeneker 2 fraeneker
bij Westergeest
45 is
47 Dockum
fraeneker
bij berdaert
6
15 Harlingen
bij belcum
28 Hoorn
buiten leeuwaarden
te leeuwaarden
32 leeuwaarden
Wirdum
28 Pinium
.1) Hesselink : Weesp,
2) Franeker.
8
27
8
6
9
1
4
1
1
3
1
2
2
5
11
66
39
4
7
5
14
21
12
26
7
5
5
10
10
2
20
26
14
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
Dockum
1
1568 den 10 April weer
begonnen 1)
Pingium
1
Wirdum
33
belcum
12
te niehove op de Wtterdijck 2)
5
buijten Westergeest
6
te Aengium
6
Holwert
20
kimsert
6
fraenker 24 fraenker 7 is 31
santweer
2
groeningen 3)
2
bij den nienoort
1
t Menaldum
14
Der schelling 8 der
schelling 3 is
11
Secxbierum
5
te Weijns op de Wal 4) 21
tot Ilaard 5)
21
leeuwaarden
9
Ballum op Amelant
8
Holwert
16
bij Eje op Dongerdeel 9
bij Collum
22
bij Nijhoove 6)--
3
Dockum
17
fraeneker 1 fraeneker
21 is
Harlingen
kimsert
op der beets
hacxwij ck 7)
Edam
op Wieringen
muien
Weesp
bij bunschooten
Munneken dam
schellingh 9 schelling
1 is
Harlingen 5 Harlingen
9 is
dronrijp op t bil
Harlingen groeningen 8)
Norden
eemden
t Santweer
Collum
bij Westergeest
Dockum
te engwierum
Holwert berdaert
leeuwaarden
59
22
24
8
10
8
6
10
5
7
13
4
10
14
9
8
2
5
2
2
1
16
4
6
11
9
9
9
1) Hesselink : Geene tot den 10 dag April '1568 toen zeiden wy
weder: Ia.
2) Id.: in homsterland.
3) Id.: Jemmingen.
4) Id.: Eewal.
5) Id.: Hylaard.
6) Id.: Groningerland.
7) Axwijk.
8) Hesselink : Jemmingen.
60
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
op t nilant
eemden 4 eemden 2 is 6
21
4
18
Wirdum
Northorm
2
op t fliet 1 )
3
bij belcum
5
tot Harlingen [10 of 11] 10
6) Collum
5
Dockum
leeuwaarden
6
op der schelling
bij Eesmasij 1 in Donger9
3
by Alteneij 2)
7
deel *)
4
op t st b (texel) 3)
Holwert
4
4
fraenequer
Hallum
20
2
Harlingen
Menaldum
8
11
fraenquer
op 't bil bij belcum
7
23
Aengium
Harlingen
4
Wirdum
12
Niehoove 4)
9
4
op t nijlant
bij Collum
6
9
bij Holwert
kimsert
7
8
to belcum
buii ten leeuwaarden
2
13
Wirdum
Harlingen [14]
9
3
leeuwaarden
buij ten northorm
6
Harlingen
1
Harlingen [9 of 10]
9
tzium
5
bij pingium
5
5
baringhorm
Dockum
8
2
fraeneker
Purrnerendt 8
bij Collum
2
6 Munnikendam
4
t op de zijldijck bij t sant 2 Harlingen [5]
6
op de uijterdijck by
bij berdaert 1
Harlingen *) niehoove
4
4
groeningen
bij niehove 7)
1
3
oldersum
2 f Ee In Dongerdeel
Wirdum 2 Wirdum
1
is
3
lloogkerck Int froubes
4
bat 5)
2 bij Holwert
1)
2)
3)
4)
5)
6)
7)
Bij Leeuwarden , zie blz. 62.
Hesselink : Altvarum ? zie blz. 64.
Id.: Texel.
Id.: in homsterland.
Id. : in vroukes lant.
Id.: hiervoor Bij Esummersijl 8.
Id. : in homsterland.
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS. 61
bij Juswier 1)
3
5 t Aenjum
Harlingen 1 Harlingen
12
Dockum
7 is
8
fraenequer
12
buijten fraenquer
2 Harlingen
7
Wierdum
5
buijten Collum
4
In Warrega
5
3 bij Northorm
op Nilant 2)
12
op der schellingh
13
Haalum 3)
5
3
op schellingh 8)
Menaldum
5
Midlands op der schelNorthorm
5
9
lingh 8)
buijten Collum
1
8
op t bij l bij stame 9)
buijten Dockum
2 bij belcum
2
Harlingen
1
Menaldum [7]
3
Hollum op Amelant
1
2 Harlingen
ballum 2 ballum 1 is 3 Wirdum
10
fraeneker 13 fraeneker
6
op t bil
2 is [5]
15
kijnsert 3 kinsert 2 is 5
Harlingen
7
ballum 6 hollum 5 is 11
leeuwaarden
1 Northorm
7
Wirdum
5
Collum
14
buyten 4) Leeuwaarden 4 Ee in Dongerdeel
5
op der schellingh
10 Dockum
7
bij Hallum
7 Holwert
8
Menaldum
3
schelling 5 1°) schel
by belcum 5)
ling 8 11) is
3
13
tot Cuelen 6)
Harlingen
2
12
tot Nuis 7)
2 Bocxum
2
1) Hesselink : Jouwswier.
2) Id.: voor leeuwarden.
3) Id.: Hollum , lees Hallum.
4) Id.: binnen.
5) Id.: ballum.
6) Collum?
7) In Groningen?
8) Hesselink: omgewisseld.
9) Id.: bij stame ontbreekt.
10) Id. : op 't Westeynd.
41) Id.: staat voor Boexum.
62
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
leeuwaarden *)
op t bil
Menaldum
t Cuelen 1)
fraenequer 18 franequer 1 is
fraenequer
Hoorn
Harlingen
Aenium
Ee
Collum
Dockum
Holwert
schellingh 9 schellingh
9 is
Harlingen
Hollum op Amelant
Wirdum
opt nilant
leeuwaarden [9]
opt filet 2)
Hallum
bocxum
Harlingen
Pingium
fraenequer
Menaldum
op t bil
op flielant
Aengium 3)
buijten Post
Dockum
Haalum
4) Collum?
2) Hesselink : bij leeuwarden.
3) Id.: in Dongerdeel.
4) Id. : ballum.
3
7 t bocxum
5 leeuwaarden 5 leeu
7
waarden 2 is
5
23
3 Collum
14
Aengium
19
19 Dockum 16
1 llolwert
14
8 Halum
25
8 Harlinghen
10
op der schelling
5
20
fraenequer
5
6
Harlingen
16
4
18 ballum op Amelandt
9
6 Menaldum
20
belcum 11
op 't bil
18
8
te huins
15
27
7 Wirdum
28 bocxum 2 halum 2 4)
Collum 2 nilant 9
6
leuwaarden 34 is te
7
leeuwaarden bedient 49
10
22
5 Dockum
33
6 Collum 12
18 Aenium
15
ferwert
6
39
13 Halum
11
leeuwaarden
13
13
fraenequer 3
10
bij bebelcum
5
4
5 Menaldum 17
leeuwaarden
14
32
Harlingen
9
19
12 j- Der schelling
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS, Harlingen
fraenequer
op t bil
te belcum
Collum
Eesingbuieren
Aenium *)
Dockum
Holwert
Halum
op t nylant
Wirdum
In is quattelt 1)
leeuwaarden 24 leenwaarden 4 is
te Hallum 14 noch 8
is 2)
kimsert
op der schelling
op flielant
Harlingen
fraenequer
fraenequer
bij belcum
optbil
te hallum
ferwert
Dockum
te teert bij Aenium
Ee
op t nijlant 3)
14 bocxum
34 Wirdum
42 j- leeuwaarden
optbil
36
33 fraenequer
te belcum 4)
28
5 leeuwaarden
op t Nijlant
33
45 bocxum
op t bil
31
Harlingen
17
fraenequer
56
schelling West Einde
18
vermerum 5)
ballum op Amelant
28
Collum
Aengium
22
Dockum
16
Holwert
11
Hallum 10 Hallum 42
4
is
31
Kimsert
35
op Nilant
11
bocxum
33
Wirdum
38
37
50
23
24
11
11
leeuwaarden
Menaldum
belcum
bil
fraenequer
4) Hesselink : Warga.
2) Id. : Hollum op t Ameland '14, Boxum 8.
3) Id.: voor leeuwarden.
4) Id.: belcum en menaldum.
5) Ligt op Terschelling.
63
11
25
22
22
19
28
19
13
17
10
36
31
10
18
28
15
20
10
32
52
13
10
13
18
24
17
23
15
33
64
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
BIJL A.GE
a) . m
Pas ,ti Pc$
— '
In
.0 in 0 'I:"
I a)F-4
gli ri pl, -14
09
.
, In
Z) in
1
in
a) in
1 ,...4
c i. 4 c..1
i)
r--i
Akkrum
Alkmaar
Alteney 1 )
Ameland
Amersfoort
Amsterdam
Anjum
Antwerpen
Appingedam
Aurich
Axwijk
Balk
Bamen
Bansterziji
Barsingerhorn
Beets
Berlikum
Bildt ('t)
Birdaard
Bolsward
Borsum
Bovenkarspel
Boxum
Broek
Brussel
Buitenpost
Bunschoten
Buren
Charlois
-
7::$
fr.
n. h.
fr.
fr.
11 25
u.
n. li. 6
fr.
b.
87
gr.
58 35
o. fr. 6
n. h.
fr.
32
og.rf.r.2) 18
n. h.
n. h.
fr.
fr.
fr.
fr.
21 7
o. fr.
n. h. 6
fr.
fr.
7
b.
23
fr.
u.
geld.
z. h.
a) •
,ti
—1
o w
4
a) 1
*
gl, C•
in
I.)
-cs
=
in
a) • cp
•
rcon
rt:/ N
o CD 0 cc
1 I ' (39 I
ca., CO
co
p., 00
9, 1.)
co
a) in
in
7:1 ,,
,..-
,t1
c4
co
73 I
3 1
—1- --I
0 in
-i... in
14..
5
120
5
120
3
3
63
99
11
11
168
7 [4]
181 [1 78]
38 74
112
88 [93] 117
292 [297]
5 [6]
31
129 [130]
17
23
8
8
41
9
1
9 [1]
27 [19]
37
32 5
19 10
29
67 188
255
36 161
197
10 15
25
31
9
68
1
1
6
52
52
22
29
23
14
14
13
13
8
8
2
2
'I) Altvarum (Hesselink), waarschijnlijk : Almenum bij Harlingen.
2) Onzeker; missellien Baamsum aan de Dollard, in Groningen.
65
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
(1) • 0 .
Ft:f ■izti rt$ CD
. In 0 In
r. I I::1
CD
0 I
I:14 1....4 $:14 ■14
kn In
$3 krD eu it-D
co 1-.1 MI r-I
1-4
N
Dantzig
Delfshaven
Delft
Dokkum
Dongjum
Doornik
Dordrecht
Dronrijp
Durgerdam
Edam
Ee
Elahuizen
Elmoren 1)
Emden
Engwierum
Enkhuizen
Enselens
Ese (Eire) 2)
Eywe
Ezinge
Ezumaburen
Ezumaziji
Farnsum
Ferwert
Ferwolde
Folderen
Franeker
Gent
Giethoorn
Goens
12)
•
rti •....4
0 CD
r1
CD
• -
I
wi
t"
in
a)
kn
7:1
r.4
CfD
rt:I
CD 1- 4 C\
0 CD 0 00
"i-i I' i=,
(1)
(1)
CA
73
I
C(3
a+ Ct'3 fa4 G°
0
CO CC
cu in co it'D
di r-4 "t1 r.-I
1.0
'II
I
e--4
in
1-4
3
3
pr.
43
z. h. 1
42
30
z. h.
30
fr.
72 38
17 [26] 118 191 436 [445]
fr.
8
3 5
31 [22]
b.
11
20 [11]
z. h.
50 [46]
44
6 [2]
fr.
9
9
11
11
n. h.
21
n. h.
15 6
fr.
33
33
16
fr.
16
fr.
7
7
o. fr. 51 10
91 [88]
6 [3]
16 8
fr.
11
11
14
36
n. h. 22
o. fr. 2
2
9
o. fr. 9
o. fr. 7
2
9
20 [25]
gr.
4 12
4 [9]
35
fr.
7 28
7
7
fr.
10 [6]
gr.
4
6 [2]
65
65
fr.
6 [11]
fr.
5
1 [6]
320 [321]
27 [28] 184
o. fr. 42 67
37 [30] 381 360 839 [832]
fr.
16 45
242 [255] 3)
b.
46 196 [209] 3)
5
5
o.
20
4
o. fr. 4
12
1) Exmorra?
2) Waarschijnlijk: Esens.
3) Waarvan 140 twijfelachtig, misschien 14.
Bijdr. en Meded. XXXVI.
5
66
DE DOOPLLTST VAN LEENAERT BOUWENS.
CD 4, 0 .
rti •z11 r.cs CO
.2 k 0 in
CB
I I,..) 1
$:14,--4 44,14
I in
In <L) in
Z
u2 ,....,
r-cs .,...,
1-4
Gorkum
Grijpskerk
Groenterp
Groningen
Grootebroek
Grootenhuizen
Grouw
Haag (den)
Haarlem
Hallum
Hamrik
Hamswerum
Harich
Harlingen
Hartshuizen
Hallum
Hertogenbosch
Hesekum 1)
Hindeloopen
Hinte
Holwerd
Holwierde
Hoogkarspel
Hoogkerk
Hoorn
Huins
Huizum
Hylaard
Idsegahuizen
Hist
Upecolsga
IJperen
CS-)
1) Misschien Hieslum?
C\1
z. h.
6
gr.
fr.
22 8
gr.
n. h. 18
o. fr. 2
fr.
z. h.
n. h. 5 20
fr.
o. fr.
0. fr. 7
fr.
80 40
fr.
1
0. fr. 5
gr.
n. br.
fr.
1
fr.
o. fr. 1
fr.
gr.
n. h.
<1.) •
.-cj *-4
4) ,8 CD „
r-cs
ra, k.N4
°1
2 CZ)
in
COCD
a) kn cu 10
7::s i-vc, r..1
cv in
7::$
c
la
'41
59
2 [9]
3 [4]
14
7 [14]
14 8
24
37
31
79
226
1
1
CT.
D
I
-4g r-i
-A1 in
in
,--i
59
8 [15]
3 [4]
66
42
2
37
38 [45]
104
226
1
11 [14]
13
13
88 [90] 648 324 1180 [1182]
2
14 [10]
6 [2]
16 [18]
12
4 [6]
4 [7]
35 [21]
32
4 [1]
gr.
n. h. 15 11
fr.
fr.
fr.
fr.
12 7
fr.
fr.
20 4
b.
13
1
. cu C . ---°I . ,.
'ka)c.rD it oo
1:11"'
6 [5]
4 [9]
7 [6]
67 167
10
35
2
186 8
8
7
21
4
21
6
67 [53]
4 [1]
1
1
234
10
35
2
220
8
7
21
10 [9]
44 [49]
37 [36]
13
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
rzi
-iv
a)
.
ci) .
r,s co
0 ).0 us
i I . i9.‘ I
(
a
i
i ,--1 44 .14
10 /0
in a) in
-cam
1 1
1" 1
.....)
ul
.. 'CI
,—+
... o. fr.
Ile
9
fr.
Joure
fr.
Jouwswier
fr.
Katlijk
z. h.
Katwijk
Keulen 1)
1
fr.
Kimswerd
n. h.
Kolhorn
4
fr.
Kollum
Kollumer Nieuwland fr.
14
b.
Kortrijk
n. h.
Landsmeer
2
o. fr. 4
Leer
26
34
fr.
Leeuwarden
z. h.
Leiden
z. h.
Leksmond
6
fr.
Lemmer
0. fr.
Liens 2)
gr.
Loppersum
o. fr. 3)
Luine
1
gr.
Lutkegast
o. fr.
Marienhove
5
b.
Mechelen
n. h.
Medemblik
26
b.
Meenen
fr.
Menaldum
z.
Middelburg
n. h.
Middelie
39
fr.
Molkwerum
n. h.
Monnikendam
4) Misschien Kollum?
2) Waarschijnlijk : Leer.
3) Onzeker.
ci
x
..4 1 -4 1
Cl'" :1
■•• el:$ ..
-te In
4, k8 4
4 ,4
0 a:,0 a:, 0
'°I
CD
1=4 L'".
10
a) in
MI r 4
co
.. 3 [1]
(1,)
1 1 °C)
C0 CO
a) In a) in
e' 4
rCi 1 1
CD
lat
11 [18]
1 [4]
7 [4]
21 [46]
13 [12]
21 [19]
ai
1I
-4. ,.1
0 In
in
T-1
3 [1]
17
5
5
20
20
27
27
5
5
65 57 131 [125]
32
32
226
21 201
8
8
25 [32]
27
27
29 [32]
22
505
198 247
27
27
11
11
28
22
2
2
7 [4]
2
2
1
11
11
5
63
63
47 [72]
88
7 81
13 [12]
25
25
96 [94]
36
68
62 6
8
8 [2]
67
68
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
MI4.) "
• a)
a)
•
'ti r..1
p CO
CI)
VI
Po
1/3
"4
I
4)
C:14 L'.
in
4) In (1) in
'12 ',NI 1:1 r..I
'',) in
1:$ .r.4
R ,...4
LCD
r-4
cq
Muiden
n. h.
Nes
o. fr. 1
Niehove
gr.
Nienoord
gr.
Nieuwland
fr.
gr.
Nieuwland
1
Nieuwpoort
z. h.
gr.
Niezijl
5
Nijpkerke
b.
Noordhorn
gr.
2
Norden
o. fr. 2
gr.
Nuis
Oldeboorn
fr.
Oldelemmer
fr.
Oldemarkt
o.
Oldersum
o. fr.
Oudeschoot
fr.
Peusum
0. fr.
Pingjum
fr. ; I
Purmerend
n. h.
Rarop
n. h.
Rauwerd
fr.
4
Rijp
o. fr. 2
Rotterdam
z. h.
Santfoord [firden] fr.
17
Schiedam
z. h.
Schraard
fr.
1
Sexbierum
fr.
Silense 2)
fr.
1
Slochterzijl
gr.
Sloten
fr.
16
1) Misschien 48 bij Weesp.
2) Syns bij Bolsward.
•
CV rc$ CO
LCD 0 10
.2
CO
a) •
i.,a):$ in• rdN
.0 CO . 0
00
I 4
-4 ,-.4
0 14.
18 5
23
8 [5]
25
1
106
8
12
5
43 [20]
29 [32]
23
2
26
6
7
2
14
5
26
2
821)
4
7
130 [122]
33
14
1
5
1
10
59 [62]
in
in
7 [4]
25
1
12 94
7
12
43 [20]
3 [6]
4
3
15
15 [7]
24
15 2
2
26
6
7
2
14
5
14 12
2
821)
2
100
16
14
5
8
6 [9]
(T;
C-d
$8
C1) I
P4M 1:14(4)
CO
CO
a)
a) in
li 4..4 r''' 1-4
"II
10
29
in
1-si
DE 1300PLIJST VAN LEENAERT BOITWENS.
a) .
MI Ntlrd
eDChD
•
. 2 in o in
7 I . .
8
,' 1
P4 r..i gl...eil
Ci)
MI
r..•4
0 CO
T
.... i
4) . 2 CL)
•
1:$ -Q MI N
GO o Cif)
.
0
z i i 1
.
k ai t...
1.0
PWCCI $:14°
CCS
In
al , _ . . 4 i-cs ,.,
a) In
-cs ,.,
0 kn cu in
PT:t v..4 Pri r..,
CO
`41
In
'Z' in a)
r-,
eN
In
69
G\i
,G.
gr...4I
-4..
° in.
4' ko
—1
54 [55]
20
Sneek
3 [4]
fr.
18 13
9 [5]
32
61 [57]
Stavoren
fr.
20
Steenwijk
o.
5
5
1
Stiens
1
fr.
5
Suawoude
fr.
5
24
24
Teert
fr.
30
30
Terhorne
fr.
178
12 166
Terschelling
n. h.
Texel
13
4
9
n. h.
5
5
Tjummarum
fr.
19
4
5
Tzum
fr.
10
28
48 [51]
Utrecht
6 [9]
14
u.
5
Veenhuizen
n. h. 5
18
7
5
6
Visvliet
gr.
54
45 9
Vlieland
n. h.
1 [4]
1 [4]
Wal
o. fr.
60
21 39
Warga
fr.
14
14
Watergang
n. h.
1)
7
7
Weesp
n. h.
3
Westereynde
o. fr. 3
15
5 10
Westergeest
fr.
35
25 10
Wieringen
n. h.
9
9
Wijbelsboer
o. fr.
21
21
Wijns
fr.
7
Winsum
7
gr.
365
110 244
Wirdum
11
fr.
31
Wirdum28
o. fr. 3
Wismar1
mead. 1
10 [13]
5
5 [8]
Witmarsum
fr.
3
3
hol-
Woesteveld
stein.
1.) Zie Rarop.
2) Woquard.
70
DE DOOPLIJST VAN LEENAERT BOUWENS.
a) . ,
•
"Ci `til mi co
.2 IrD 0 In
8 I
I
7
.Z
1:24 r-i CD
i=4 '14
kIn
.2.; in CI) 10
in ,..1 PCS rf
,i-4
N
Workum
Wouchert 2)
Zaandam
Zand ('t)
Zandeweer
Zierikzee
fr.
23
o. fr.
n. h.
3
gr.
gr.
z.
CD •
iv0 CD
--'
•I
O
041's'
in
W In
"CI r...1
CO
1
0 CO 0
00
.r2, I .g::
co
CO
4) in cu in
T$ 7-1 Pti ',if
l'f
k0
25
2
3
17 2
2
1
CD
0.4 CY) m
rap°
oo
40
2
c4
4 ).6 4 ,i.
00
I
Cd
-4.. r..1
o In
4..
In
r-f
49
2
40
8
19
2
DE GELDERSCIIEN IN TWENTHE IN 1510 ,
MEDEGEDEELD DOOR
Dr. A. HULSHOF.
In de bibliotheek der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen te Amsterdam berust onder N°. 152 een
handschriftje , groot 37 bladen , van gemengden inhoud.
Fol. la-13b , geschreven door allerlei handen vermoedelijk uit het laatst der XV de eeuw, bevatten losse aanteekeningen en afschriften van brieven en oorkonden
meest betreffende het klooster te Albergen 1). Fol. 14a-33 b,
geschreven door eenzelfde hand verrnoedelijk eveneens
uit het laatst der XV de eeuw, behelzen stukken betreffende een geschil tusschen jonker Jan van Rechteren
met de „Vrije Vriesen op Almeloer Vene wonende" over
de aan dezen door de heeren van Almelo verleende privileges. Daarachter zijn ingenaaid drie bladen papier,
fol. 35a-37b , met- een ander watermerk dan de voorafgaande, beschreven door een hand uit het eerste kwartaal
der XVIde eeuw, behelzende een vrij uitvoerig verhaal
van den strooptocht der Gelderschen in Twenthe in 1510.
Dit kroniekje is in den modernen tijd nooit gebruikt.
Er wordt geen melding van gemaakt door I. A. Nijhoff,
die in zijne Gedenletvaardigheden uit de geschiedenis van
'1) Ongeveer halverwege tusschen Almelo en Ootmarsum. Zie over
dit klooster, eerst een Fraterhuis , later bij de Windesheimer congregatie aangesloten : Acquoy, Windesheir n , III , p. 126-130,
72
DE GELDERSCHEN IN TWENTHE IN
1510.
Gelderland, VI 1, p. CXXI—CXXVII, de krijgsbedrijven
der Gelderschen in 1510 in het Oversticht toch in den
breede behandelt , noch door den uitgever van Johannes
de Lochem's kroniek van het klooster Albergen 1). Alleen
Muller heeft het in zijn Kronificenlijst p. 86 gesignaleerd.
Maar doordat hij de weinig zeggende bewoordingen letterlijk overnam , waarin het in den catalogue van de
Koninklijke Academie staat beschreven : „Kronijkmatige
aanteekeningen van verschillende handen betreffende het
klooster Albergen bij Ootmarsum ..... op het einde
hist. aanteekeningen betreffende de geschiedenis van Gelderland tijdens hertog Karel",
schijnt hij bij onze historici, ook bij de Geldersche , den
indruk te hebben gewekt , dat deze aanteekeningen niets
om het lijf hadden. Dit is toch niet het geval , want
wij hebben hier een verhaal van een tijdgenoot en ooggetuige over eene niet onbelangrijke episode uit het schrikbewind van den Gelderschen dwingeland.
Over de aanleiding tot den inval in Twenthe het
volgende. In den strijd tusschen Gelre en de Bourgondisch-Oostenrijksche macht werd ook het Sticht be-
trokken. Hertog Karel was op bisschop Frederik van
Baden gebeten, vooral omdat deze het slot Oyen, hetwelk
hem in 1497 tot waarborg voor het onderhouden van
het toen gesloten bestand was toevertrouwd om het voor
de Gelderschen te bewaren, in 1503 aan de Bourgondiers
in handen had gespeeld 2). Om het gezag des bisschops
geheel te ondermijnen , ruide hij de Staten van het
Nedersticht tegen hem op. De Overijsselsche steden ,
die de Bourgondische partij boven die van Gelre begunstigden, hielden het echter met den bisschop. Zij steunden
hem o. a. krachtig bij de herovering van de heerlijkheid
Kuinre, een der bisschoppelijke tafelgoederen , die de
Gelderschen in 1508 hadden bemachtigd.
1) Door de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch regt en
geschiedenis uitgegeven in : Albergensia. Stukken betrekkelijk het
klooster Albergen, Zwolle 1878, p. 19-372.
2) Nijhoir, a. w., p. XXXIX, XL, LXXV en CXI.
DE GELDERSCHEN IN TWENTHE IN
1510.
73
Toen met Kerstmis 1509 het tusschen Gelre en het
Sticht gesloten bestand was afgeloopen, duchten de Overijsselsehe steden een inval in het Oversticht. Hun vrees
was gegrond. Begin 1510 verspreidde zich het gerucht,
dat een troep huurlingen , die door den koning van
Denemarken waren ontslagen , Drenthe waren binnengevallen en zich in Genemuiden hadden genesteld. De
Overijsselschen verdachten hertog Karel , dat hij deze
op roof en plundering beluste benden hierheen had gebracht. Aanvankelijk deden zij zich voor als heerlooze
knechten , die in niemands soldij stonden. Als den aanvoerder werd gevraagd , wie zijn hoofd was , dan antwoordde hij : „Het kindeke Jezus" 1). Dra werd alle
twijfel echter weggenomen , toen de Kampenaren een
Elburgsch schip met eene lading wapenen , voor Genemuiden bestemd , prijs maakten. Drie Geldersche edelen,
die aan boord werden gevat, werden als openbare stroomschenders gestraft.
De Geldersche hertog zwoer wrack. Hij lief de huurtroepen uit Genemuiden oprukken en stelde zich zelf aan
het hoofd. Toen een aanslag op Deventer mislukte, trok
hij naar Twenthe , dat werd gebrandschat. Deze tocht ,
inzonderheid de belegering en inname van Oldenzaal,
wordt in ons kroniekje vrij uitvoerig beschreven. Het
vormt een niet onwaardigen tegenhanger van Guillielmus
Hermannus Goudanus' berijmd verhaal van de verovering
van Weesp door de Gelderschen in 1508.
wie het vervaardigd heeft , is niet bekend. Hit den
inhoud blijkt , dat het iemand moet geweest zijn van
geestelijken stand nit de buurt van Oldenzaal. Hid vertelt, dat hij spoedig na de inname de stad heeft bezocht
en verscheidene doodgeslagen burgers en half verbrand
vee op de straten heeft zien liggen. Daar het kroniekje
door eene gelijktijdige hand is geschreven achter in een
handschrift uit het klooster Albergen , zullen wij den
auteur vermoedelijk daar moeten zoeken. Het ligt voor
1) Nijhoff, a. iv., p. CXXII.
74
DE GELDERSCHEN IN TWENTHE IN
1510.
de hand te denken aan Johannes de Lochem , die de
geschiedenis van het klooster tijdens zijn priorschap van
1520 tot 1525 heeft samengesteld en daarin ook eene
beschrijving van den Gelderschen inval heeft ingelascht 1).
Daartegen pleit, dat hij van 1518 tot 1520 prior geweest
is in 't Sant bij Stralen dicht bij Venlo en misschien in
dit jaar voor het eerst Albergen heeft betreden. Verschillende zinsneden verraden , dat hij het kroniekje
bron heeft gebruikt. Toch heeft hij zich blijkbaar moeite
gegeven om zooveel mogelijk andere woorden te kiezen ,
wat hij bij het overnemen van eigen werk niet noodig
zou hebben geacht. Voorts heeft hij alle persoonlijke
uitlatingen geschrapt en den loop der gebeurtenissen nu
en dan anders voorgesteld. 1k houd dan ook niet hem,
maar een zijner oudere medemonniken voor den auteur.
A. H.
Circa annum Domini millesimum quingentesimum decimum Karolus dux Gelrie etc. collegit multitudinem
hominum non Deum timencium neque homines verentium,
qui circa illa tempora multum regnaverunt , dicti vulgariter soldaners. Fuit enim id hominum genus undique
ex omnibus terris , populis et nationibus linguisque
diversis collectum , qui servierunt nunc illi nunc isti
principi , nulli fideles , sed qui ditiores Brant principes
istis, relictis aliis, serviebant. Hii itaque homines gregatim
et per turmas incedentes et de seipsis sibi capitaneos et
presides preficientes , quos vulgariter hoefftmans nuncupabant , duraverunt fere ab anno Domini 1490 usque
ad annum Domini 1512 , nulli ecclesie parcentes neque
monasteriis neque infirmis neque feminis in puerperio
jacentibus , sed ecclesias depopulantes et regiones, domos
et ecclesias , villas et oppida incendentes , pecora abigentes et homines aut trucidantes aut captivantes , sine
misericordia tractaverunt et torserunt , nisi sere multa
pecuniarum summa ab eis redimerent. Inceperunt autem
4)
Albergensia,
p. 71-78.
DE GELDERSCHEN IN TWENTHE IN
1510.
75
primo sub Maximiliano Romanorum rege, qui eos primitus
hiis terris invexit , et postea aut duci Gelrie aut alias
principibus servierunt. Duci autem Gelrie ut plurimum
adheserunt, qui eos sepe nudos et pauperes et grope nichil
habentes nunc llollandinis , nunc Brabantinis , nunc vero
alias suis inimicis inmisit , ut eorum terras invaderent et
depopularentur, in quorum terris sepissime multa dampna
fecerunt. Et postea viceversa inimicis ej us servientes
sepissime maxima dampna duci Gelrie et terre ejus intulerunt. Sic itaque hoc pessimum hominum genus debachatum est in Alemannia , exigentibus utique hominum
peccatis , ut jam non sit aliqua terra que se potuerit ab
illorum invasions seu depredatione servare intactam. Nam
Brabanciam , llollandiam , Frisiam et ducatus Gelrie,
Clivensem , Juliacensem , Montensem et dyoceses Coloniensem , Trajectensem , Monasteriensem et alias circumjacentes provincias ipsi sunt sepissime pervagati , nunc
huic nunc into domino servientes. Et ad hoc proch pudor
Christianorum status principum devenerat ut , si quis
principum alteri principi quamlibet ob causam infensus
voluisset suam injuriam ulcisci , mox horum nequam
hominum multitudine collecta inimici sui terram hostiliter invadens cuncta depopulabatur horum adjutorio. Et
quia neque Deum metuebant neque homines verebantur,
cognito homines horum adventu, relictis locis non munitis,
ad tuciora loca fugiebant, ut ibidem ab eorum incursibus
salvarentur.
Igitur Karolus Gelrie dux infensus episcopo Trajectensi
Frederico de Baden propter castrum dictum Puroyen 1),
quod idem episcopus servandum susceperat sub certis
condicionibus ad certum tempus , quod quidem castrum
ob neglegenciam custodientium illud devenerat in manus
inimicorum ducis Gelrie scilicet Brabantinorum. Quam
ob rem iratus dux prefatus contra episcopum predictum
minabatur se sua dampna in Trajectensi vindicaturum ,
nisi eum contentarent etc.
Dum igitur sic se res haberet, nec ducis iram episcopus
1) Lees : Oyen.
76
DE GELDERSCHEN IN TWENTHE IN
1510.
et sui multipenderent , misit dux quendam schultetum de
Lochem dictum Keppel versus Frisiam convocare et congregare illic quosdam centenarios ruterorum, qui tum apud
Frisiam morabantur, et collector circa XIIIc duxit cos per
Drenthiam usque ad villam dictum Genemuden prope
Campis. In qua villa per aliquot dies moram trahentes ,
multa illic hominibus per vicina loca habitantibus dampna
irrogabant etc. Displicuit hoc multum Campensibus et
aliis, nec inmerito , quod sic terrain Trajectensem absque
aliquo inimiciciarum manifesto titulo depopulabantur.
Nichilominus tamen dissimulabant Trajectenses nec eos
persequebantur, sua tantum oppida caute servantes , dum
ignorarent quo animo eos dux convocaverat. Nam quidam
dicebant, quod dux eos in Hollandinos inmittere proposuerat ; alii dicebant, quod Hasselt oppidum, si potuissent,
capere -et depredari volebant. Quid tamen horum versus
sit , ignoratur.
Interea dum sic in Genemuden prefati ruteri nudi et
pauperes morarentur, ita ut plerique eorum nec arma
haberent quibus uterentur, misit illis dux prefatus per
quosdam, qui dicebantur Derick van den Berge et Henrick
van Essen et Keppell , hastas et arma et octingentas
coronas aureas. Sed isti preventi sunt a Campensibus et
capti cum pecuniis , quas deserebant , et duo ex illis scilicet Derick van den Berge et Henrick van Essen interfecti sunt a Campensibus. Keppel autem reservatus fuit
et hic postea adjutorio unius civis evasit Campensium
manus sanus et vivus.
Que postquam gesta sunt et duci nunciata, ira efferbuit
et mox accitos ad se ruteros de Genemuden , misit eos
in Twenthiam hostiliter depopulari et depredari Twenthiam. Incipiens a Batmen pervenit usque Diepenhen et
Goer. Cives autem de 1) Diepenheym , Goer, Rijsen et
Delden omnes fugiebant et se in tuciora recipientes loca,
paucas tantum feminas et pervetustas in suis reliquerant
sedibus. Cum igitur dux et sui in Goer venissent ,
manserunt ibi circa quindenam, antequam progrederentur.
4) Er staat : die.
bE GELDERSCHEN IN TWENTHE IN 1510. 17
Multi tamen de militibus cotidie pervagabantur et undique
in villulis et domibus victui necessaria perquirebant et
pecora , quotquot invenire poterant , abigebant , homines
capiebant, paucas tamen domos comburebant. Hec autem
facta sunt ante Purificationis Marie anno Domini 1510.
Porro in die Purificationis Marie 1) aliqui de ruteris ex Goer
summo mane egredientes invaserunt inopinate oppidum
Almeloe et rapuerunt illic quicquam invenire potuerunt ,
et vesperi facto , combustis iij aut iiij domibus circa
Almelo, reversi sunt cum preda sua in Goer etc. Domum
tamen sororum ilia vice nullus intrabat ruterorum nee
quicquam quod sororum erat rapuerunt etc.
Postquam autem in Goer jam per quindenam morati
fuerant , ubi eciam multi ex Twenthia sere et sua ab
illis qui ad hoc a duce deputati fuerant , jam pecuniis
multis promissis , redemerant , deficientibus quoque illis
victualibus in Goer, sabbato ante Esto mihi 2) tactis tympanic et singulis preparatis ipse dux cum suis egressus
ab oppido Goer, relicto tamen illic presidio , perrexit
versus Oldenzaell et ipsa quidem nocte manserunt in
Borne. Altera vero die que erat dominica Carnisprivii
moventes inde venerant circa Oldenzaell jam summa missa
finita , ubi castra metantes illa quoque nocte siluerunt.
Altera vero die scilicet die Lune compositis jam tormentis
et bombardis , ceperunt quosdam lapides in oppidum cum
bombardis trajicere , et circa meridiem sonantibus bom-
bardis diversis Gelrenses ceperunt ignem in oppidum
balistis jacere , de quo igne cepit mox oppidum miserabiliter conflagrare. Quod cernentes hii , qui super muros
constituti erant, et maxime rustici, qui in oppidum metu
hostium unacum suis confluxerant , desertis muris cupiebant quisque sua de igne eripere , non intelligentes
miseri , quod ea, que ignibus eripiebant, mox in hostium
erant manus ventura , eo quod murum dimiserant et
inimicis quodammodo per hoc occasionem irrumpendi
dederant. Nam ipsi qui cum duce erant , cum vidissent
1) 2 Februari.
2) 9 Februari.
78
DE G-ELDERSCHEN IN 'MENTHE IN 1510.
Gives muros derelinquere , audaciter irrumpentes cum clamore et ingenti , ut assolent , ululatu quidam admotis
scalis per murum in oppidum irruerunt , quidam effractis
portarum obstaculis oppidum ingressi sunt ; et sic superatis civibus quosdam occiderunt crudeliter, reliquos autem
omnes ceperunt, paucissimis fuga lapsis, direptis omnibus
bonis que invenerunt , ita ut neque domui sororum vel
sacerdotum domibus sea bonis parcerent , immo nec hiis
que in ecclesia servabantur, sed universis direptis vel
vendebant vel efferebant universa, que ab igne consumpta
non fuerant. Porro multa bona ab ignibus in eadem
civitate ilia vice sunt consumpta , eo quod fere totum
oppidum , exceptis paucis domibus , vorax flamma consumpsit. Et certe fuit miserabile videre istud , nam de
occisis aliqui jacebant in plateis usque in tercium diem,
quia femine non poterant cos convenienter sepelire , cum
nec instrumenta ad hoc apta invenirentur, cunctis in
hostium potestatem devolutis, et milites neminem occisorum
huminitatis intuitu terre mandabant , sed dimittebant eos
sic jacere, ac si canes fuissent. Vidi namque oculis mein
quosdam de occisis jacere in plateis , quorum vultus feno
velati erant, et pecora quedam semiusta vidi fena illa
comedere 1) de super facies eorum , que et abegi , cum
hoc viderem. Numerus autem occisorum ut puto quinquaginta aut circiter fuit. Qui autem capti erant, valde
inhumaniter a militibus tractabantur et torquebantur, ita
ut audierim in quosdam cives talia esse facta , que nec
Turci forte suis victis fecissent etc. Et ita contigit , ut
quidam cives et rustici pre nimiis tormentis illis centum
ant ultra florenos pollicerentur, quorum tamen bona vix
quinquaginta florenos valebant. Et quia tam inhumaniter captos tractabant , idcirco non modicam pecuniarum
summam a miseris captis isti truculentissimi lictores congesserunt , exceptis hiis que in singulorum domibus invenerant. Dicitur enim quod ultra quam credi potest in
isto oppido congestum erat et hinc inde apportatum metu
hostium. Audivi etiam a quodam sacerdote , quod in
'1) Er staat : commedere.
tot GELDERSCHEN IN IVEXTHE IN
1510.
70
domo sua preter pecunias argenteas XVC aureos nummos
invenerunt. Cunctam quoque supellectilem illic repertam
vendiderunt vel asportaverunt, quidam ad terram Gelrensem, alii ad alia loca. Contigit quoque, quod fere omnes
capti se redimerent in illo jejunio , exceptis aliquibus
qui ibi in vinculis manserunt, quousque ab episcopo idem
oppidum recuperatum fuit. Quidam vero in ipsis vinculis
defecerunt ut ajunt 1).
Postquam autem illud miserum oppidum tam crudeliter
expugnatum fuisset et cives se redemerant ab illis , dispersi sunt hinc inde et mansit unusquisque ubi potuit ,
quousque oppidum idem hostibus eriperetur per episcopum.
Quod contigit in hunc modum.
Dux , expugnato Oldenzaelensi oppido , dimisit illic
quondam de suis , qui illud oppidum custodirent nomine
ejus , et cum reliquo exercitu perrexit ad Arkensteyn et
cepit etiam munitionem illam , qua capta dimissa Twenthia reversus est Zutphaniam cum suis, quia jam audierat
multos exercitus conducticios tam equites quam pedites
adventare in auxilium Trajectensium. Episcopus quoque
cum suo exercitu tun supervenit , et putabatur ab
omnibus jam finem ipsi duci regnandi supervenisse ,
maxime ob id quia fere circa XX m equites Trajectenses
conduxerant et peditum exercitum copiosum. Sed et
milites , qui ipsi duci in expugnatione Oldenzalensi servierant , a duce cotidie deficientes additi Bunt Trajectensibus. Unde si sapientia hos exercitus gubernasset , de
duce certe jam actum fuisset. Sed nondum venerat Nora
ejus , ut scilicet pro suis actibus vicissitudinem reciperet,
immo adhuc suos electos Deus per hunc erudire et polire
decrevit.
'1) Op folio 34b staat aangeteekend : „In nota quod in Oldenzael
Johannes
a Gelrensibus capti fuerunt isti
de Bervorde , fratres,
Bernardus
Johannes
Fredericus de Twickel, fratres, et fere omnes de nobilioribus Twenthie,
Adrianus
excepto Welvelde etc."
80
DE GELDERSCHEN IN TWENTHE IN 1510.
Nam et post hanc tempestatem adhuc alie tribulationes
imminebant electis suis per hunc monende etc. Igitur
utrimque per annum multe cedes, damna et depredationes
facte sunt et castrum Verwolde a Trajectensibus funditus
eversum. Et circa Penthecosten obsiderunt Oldenzael ,
que obsidio duravit fere usque ad hyemem cum maximo
Trajectensi dampno , in qua obsidione multa sunt era
consumpta et homines circumhabitantes dampnificati. Et
quia hec obsidio tam diu duravit , ideo factum est ut
exhaustis erariis tederet jam fere omnes belli. Nam
multum cotidie expendebatur in milites tot et tamen
parum proficiebant. Tandem tamen qui in civitate erant,
consumptis omnibus necessariis , oppidum dediderunt ,
salvia corporibus et bonis suis que efferre potuerunt,
itemque et equis suis. Et sic recepto oppido exercitus
Trajectensis perrexit versus Grollam et Goyam, ubi multa
damna fecerunt , multis domibus combustis etc. , et sic
tandem deficientibus alimentis ad Davantriam reversi
sunt. Postea , quia hyemps erat , nichil notabile gestum
est , sed tandem circa Nativitatem Domini pax inter
ducem et episcopum facta est anno Domini 1511 circa
Nativitatem Domini nostri Jhesu Christi , et tune milites
utrimque dimissi, nondum tamen soluti etc.
Eodem anno dux Gelrie cepit quosdam potentes viros
de terra Brabancie, quare irritati Burgundiones ingressi
sunt terram Gelrie immensis exercitibus et Stralen ceperunt et Grevenhorst multis trucidatis. Et postea Venlo
durissima obsidione cinxerunt, que obsidio diu duravit,
in qua obsidione in die sancti Leonardi quinquies fuit
ghestormet , sed non potuerunt capere oppidum. Dicitur
quod in illa obsidione ultra XVG fuerunt occisi. Item
de Anglis venerant illuc XV €: , sed VTR tantum fuerunt
reversi ceteris occisis. Item dicitur quod illic in civitatemultra XVIIIc globi ferrei per bombardas fuerunt jacti etc.
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRINING DER
NEDERLANDEN (1677---1678),
MEDEGEDEELD DOOR
DR. GISBERT BROM.
Van het thans volgende reisverhaal bevindt zich het
oorspronkelijke handschrift in de bibliotheek-Ferraioli te
Rome en werd in hoofdzaak reeds uitvoerig melding gemaakt door mijne Archivalia, belangrijk voor de geschiedenis van Nederland III (1914) n° 390. Wat daar gezegd
is , behoeft thans niet te worden herhaald. Als woord
vooraf kunnen dus enkele opmerkingen bier volstaan.
Ook bij nader en gezet onderzoek kreeg ik geen vasten
indrak , wie van de Bologneesche gebroeders de Bovio
het reisverhaal eigenhandig heeft opgesteld. Doch als
het meest waarschijnlijk komt mij ten slotte voor, dat
het de „abbate" Guido moet zijn. Deze toch zal meer
geletterd zijn geweest dan zijn broeder Giulio , de Maltezer-ridder. Weliswaar spreekt de auteur nergens van
zichzelf in de eerste persoon , zoodat men zijne identiteit zou kunnen vaststellen bij voorkeur spreekt hij
van : ivy („noi") , wanneer de beschreven gebeurtenissen
op beide reizigers betrekking hebben. Doch wanneer zij
ieder voor zich hun eigen weg gaan , dan pleegt — op
een enkele uitzondering na (6 April 1678) — „il signor
Guido" eerst te worden genoemd, en daarna „i1 cavaliere".
Nu is het Italiaansche manier, om steeds van zichzelf
voorop en van een ander op de tweede plaats te geBijdr. en Meded. XXXVI.
6
82
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
wagen , terwijl bij ons het omgekeerde tot de beleefdheidsvormen behoort. Des te merkwaardiger is zulks in
dit geval , waar de ingelaschte officieele stukken , zooals
geleibrieven , aanbevelingen enz., telkens Giulio op de
eerste plaats noemen , vermoedelijk omdat hij de oudste
was. Zoo derhalve ons handschrift „il signor Guido"
in den regel voorop stelt , dan mag hieruit worden afgeleid , dat hijzelf aan het woord is en dat wij hem als
den schrijver kunnen beschouwen.
De titel: „abbate", die aan Guido wordt toegekend in
het Italiaansch , luidt doorgaans in Fransche bijlagen
„abbe", in latijnsche : „abbas". Vermoedelijk was hij —
naar de nog destijds heerschende zede — met de cornmende van een nogal aanzienlijke abdij begiftigd, waarvan
hij dan grootendeels de inkomsten trek en ook den titel
mocht voeren , zonder dat de plicht van residentie en
persoonlijk bestuur hem aan de abdij verbond. Als
commenditair-abt behoefde hij niet eens priester te zijn ,
laat staan de abtswijding te liebben ontvangen. Hij
genoot slechts de winst en de eer van een kerkelijk
beneficie , dat hem — zooals indertijd zooveel jongelieden
uit den adel , die zich aan den geestelijken stand wijdden
— behulpzaam moest zijn om verder carriêre te maken.
Want dat Guido de Bovio geen priester was , blijkt ontelbare malen , zoo dikwijls hij vertelt , dat hij met zijn
broeder 's morgens de h. Mis heeft bijgewoond. Nergens
zegt hij , dat hijzelf de Mis heeft opgedragen.
De gebroeders de Bovio behoorden tot een der voornaamste adellijke geslachten van Bologna. Dit wordt
telkens verzekerd in hunne aanbevelingsbrieven ; dit blijkt
tevens uit de omstandigheid , dat Giulio een geprofeste
Maltezer-ridder was , hetgeen minstens vier adelskwartieren doet veronderstellen , en dat beide gebroeders te
Nijmegen hoog in aanzien stonden. Als „gentiluomini"
had de nuntius Bevilacqua hen in zijn naaste gevolg
opgenornen , en met tal van diplomaten gingen zij als
hunne gelijken om. Dat zij ruim bemiddeld waren ,
blijkt genoegzaamuit hunne onbekrompen manier van
reizen , met een eigen tolk in hun dienst. 't Was ook
niet de eerste groote reis , die zij voor hun genoegen en
DER NEDERLANDEN (1677-1678).
83
uit weetgierigheid deden. Kort te voren hadden zij ,
met geen ander doel voor oogen , Spanje en Engeland
doorkruist 1).
De tolk , dien zij op hunne reis naar Nijmegen bij
zich hadden , was een Vlaamsche graveur David Clouet.
Aanvankelijk kon ik niet zeker uitmaken , of die naam :
Clorcet , dan wel : Clowet client te worden gelezen in het
handschrift 2). Maar bij eene nauwkeurige herziening
werd : Cloivet ontwijfelbaar. Een Antwerpsche graveur,
die Albert Clouet (Clouwet, Clouet) heette en destijds
te Rome verblig hield als leerling van Cornelis Bloemaert,
is bekend 3).
Tot minstens 1675 — zoo getuigen nog zijn nagelaten
kopergravure's moet hij in de Eeuwige Stad hebben
vertoefd , en 1687 is hij overleden. Wij kunnen derhalve
niet beter den tolk verifiêeren , dien ons handschrift vermeldt , als : „David Clowet , uit Antwerpen en graveur
van eenige faam te Rome".
Weliswaar heeft de gelijktijdige naam- en vakgenoot
bij Wurzbach een anderen doopnaam : Albert. Maar
dit verschil kan zeer goed worden verklaard of door
een fout in ons handschrift , of door de mogelijkheid ,
dat dezelfde Clouet twee doopnamen droeg en dus :
Albert David zal hebben geheeten. Veel belang heeft
trouwens zijne persoonlijkheid voor de reisbeschrijving der
Nederlanden niet, daar hij reeds 1 December 1677, toen
de gebroeders de Bovio nog geen twee dagen te Nijmegen
waren, hun gezelschap verlaten 4) en verder het ons
rakende gedeelte van hun reisverhaal niet meegemaakt
heeft.
Want alleen wat de Noordelijke Nederlanden en de
1) Zie Archivalia t. a p. 509.
2) Vgl. t. a. p. 508.
3) Zie A. von Wurzbach, Niederlandisches Kiinstler- Lexikon I (Wien
1906) S. 295. — Hij overleed te Napels 20 Augustus '1679; zie
Thieme-Becker, A llgent. Lexikon der bildenden K unstler VII (Leipzig
1913) S. 121.
4) Vgl. beneden op genoemden datum.
84
EEN ITALIAAACHE REISBESCHRIJVINCr
vredesonderhandelingen te Nijmegen betreft , wordt hier
uit het 830 bladzijden groot 8° tellende handschrift medegedeeld , en het overige ter zijde gelaten. De aldus
overblijvende kopie is nog ornvangrijk genoeg. Over de
genoegzame belangrijkheid dezer reisbeschrijving zal misschien verschillend worden geoordeeld. In elk geval is
zij een niet te versmaden aanvulling op twee andere ,
ook Italiaansche , reisbeschrijvingen van ons vaderland ,
die eveneens te dezer plaatse het licht zagen 1) : die van
den Keulschen nuntius Pallavicino , ten jare 1676 , en
die van den pauselijke diplomaat Garampi , ten jare 1764.
Bijzonder met het oog op de lezers , die niet voldoende
het Italiaansch machtig zijn, zal bier aan het slot nog
een kort overzicht van den inhoud dezer reisbeschrijving
volgen, met aanstipping van wat daarin het meest onze
belangstelling verdient.
G. B.
1677 October 29 (p. 145).
Da molti mesi si risvegli6 in noi . ....
A dl 29 detto Venerdl. Con bonaccia navigassimo felicemente in tutta quella mattina giunti a Rimberghe seendessimo a terra, e dalla porta fussimo accompagnati da
un soldato sin alla casa del commandante, it quale senza
informarsi , chi noi fussimo e del nostro nome , ci permise libero it passeggio per la citta. Questa e lontana
dal flume un tiro di pistola in sito piano. All'intorno
circondata da doppio fosso, l'uno dei quali bagnando
l'antica muraglia viene separato dall'altro fosso da un
recinto di molti bastioni grandi e belli. Tutti due i fossi
Sono pieni di acqua e si passano per due ponti levatori
alle fortificazioni accennate se n'aggiungono molte altre
esteriori , the rendono la piazza considerabile e forte.
Il di dentro non ha cosa degna di riflessione , e la chiesa
maggiore e all'antica. Le strade sono larghe e belle , e
1) Bijdragen en Mededeelingen XX (1899)
(1911) p. 63-99.
p. 193--208 en XXXII
DER NEDERLANDEN (1
67 7 —1 6 7 8).
85
le fabriche all'usanza del paese non sono nobili , ne hanno
molta apparenza. Questa piazza fu occupata dagli Olandesi , che toltala all'arcivescovo di Colonia , cui appartiene , la ridussero nello stato presente. Al valore de'
Francesi , che l'attaccarono nel principio della corrente
guerra , non fece quella resistenza che richiedevano it
sito, la fortificazione, et it presidio d'allora , cede dunque
in breve ora 1), e dal re di Francia fu restituita al suo
prirniero Signore , che vi tiene un competente presidio ;
l'esercizio cattolico vi fiorisce come prima , e la cotta e
assai populata.
Usciti da Rimberghe con felice navigatione giungessimo a Wesel , cotta considerabele per it sito e per le
fortificationi , che considerassirno senza entrare nella
piazza , a causa che it tempo non ci permise it fermarsi.
Le fortificationi consistono in 9 gran bastioni; di questi
alcuni ne vedessimo rivestiti di pietra cotta; da ogni lato
vi e un borgo. L'uno , e l'altro di questi cinto da ben
intesa fortificatione assicura la ripa del flume e rende
pill forte la piazza. Questa ha due fossi , tra l'uno e
l'altro de' quali corre it recinto de' sudetti bastioni , che
rendono difficile l'accostarsi ad un altro muro antico , che
molto alto e fiancheggiato da torn antiche e forti. Nelli
terrapieni , et al di fuori intorno alli fossi sono piantati
molti alberi , che rendono delizioso , et ameno it passeggio et ii luogo. II flume Lippe entra nella citta , riempie
i fossi e prima di sboccare nel Reno forma un picciolo
port°, nel quale si ritirano le navi per scaricarsi. E nel
tempo pit rigoroso dell'inverno ; dal lato dello stesso
flume Lippe , vi 6 un fortino di terra , e che guernito di
soldati e di cannone non fece resistenza alcuna ai Francesi , quando l'attaccarono. La piazza di Wesel similmente , senza punto cimentarsi, cede alle armi Francesi,
che ridottala alla loro divotione la restituirono al marchese di Brandeburgo , che oggidi la guarda con numeroso presidio , che per lo passato era Olandese. All'in-
1) Op 6 Juni 1672; zie Wagenaar Dl. XIV, p. 27.
86
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
contro di Wesel si vede Bunch , cinta forte , e che valorosamente si difese contro li Francesi , e sottomessa che
fu ebbe la disgrazia di vedersi smantellare le sue fortificationi , che erano considerabili per ogni conto.
Intanto pranzassimo , avendo fatt y la provisione in
.Rimberghe. Il tempo cominciO a turbarsi , in maniera che
l'acqua non era placida , et it vento affatto contrario.
Colla forza de' remi ci conducessissimo a Rees , che non
e panto considerabile , mentre che le fortificationi , che
rendevano famosa quella piazza, sono state distrutte. Se
ne vedono alcune reliquie , che unite a quelle delle molte
habitationi distrutte fanno comprendere , quali miserabili
effetti produca la guerra. La cinta e picciola , cinta d'antiche mura e non populata. Nelle strade stanno piantati
alcuni alberi per delizia , e nel mezzo della piazza vi e
un olmo , che allargati i rami forma una vaga ombra et
un frondoso coperto , che sostenuto da molte colonise di
legno somministra ii commodo alla gente di trattenersi
in conversatione. Nella chiesa maggiore , che e all'antica , si vede un' opra faticosa di legno , che intagliata
a figure rappresenta in basso rilievo la Passione di N. S.
e viene stimata di disegno e d'un lavoro finissimo. La
cinta appartiene al marchese di Brandeburgo ; e benche
vi siano molti eretici , ad ogni modo i Cattolici vi godono
un' intiera e pacifica libert y. All'incontro di Rees , sull'
opposta ripa del Reno , vi 6 un borgo di case , che altre
volte fortificate chiamavasi it forte di Rees. Ora e distrutto , ne vi resta alcun vestigio della sua vantata
fortezza.
Non ostante it vento contrario , con la forza de' remi
ci conducessimo in Emerich , cinta spettante al sudetto
marchese di Brandeburgo. Questa fu press similmente
da Francesi , che nell'abbandonarla smantellarono tutte le
fortificationi. Quelle poi che munivano un forte posto in
un' isola , che qui forma it Reno , ed all'incontro di detta
cinta, furono portate via dal flume stesso alcuni anni
Bono. La stessa cinta e assai populata , cinta di antiche
mura et e di mediocre grandezza , le sue strade sono
assai larglie , e da ogni lato frequenti si vedono gli alberi ordinatamente piantati. Ci contavano quelli dell'o-
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
87
steria , che li Francesi non molto lontani di qui e minacciando d'accostarsi a questa piazza inferirono tal timore
negli abitanti e nel presidio Olandese , che questi l'abbandone ; e nell'andersene , scoperto un grosso di gente
Francese , ritornarono addietro e tentarono di rientrare
nella citta , ii che fu loro vietato dai cittadini, che dopo
breve spazio di tempo furono forzati a ricevere alcune
truppe di Brandemburgo , che in capo a 3 ore se n'andarono. I Francesi poi vi s'accostarono, et it magistrato ,
senza soffrire che ci venissero all'assalto, andO all'incontro di essi e presente al re le chiavi della citta 1).
Il re vi mandb alcuni officiali e quantit y d'ammalati, et
in passando vi lascie ragionevole presidio. Gli eretici
son qui in buon numero , et i Cattolici vi hanno sette
chiese, che convertite in use profano dagli Olandesi furono
da' Francesi restituite al culto del vero Dio.
Nel farsi notte cadde molta pioggia e rinfrescossi l'aria ,
a segno che faceva freddo.
1677 October 30.
. A di 30 Ottobre Sabato. Sentita la S. Messa, ci ponessimo in barca , non ostante la densa pioggia, et it
vento contrario. Colla bonaccia del flume e colla forza
del remo giungessimo in quel luogo , ove dividendosi it
Reno forma it Waale. Quivi in una Punta di terra bagnata dai due fiumi si vede situato ii forte famoso di
Schinkescans , questi e lung°, 6 stretto , et e munito con
fortificationi irregolari , the obbedendo alla strettezza del
sito si communicano fra di loro la diffesa mirabilmente.
Commanda questo forte al Reno et al Waale , di maniera
d'impedire la navigatione. Nel principio .della corrente
guerra corse anche esso la disgrazia delle altre piazze
presidiate dagli Olandesi e fu sottomesso da' Francesi.
Questi passato it Reno non molto lontano di qui e presa
con qualche mortality loro una forte torre , si presentarono in vista del forte , die in poche ore si rese 2) , non
1) Op 7 Juni 1672; zie Wagenaar t. a. p.
2) Op 21 Juni 1672; zie Wagenaar t. a. p. 34.
88
EEN ITALIAANSCIIE REISBESCHRIJVING
ostante che vi fussero dentro per diffenderlo 18 compagnie Olandesi di buona militia. Il sito e mirabile , e
la fortificatione , benche non rivestita di pietra , e di
conseguenza. Dalla parte che si unisce al continente ci
e un largo foss° , che all'occasione si riempie abbondantemente coll'acqua delle due riviere.
Per curiosity noi ci entrassimo dentro , non ostante la
vigorosa pioggia.
Un soldato ci accompagnO dal commandante , cui mostrassimo it passaporto ; e ci fu benignamente concessa
la liberty di passeggiare per ii forte , che consiste al di
dentro in una strada ben stretta , e di pov ere case. V'e
un tempio di Calvinisti , e sopra li bastioni vi vedessimo
alcuni buoni pezzi di cannone. Le fortificationi Sono
ben conservate e vengono custodite da un buon presidio
di soldati del marchese di Brandemburgo che n'e it
signore.
Fatta la provisione per it pranzo , che facessimo in
barca , di nuovo navigassimo per it Waale (che scorre a
mano sinistra del detto forte) non con altro ajuto che
della bonaccia dell'acqua e della forza de' remi ; laonde
giungessimo su le 3 ora doppo mezzo giorno in Nimega.
Al porto stavano due staffieri di Mons. El mo Bevilacqua ,
nunzio straordinario e mediatore per la Santita di N. S.
al congresso delle paci , et in nome di S. S. Mi na fussimo invitati dal suo maggiordomo , che era ivi espresEminent° , a prendere l'alloggio nella di lui casa ; ove
portato l'avviso del nostro arrivo Monsignore mandO una
sua carrozza e con essa vennero a favorirci li signori
conte Lorenzo Casoni e it canonico Agostino Pinchiari. Congediatici dunque dal signor abbate Bernardino Ximenes ,
andassimo a casa di Mons. nunzio , che ci accolse con
segni di tutta cortesia e d'affetto. Andati al nostro guartiere , assegnatoci molto nobile e commodamente , furono
a favorirci li gentiluomini di S. S. Mina , et ii solo Casoni
si trattenne con noi lungo spazio di tempo , e poi fussimo da Monsignore , con cui stassimo sino alle 9 hore
della sera. Il signor conte Casoni solamente cenO con noi,
essendo it signor canonico Pinchiari stato astretto d'andare a letto a causa di una storta patita in un picole
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
89
alcuni giorni avanti. Dopo una lunga conversatione col
sudetto signor conte ci ritirassimo a dormire.
1677 October 31.
A di 31 Ottobre Domenica. Non uscissimo di casa in
questa mattina occupati a vestirci et a provederci di
molte cose. Sentissimo la Messa nella cappella di Monsignore , che fatta di pianta da S. S. Mina e nobile e
riccamente ornata. Il dopo pranzo col signor conte Casoni
in carrozza andassimo a servire it signor abbate Ximenez ,
e passeggiassimo lungo le mura della citth non ostante
ii cattivo tempo. Fussimo a vedere li Calvinisti nel
tempio lore , e poi alli PP. Gesuiti della Missione , nella
cappella de . quali era esposto it SS, mo Sagramento. Si
diede la Benedizione , e vedessimo assistervi molte donne
et uomini con esemplare divotione. Accompagnato ii
sudetto signor abbate al suo albergo , ci ritirassimo a
casa e stassimo nelle stanze di Mons. nunzio sino all'ora
di cena.
1677 November 1.
A dl primo Novembre Lunedl. Il mio interprete partl
per Anversa 1) in questa mattina , et it signor abbate
Ximenes fu da noi , che l'accompagnissimo poi all'imbarco, passando anch'esso in Fiandra. Sentissimo la
Messa nella cappella di casa , et H. dope pranzo fussimo
a vedere la guardarobba del signor marchese Spinola ,
prime ambasciatore plenipotentiario di Spagna in questo
Congresso. Questa e ricca, e considerabile per le melte
tapezzerie , che ci sono di valore , e per la prodigiosa
quantita d'argenteria. Tra l'altre cose vi sono 4 bacili
co'suoi boccali tutti figurati, che sono nel maggior segno
superbi. Ci fu mostrata in particolare una lettiera d'argento, che e molto nobile; un elefante serve di base
alle colonne , in ciascheduna delle quali viene da una
figura d'argento alta al naturale rappresentato uno Belli
1) Antwerpen.
90
EEN ITILIAANSCHE REISBESCHRIJVING
4 elementi sopra di queste statue corre un nobile cornicione della stessa materia , e cosi pure da basso ,
tutto ornato di figure. La macchina e grande , nobile
e molto signorile , e mostra infine la splendidezza dell'
animo di Sua Eceza. Questa parti la stessa mattina per
Anversa con la maggior parte della sua famiglia , per
abboccarsi cola col signor duca di Villa Sermosa , governatore del Paese Basso Spagnolo , sopra gli affari correnti. Tutto it giorno fu piovoso , e la sera si giocO
nelle stanze di Monsignore.
1677 November 2.
A di 2 detto Martedi. Non ostante che fusse piovuto
tutta la nottata , la giornata riuscl serena , bench6 fredda.
Sentita Messa nella capella de' signori ambasciatori di
Francia , passeggiassimo per li terra pieni Belle mura
della citta e considerassimo le fortificationi della medesima , che nella maggior parte portavano i segni del
passato assedio. Questi durO 22 giorni, 17 de' quali si
consumarono in battere la citta con H cannoni posti di
la dal Waale , ove all'incontro della citta e per diffesa
del passaggio del flume e eretto un forte di 4 balovardi ,
che fu abbandonato al semplice sentire l'avvicinamento
de' Francesi , che passato poi it flume e post' in opera
gli attacchi , obligarono gli assediati alla redditione in
Cinque giorni 1). Fu condonato a' cittadini it sacco, et
it presidio Olandese fu fatto prigioniero a discretione.
dopo pranzo in carrozza a sei cavalli fussimo fuori
della porta , che conduce a Grave , e godessimo della
bellezza del giorno e della campagna , che tuttavia era
verde. Questa a piana , fertile ed assai vaga. Gli orti
producono confusamente le rape , i cavoli e l'insalata, ed
ogni altra sorte di erbe pia delicate , che tutt'insieme e
senza distinzione si seminano da i villani. Furono in
nostra compagnia it signor conte Casoni , et it signor
Agostino Pinchiari la sera si passe giocando nelle stanze
di Monsignore.
1) Op 9 Juli 167'2; zie Wagenaar p. 92.
DER NEDERLANDEN (1
6 77-1678).
91
1677 November 3:
A di 3 detto Mercoldi. Ili signor abbate de Mesmil ,
camerata del signor conte d'Avaux , terzo ambasciatore
plenipotentiario di Francia , fu a favorirci alle nostre
stanze. Questo signore e virtuoso , prattico del mondo e
degli affari de' principi ; e stato a Venitia col suddetto
signor conte , nel tempo che questi vi esercitO la carica
di ambasciatore per ii re suo signore. Col signor conte
Casoni e col suddetto signor abbate passeggiassimo per
ii bastioni , invitati dall y serenity del tempo. Il signor
conte di Trautmendorff, nipote del signor conte Chinschi ,
secondo ambasciatore plenipotentiario dell'imperatore , fu
a favorirci it dopopranzo ; e con loro e con it signor
conte Casoni passeggiassimo fuori della citta in carrozza
a 6 cavalli. II signor conte di Trautmendorff e eavaliere che ha viaggiato , Boemo di nazione , et e stato tre
anni in Italia ; ha parti molto buone , essendo civile ,
galante e franco. La sera si passe nelle stanze del signor
conte Casoni, e, poi in quelle di Monsignore , col quale
ci trattenessimo giocando sino alle 11 della notte.
1677 November 4.
A di 4 detto Giovedi. Vennero le lettere d'Italia , e
non uscendo di casa in questa mattina sentissimo la
Messa nella capella di Monsignore. Il dopopranzo uscissimo al1a campagna in carrozza in compagnia dei signori Pinchiari e Casoni ; ritornati la sera scrivessimo per
Bologna , e poi fussimo per alle stanze di Monsignore.
1677 November 5.
A di 5 detto Venerdi. Il vento , che impetuoso spirava , ha impedito l'uscire di casa. Sbrigate le lettere,
allestissimo le nostre robbe per it risoluto viaggio di
Fiandra e d'Olanda. Li senti la Messa nella capella di
Monsignore et it dopopranzo visitassimo it signor conte
di Trautmendorff, la sera ci licenziassimo da Monsignore
nunzio.
1677 November 6.
A di 6 detto Sabato. Sentita la Messa nella capella
92
EEN ITALIAANSCHE liEISBESCHRIJVING
di Monsignore , c'incaminassimo all'imbarco, che pigliassimo sopra la solita barca , che giornalmente parte da
Nimega per Dortrecht e va a seconda del flume Waale.
Li signori conte Casoni e canonico Pinchiari ci favorirono di cortese accompagnamento in carrozza sine al
porto , ove pure si resero i gentiluomini di Monsignore
per farci cortesia. Licenziatici da tutti quei signori entrassimo in barca , colla quale in meno di 3 ore di tempo
arrivassimo a Tiel, citta posta nell'isola Battavia ; quella
e di mediocre circuito e gode it vantaggio d'esser forte
per it sito e per le fortificationi che l'assicurano. La
muraglia e di fabrica moderna , e cinta da un largo fosso
e munita da una ben intesa fortificatione esteriore. Scendessimo a terra , ma subito ritornassimo all'imbarco ,
mentre li marinari sbrigatisi dal pagamento di certa impositione vollero continuare it camino. La suddetta citta ,
eccettuatane la fortificatione , non ha in se cosa di
rimarco.
II vento continuava favorevole , onde a gonfie vele approdassimo su le tre ore dopo mezzogiorno a Bomel,
citta che da it nome all'isola , che e formata da fiumi
Waale e Mosa, li quill qui confondono insieme le loro
acque , che poi col solo nome di Mosa vanno a sboccare
nel mare. Bomel ha una muraglia antica , che e assicurata della parte che riguarda it flume, da alcune fortificationi esteriori ; et i Francesi la presero con non
molta fatica. All'incontro su la ripa destra del flume si
vede in un villaggio del padrone , del quale si aveva un
nobile palazzo, che 6 affatto distrutto per le presenti
guerre. Le strade della cinta suddetta sono larghe , e
spazime ; vi e molto popolo , benche essa non sia di
gran giro.
B. vento cominciO a mancare , e perciO ci convenne di
viaggiare un poco piano. Veduto dunque su la sinistra
ripa del flume ii forte di Louvestein , che e la prigione
pit considerabile della republica Olandese e pit famosa
per la prigionia di Ugone Grotio che per le proprie fortificationi , lasciassimo addietro Workum , citta picciola,
molto ben fortificata e posta in poca distanza dall'accennato forte.
DER NEDERLANDEN 0.
617-1678).
93
Giunta la notte ci convenne fermarci in Gorkum , citta
posta nell'isola Battavia. Il flume Linge la divide e con
un canale non molto largo da commodo ricetto alle
barche , che vi si ricoverano. La citta, dal lato che
bagnata dalla Mosa, non ha altra fortificatione che quella
di una semplice muraglia nel restante a munita di buoni
baluardi , di largo fosso. E si come it terreno all'intorno e pieno d'acqua , cosi l'accostarsi alla piazza a difficile. Del resto la citta e ridente e bella. Le case sono
fabricate all'usanza d'Olanda , e cosi conformi tra di loro,
che se bene non sono magnifiehe nella loro struttura , ad
ogni modo appagano mirabilmente l'occhio lo stesso deve
dirsi delle strade , che sono larghe , dritte , e pulite al
di dentro sui terrapieni dei bastioni si gode di una continua verdura , mentre sopra di essi sono piautati frequenti alberi.
1677 November 7.
A di 7 detto Domenica. Alle 9 ore della mattina
facessimo vela e con vento favorevole alle XI capitassimo
in Dortrecht, dopo aver lasciato a mano destra su la
ripa del flume un largo borgo detto Papetereck e considerati dalla parte sinistra i resti d'una miserabile inondatione che sommersi molti non ha lasciato
altro segno d'un si inesorabile furore che un pezzo
d'una torre tutta rovinata , e che e posta all'incontro di
Dortrecht.
Questa e citta che da ii nome alPisola , che viene
formata dalla Mosa , con la quale qui si confonde
flume Leeken con altri fiumi minori. Una picciola
riviera chiamata Dortrecht divide la citta, di questo nome
in pia canali , due dei quali pit larghi degli altri sono
capaci di grosse barche. La casa publica e la borsa de'
mercanti sono sopra it flume , e vengono sostenuti questi
edifizii da alcuni archi di pietra che formano un largo
ponte ; ne l'una , ne l'altra di queste fabriche a conside-
.1) Papendrecht,
04
EEN fli ALIAAMCIIE REISBESCHRISVING
rabile, ne merita la curiosita, de' forestieri. Il tempio
maggiore dedicato gia all y B. Vergine 6 famoso per
essere di struttura alta, e magnifica ; questa 6 a 3 vani,
d'ordine corinthio , et ha una gran torre. Resta, ora
spogliato d'ogni ornament°, essendo profanato dai Calvinisti. Gli altri tempii sono antichi , ma non di disegno
considerabile. Vedemmo in alcuni insegnare it catechismo , e si come era numeroso it concorso de' fanciulli ,
cosi 6 compassionevole it vedere instruirli nei dogmi
d'una falsissima setta. E meraviglioso it sentire anche
dalla semplice gente citarsi la S. Scrittura e recitare
1'Evangelio ; cosi sentissimo not risponderci a un quesito
con un testo di Scrittura da un uomo che essendo
strappato nei vestiti aveva l'aspetto di scarpinello.
Le strade della citta sono larghe , e lunghe , cosi
pulite , e belle, che non puO esprimersi. Le case non
sono sontuose , ma d'architettura Olandese , e tra di loro
conformi formano un'unione molto galante. Dove seerrono i canali , vi sono anche le strade per passeggiare,
e queste deliziose per essere ornate d'alberi , ch'erano
ancora verdi. Il dopopranzo fussimo in una Casa, ove
nascostamente s'essercita it nostro rite cattolico. In una
molto bene aggiustata capella vi 6 un altare stabile , e
vi vedessimo una numerosa adunanza di devoti fideli.
Da un sacerdote s'insegnava ai fanciulli la dottrina
Christiana , et in appresso s'espose it SS. Sagramento , e
recitato it Vespro si diede la Benedittione. Alcune donne
intonavano l'Antifona e tutti i circostanti cantavano i
Salmi. Fussimo poi in diversi tempii degli eretici, e
vedessimo li lore ministri in pulpito predicare in lingua
Olandese.
Usciti dalla citta, godessimo dell'amenith della vicina
campagna , che vestita d'alberi , piena di giardini e di
prati irrigati da spessi canali 6 molta bella. Nel tempio
maggiore li Calvinisti si radunavano dopo l'Ave Maria,
et accesi molti candellieri sospesi in aria cantavano le
loro preci al suono dell'organo.
La cittit, non ha che un semplice recinto di mura , che
e circondato dall'acque e percie assai forte; ella 6 ricca,
populata, e bella, e vi fiorisce it negozio. Un magistrato
DER NEDERLAND1N
(1 67 7-1678).
95
proprio di cittadini la governa, et a lei tocca in questo
luogo dare it voto nell'assemblea de' Stati Generali delle
Provincie Unite. Il Calvinismo vi trionfa , et agli Anabatisti e permesso it dimorarvi, et in alcuni luoghi publics essercitavano it loro falso cult°. Pure tra tanta
empieta none affatto estinta la nostra Santa religione.
In pit case principali si radunano i fedeli , che non sono
in poet) numero , e si celebra continuamente la santissima Messa.
1677 November 8.
A dl 8 detto Lunedi.. Passeggiassimo le mura della
oath, al di dentro, che ornate di spessi alberi sono deliziose. Sentissi suonare una non poca quantit y di corni ,
e riehiedendo che coca significassero , ci fu detto essere
it segno , col quale dai fornari si a avviso agli abitanti
essere ormai cotto it pane , e in questo punto ognuno va
a pigliarlo.
Alle XI ora della mattina parts la solita barca d'Anversa , e copra di questa c'imbarcassimo con la provisione
necessaria per it viaggio, che fu felice fixo alle 4 ore
dopo mezzo giorno. Lasciassimo addietro Wilmstad 1),
picciolo luogo , ma forte per it sito paludoso e per le
fortificationi che lo cingono. A due ore di le ci mancO
poi it vent° , e l'acqua cominciO a ritirarsi, per errore
de' marinari restassimo in secco , e benche su la mezza
notte it vento fosse ottimo , e la marea cresciuta , ad
ogni modo li nostri marinari , non contenti d'essersi liberati dall'arena, di nuovo gettorno l'anchora, non ben
pratici di questi bassi fondi. In barca malamente si
passO la notte , che riusci noiosissima.
1677 November 9.
A di 9 detto Martedi. Comparve bello ii cielo , et it
vento si mostrO favorevole , non potessimo perO metterci
ally vela se non verso it mezzogiorno , per essersi di
1) Willemstad.
96
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
nuovo incagliata per due volte la nave e per la mancanza della marea. Finalmente crescendo questa verso
la sera, cominciassimo a viaggiare et abbordassimo l'isola
di Tolen , ove e un forte cinto di larghe mura , fossa e
di 4 buoni bastioni. Quest'isola e una della Zelanda et
e pH' lunga che larga. Non scendessimo a terra e ci
trattenessimo a vista di quel forte per tutto quello spazio
di tempo che fu necessario a' marinari per pagar la
dogana. Di qui date le vele al vento resosi fresco entrassimo nel mare aperto , e su la ripa a nostra mano
sinistra vedessimo Borgompson 1), citta mediocre , ma
considerabile per le sue fortificationi. Il porto , dove
approdano le navi , e fortificato , et assicurando it lito
rende pia difficile lo sbarco e l'accostarsi alla oath, che
obbedisce agli Olandesi. Sovragiunta la notte , non s'arrischiarono li marinari d'entrare nel flume Schelda , ma
aspettarono l'alba del futuro giorno. II mare era grosso ;
onde not in barn passassimo ancora questa notte incommodamente , dato Tondo in quella spiaggia. Per poca
avvertenza dei marinari consumassimo questi due giorni
in viaggio , mentre quelli poco pratici ad ogni passo urtavano nelle secche , per liberarsi dalle quali era necessario aspettare la marea che crescesse. A questo disturbo
s'aggiungeva l'altro , che proveniva dall y brutality di
quella genti , che poco curandosi del disagio de' passeggeri non facevano diligenza alcuna per terminare
presto it camino.
1677 November 10.
A di X detta Mercordl. Col nuovo giorno it vento si
mostre contrario , onde entrati nella Schelda e arrivati a
LillO forte posto nel Brabante e che spetta agli Olandesi ;
si convenne aspettare la. marea lino al mezzogiorno. In
quel sito sbocca nel mare la Schelda, e forma un canale
di larghezza considerabile. L'imboccatura della riviera 6
guardata dagli Olandesi , che nell'una e nell'altra ripa vi
1) Bergen-op-Zoom.
DER NEDERLANDEN ( 1
6 77 —1 6 78).
97
tengono tre forti molto ben muniti , e che si nominano
Lille) , Cruisschans e Frederic Henryck. Giunta l'ora del
partire , dassimo la vela al vento , e scorrendo per it
suddetto flume su le ripe del medesimo vedessimo tre
forti spettanti a' Spagnuoli , li quali diffendono it flume
che qua volta e conduce a dirittura in Anversa. In uno
dei suddetti forti nominato Alarico stanno i regii doganieri , che visitando rigorosamente le barche ci fecero
star fermi per lo spazio di due ore. Finalmente alle 5
della stessa sera capitassimo in Anversa 1).. . ..
..... (pay. 169).
1677 December 2.
A dl 2 ditto Giovedl (p. 278) ..... La barca per
Rotterdam tara a partire sin al mezzo giorno , si the
dopo aver passeggiata la citta pranzassimo. Venuto it
tempo di metterci in viaggio , c'imbarcassimo e con un
vento favorevole scendessimo la Schelda , e ci trattenessimo per lungo spazio di tempo al forte Maria et a quello
di Lille), per pagare it diritto dovuto dalle barche, e per
la visita delle mercanzie , che si fa da' doganieri regii
et Olandesi. Sopragiunta la notte , si mute) ii tempo a
segno , che ritirandosi la marea fussimo astretti a stare
in tutta quella notte sull'ancore non lungi da Borgompson 2) et attendere col nuovo giorno lo crescimento delle
acque.
1677 December 3.
A di 3 detto Venerdi. B. vento si mostrO contrario ,
onde col solo beneficio della corrente delle acque facessimo un poco di camino sin al mezzo giorno. E lasciato
adietro Borgompson c'ingolfassimo tra le isole della
Zelanda , s'inaspri it vento , a segno che fussimo necessitate a fermarci in quei bassi fondi et attendere colla
1) Volgt de beschrijving der achtereenvolgens bezochte steden: Antwerpen, Gent, Brugge, Ostende en Brussel.
2) Bergen-op-Zoom.
Bijdr. en Meded. XXXVI.
7
98
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRUVING
venuta della notte it nuovo crescimento della marea.
Non ne ricevessimo perO gran benefizio , mentre ii vento
ostinatamente contrario c'impedi it viaggiare a dirittura al
destinato luogo e ci obligO a restare sui bordi et a travagliare a causa del mare , che era inasprito. Ci fermassimo
tra quelle secche , e patissimo in questa notte anche piii
di quello che s'era fatto nella scorsa. La stanza della
nave era ben al commoda, ma ci riusciva noiosissima ; la
sola consolatione che avessimo fu , che s'incontrarono a
fare lo stesso viaggio con not 3 ufficiali Olandesi , et un
padre Reccoletto , che in verita erano gentili e cortesi al
maggior segno. Accomunassimo con la loro la nostra
provisione e stassimo in continua conversatione con essi ;
onde non poet) ci sollevassimo della noia d'un si laborioso viaggio.
1677 December 4.
A di 4 detto Sabato. Con it nuovo giorno mostrossi
pill the mai contrario it vento ; onde postici alla vela
su le 8 ore della mattina , bordeggiassimo per piii. ore ;
finalmente non potendosi entrare nel canale di Dortrecht,
ne imboccare la Mosa per renderci alla Brile , montassimo in poppa e pigliassimo terra su le 2 ora dopo
mezzo giorno in Hallevoetsleus , luogo picciolo e marittimo dell'isola di Dortrecht. Qui vedessimo tre yacht
elle stavano attendendo ii ritorno dall'Inghilterra del
signor principe d'Oranges colla sua sposa. Sono queste
navi magnifiche al maggior segno , e la principale tra
else era riguardevole per gli intagli , per l'oro e per gli
ornamenti della poppa.
Tutto questo canale di mare , che in questo luogo
forma it porto , era pieno di navi da guerra, che s'allestivano. I cannoni erano in terra , e molti erano gli
operaji , che s'affaticavano all'opra. Le case , che for"nano it borgo , non sono molte , e queste assicurate da
un ridotto di terra guarnito da molti pezzi di cannone.
Non ritrovassimo la commodity di carro per condurci
alla Brile; onde lasciato ordine , che se ne trovasse uno
in qualche casa alla campagna per lo trasporto delle
nostre robbe , c'incaminassimo a piedi con quei signori
DER NEDERLANDEN (1
6 7 7 — 1 6 7 8).
99
Olandesi verso la Brile distante dal suddetto luogo di
Hollevostsleus un'ora e mezza di strada. A mezzo camino
in una Casa di contadino trovassimo un carro ; e noi due
insieme col religioso et uno dei detti officiali con la
comodita, di questa vettura ci conducessimo alla Brile su
le 6 ore della sera ; gli altri erano gia arrivati e poco
tardarono a comparire le nostre robbe co'nostri servitors.
Il luogo della Brile consiste in una lunghissima strada,
che all'intorno e molto bene fortificata. Non pile perO dirsi
che fosse ben custodita , mentre noi nell'entrarvi arrivassimo sino alla porta e passassimo due ponti levatori ,
senza che vi vedessimo alcun soldato alla dovuta guardia.
Battessimo alla porta, che ci fu aperta da un uomo disarmato , che senza chiederci cosa alcuna , prese un soldo
da ciascheduno di noi e ci lasciO entrare. Il fiume Mosa,
che poco lungi di qui sbocca nel mare , forma in Brile
due canali , che fatti artificiosamente servono di ricovero
alle navi e di scale per ii commercio. Per se stesso it
luogo e ridente , bello e populato. L'osteria fu molto
buona , e l'oste assai civile. Il carrettiere, che condusse
le nostre robbe, pretese per sua mercede due scudi ; agli
officiali Olandesi parve non giusta la dimanda , e gli
offersero uno scudo. Il carrettiere non contento ricorse
al borgomastro, che mandO un suo ministro per informarsi
della cosa. Si dissero in lingua Olandese da ogni parte
le ragioni ; e con alcuni bicchieri di vino l'officiale del
borgomastro decise , che uno scudo bastava , et it carrettiere si contentO et in segno di ciO tracannO pit bicchieri
di vino. Uno dei detti officiali Olandesi ci diode it seguente rimedio per i mali colici , che da lui era stato trovato ottimo , et eccone la ricetta.
Si piglia li testicoli d'un cavallo, e seccati polverizzali ;
poi piglia un piccione , e sventrato e pelato , che sia,
fallo bollire nell'acqua , sin a che sia ben cotto ; con un
cucchiajo piglia di questo brodo , e mettici 112 oncia
della suddetta polvere e l'inghiottirai. Cie farai a digiuno
ogni volta che conoscerai, che it male ti vuole attaccare.
Il cattivo gusto , che lascia la polvere , si levera col
bevere un poco di brodo dello stesso piccione.
100
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHMJVING
1677 December 5.
A dl 5 detto Domenica. II tempo fu si contrario, che
non potessimo passare la Mosa. 11 freddo gagliardo
aveva agghiacciato l'acqua nei canali dentro la terra, si
che bisogne risolversi a continuare it nostro soggiorno in
questo luogo. Noi due uscissimo per vedere , se vi era
mode di sentire la Messa ma trovato un Cattolico , ci
disse questi non celebrarsene dentro la terra e che bisognava andare in un luogo distaste, un'ora di camino, che
sono 3 miglia italiane. Li marinari ci avevano detto ,
che fosse si sarebbe potuto passare it flume sul mezzo
giorno , si che non potessimo portarci cola, per soddisfare
al precetto. Passeggiassimo per la terra e vedessimo
tempio maggiore, quale, benche non sia finito , e ad ogni
modo bello. Egli e alla gothica , a 3 vani in volta e
molto alto.
11 vento continue freddo e contrario. La Mosa era
agghiacciata si die ci convenne perdere la speranza di
partire. Passossi ii restante del giorno in casa in canversatione coi nostri Olandesi et appresso d'un bon fuoco.
1677 December 6.
A di 6 detto Lunedi. Su le X ora di questa mattina
ci mettessimo in un battello , e benche la Mosa fosse
coperta di grossissimi pezzi di ghiaccio. Ad ogni modo,
dandoci speranza li marinari d'un felice passaggio et
essendo not impazienti d'abbandonare la Brile , ci mettessimo a navigare la suddetta riviera, che qui, dov'entra
in mare, a larga pit d'una lega. Fu gustoso it traghetto,
mentre muovendosi i pezzi grossissimi di ghiaccio , parevano questi tante isole tra quelle acque avessimo perO
molto fastidio arrivati che fussimo alla meta, del flume,
perche piu duro it ghiaccio in questo sito. A mala pena
vi restava luogo per it passaggio del battello , it quale
pure finalmente coll'arte dei marinari sormontO e ruppe
la durezza dei ghiacci , e si avvicinO all'altra ripa con
una navigatione molto pericolosa.
Quivi un nuovo intoppo ci obligO a stentare in vicinanza di Maselandsleus. Posti i piedi a terra (non avendo
potuto imboccare nel Porto) et ajutandoci vicendevolmente
DER NEDERLANDEN (1677-1678). 101
a portare it bagaglio , arrivassimo dopo un quarto di'ora
miglio di strada su le 12 ora e 1/2 nella suddetta terra,
the e populata, bella e Hem di molti canali, the scorrono per mezzo delle strade. Di qua e di 1h dei canali
vie spazioso it passeggio per li pedoni , ne mancano
frequenti i ponti per la commodity dei passaggi. V'e
un grande tempio di disegno gothico et ornato di una
alta torre. Sopra la porta di esso sta scritto a caratteri
d'oro e latini , esser stato altre volte dedicato a Marte
cio the adesso e luogo sacro per esser dedicato a Christo.
Pranzassimo quivi , e noleggiassimo 3 carri per 1'Haya
per it prezzo di 6 ducatoni. Aggiustata questa faccenda
i carrettieri presero una tavola sostenuta da 4 piedi di
legno alti , e simile ad una mangiatoja lunga e stretta ,
e dentro di essa tirarono it dado per vedere a chi di
loro toccava la sera di fare it viaggio. Tirarono alla
tavola due volte per ciascheduno , e quelli ehe erano
superiori nel panto ai compagni , furono preferiti. Caricate le nostre robbe, ci ponessimo in Camino, dapo aver
passeggiata la terra e goduto della vista de' canali tutti
agghiacciati. Benche ciascheduno de' carri fusse tirato da
due soli cavalli , ad ogni modo si caminava velocemente,
essendo piana e buonissima la strada. Le campagne all'
intorno sono arborate al maggior segno , e fertili si per
gli pascoli si per li seminati. Sono frequenti da ogni
parte li canali d'acqua onde anche per questi si rende
pia delizioso it paese.
Passati per un lungo borgo arrivassimo a Hondsalerdick 1), casa di delizie del signor principe d'Oranges.
Consiste tutto l'edifizio in tre gran fabriche , due delle
quali servono per le stalle , per conservare gli agrumi e
per it ricovero de'servitori di torte; l'altra , the e posta
nel mezzo delle due accennate , e per la commodit y di
S. A. Questa 6 Oa lunga ehe larga ed ha un ingresso
nobile e spazioso. La facciata e a tre ordini di finestre,
e termina nei 4 angoli in altrettante proportionate torri ,
1) Honselaarsdijk.
102
EENE ITALIAINSCHE REISBESCHRIJVING
o vogliam dire , padiglioni ; nella piii alta sommita al di
fuori stanno Parini della Serenissima Casa di Nassau,
arricchite di trofei militari tutti a basso rilievo. Nel 2°
ordine di finestre corre da un canto all'altro un nobile
ballaustro di ferro , che serve di ornamento e di balcone
delizioso. S'entra per una scalinata nel palazzo, che
nell'ingresso ha una nobile scala , che principiando con
due rami s'unisce in uno , che da ogni parte introduce
negli appartamenti. Questi sono 4 e posti nella larghezza
dei padiglioni suddetti , i quali poi si uniscono dai lati
per mezzo di due gallerie , l'una delle quali e bella per
i ritratti di diversi principi , e l'altra molto ben ornata
gode di una bella vista ; e verso it giardino non vi e
che una loggia scoperta coi ballaustri di pietra. Ciaschedun appartamento consiste di 4 stanze e d'un gabinetto ,
che vedessimo ornate di superbe tappezzerie d'arrazzi
d'oro e d'altre di tela d'oro. I letti et it restante delle
supelletili erano corrispondenti alla magnificenza di S. A.,
ne vi mancavano esquisite pitture , ed in abbondanza.
La parte inferiore dell'edifizio consiste in molte stanze,
rese commode e cavate in modo tale che sono proprie
per l'alloggio di molte persone , senza che l'una sia di
suggezzione all'altra ; benche queste stanze siano numerose e destinate al commodo de' corteggiani , ad ogni
modo erano riccamente aggiustate con mobili preziosi e
pitture esquisite. Il cortile viene rinserrato dalla parte
di dentro da tutto l'edificio, et all'intorno vi e una nobile
loggia , sopra della quale s'innalzano i descritti appartamenti ; al di sotto sono l'officine, et all'intorno del palazzo
vi e un largo canale d'acqua.
Le altre due fabriche hanno it medesimo ornamento
delle torri quadrate e vengono separati dalla maggiore
da due grandi giardini di vaghi compartimenti di lusso.
Il gran giardino e similmente contiguo al palazzo e s'allarga in diversi compartimenti molto nobili ; nel mezzo vi
e una fontana abbellita da 8 statue di piombo dorato, e
da ogni lato in aggiustata distanza vi sono due altre fontame , che non hanno che una statua per ciascheduna , e
questa di njuna consideratione. Il giardino e diviso e
circondato da alcuni canali d'acqua chia,ra e termina in
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
103
un bosco delizioso , gli alberi del quale piantati con ordine
formano molti viali e vaghissime prospettive. Qui in un
luogo separato stanno gli uccelli rari dell' India et alcuni
acquatici ; nê mancano tra it folto del bosco ameno
diversi ben compartiti canali. Tutto it parco e pieno di
cervi e di daini et e racchiusa intorno da una ben forte
palizzata.
Usciti di qui continuassimo ii nostro Camino, e capitassimo di notte tempo nell' Haya detta dei Conti , residenza delli Stati Generali delle Provincie Unite e del
signor principe d'Oranges.
1677 December 7.
A di 7 detto Martidi. Con un cocchio concertato per
6 scudi c'incaminassimo verso Amsterdam. Il camino
e tutta sabbia , e la campagna abbondante di conigli e
di alberi ; non mancano selve deliziose e frequenti abitazioni nobili , che si vedono da ogni parte. Li canali vi
sono in abbondanza , et it paese , benche sterile , e delizioso. Su la destra lasciassimo Leyden , citta famosa
per l'Universita , e passato ii flume Reno e per alcuni
villaggi , che s'incontrano , andassimo a rinfrescare in
Helingen 1), picciolo borgo. Dopo it pranzo continuassimo
a caminare per una campagna , che a mano destra era
arenosa ; e benche su la sinistra si vedessero alcuni monti
d'arena (che chiamansi dune), ad ogni modo essendo
questi distanti dalla strada per lo spazio d'un miglio ,
non mancano diverse nobili case in quella lunga pianura.
La campagna pere comincia ad essere meno sterile in
vicinanza di Harlem , per la quale citth passassimo senza
punto fermarvici. Lungo un canale si camino di qui
sino in Amsterdam, ove (lasciato addietro un villaggio 2),
nel quale s'uniscono li Deputati di Amsterdam et d'Harlem
in una nobile casa per gli affari communi) giungessimo
di notte , dopo aver goduto della vista della campagna,
che e populata e delizio.
1) Hillegorn.
2) Halfweg.
104
EENE 1TALIA.ANSCHE REISBESCHRLIVING
16'77 December 8.
A dl 8 Mere°ldl. Amsterdam cotta per le ricchezze e
per it traffic° e nota anche alle pia remote parti del
mondo. Ell'e situata in un terreno paludoso negli ultimi
estremi dell'Olanda su la ripa del flume Amstel , che
confondendosi col mare forma avanti questa vasta cotta
un larghissimo seno et ajuta mirabilmente it negozio che
vi fiorisce a meraviglia. Era prima Amsterdam un picciolo tugurio di pescatori, et ora e considerata da tutti
come ii pia potente emporio d'Europa. Il circuito delle
sue mura e formato da 27 bastioni reali , le abitazioni
sono senza numero ; e le strade dritte , larghe e belle,
la delizia delle quali viene augmentata dai canali, che
corrono per ciascheduna di esse , e dai passeggi per it
commodo dei pedoni, che miransi ornati di alberi molto
alti e frondosi. I ponti Bono infiniti e quasi tutti di
pietra cotta , della quale materia similmente sono lastricate le strade. Le case sono fabricate alla moda di
questi paesi , e queue , che nella- nuova parte della cotta,
si vanno edificando sono magnifiche , e simili alle nostre
d'Italia. Resta ancora non terminato questo nuovo quartiere a causa delle continue guerre, si com'ancora patisce
straordinariamente it commercio. Ogni bottega , et ogui
casa e un ricco fondaco di merci, e non puO immaginarsi
sorts alcuna di mercanzia che qui non s'incontri in abbondanza. La ricchezza della citta non pu6 dirsi quale
sia, ma argomentasi solo dalli pesi che paga, poiche si
come nelle contributioni publiche e generali d'ogni centinaro (per esempio) di scudi ne paga l'Olanda 54 , cosi
la sola cotta d'Amsterdam , ne paga la meta. Si numerano 250 m. abitanti, e benche questi siano di diverse nazioni , ad ognimodo la quiete regna da per tutto in questa cotta, alla custodia e governo della quale vigilano
4 borgomastri , 9 eschevini e 36 consiglieri. I primi
maneggiano l'annona ; li secondi con un balio (che e
propriamente it fiscali) applicano alla giustizia civile e
criminale , e gli ultimi , che sono perpetui , si raddunano
per li negozii pill gravi e per l'elettione de' suddetti officiali , che si mutano ogni anno. Dei borgomastri 4 si
chiamano regnanti, e questi sono in funzione per un
DER NEDERLANDEN
(1677--1678).
105
anno , alli quali poi succedono di mano in mano i nuovi
con ordine tale , che sempre ne resta tra questi uno dei
vecchi, che presiede a quelli per lo spazio di 3 mesi e poi
lascia il posto. Per la carica degli eschevini si nominano
14 soggetti ogni anno , e questi si presentano al governatore della provincia , che e il principe d'Oranges , il
quale ne sceglie 9, lasciandoci sempre tra questi due del
numero dei vecchi.
In questa oath , che ha un voto nell'assemblea de'
Stati Generali Belle Provincie Unite , non si puO dire
quale religione vi trionfi sopra ogni altfa, mentre ogn'uno
vive a suo modo e segue quella setta che pit' gli aggrada.
Due perb sono le principali , l'una e quella di Calvin° ;
l'altra e composta dai seguaci d'Arminio , famoso eretico
e the discorda dall'altro eresiarca in cinque punti molto
essenziali. Costoro inoltre vengono divisi anco dall y politica , poiche i primi ammessi al maneggio seguitano la
fortuna del Oil potente et eccitano l'invidia degli altri
che col nome di Lowestein vengono distinti , e cie perche
ii Grotio loro protettore fu nel castello del detto nome
trattenuto prigione. Questi passano per persone le piu
zelanti della publica libert y ; et odiansi talmente tra di
loro questi eretici , che un Arminiano non pone mai li
piedi nei tempii dei Calvinisti , si come ancora questi
non frequentano i tempii degli altri. Questa divisione si
e distesa in tutte le provincie , a segno che da ciO ne
pub nascere un gran danno , si come lino a quest'ora
sotto insorti molti gravi pregiudizii alla publica quiete.
Tutte le sette hanno libero il loro esercizio ; e solo la
nostra vera religione cattolica sta nascosta , fuggitiva e
raminga. Nelle case perO de'particolari si somministra
commodity ai sacerdoti nostri di celebrare la S. Messa ,
e non ostante l'empia persecuzione degli eretici contro
di not si contano pit' di 100 luoghi , dove i Cattolici
trovano esercitato il vero culto divino. Gli Ebrei impunemente vi hanno ogni vantaggio et ogni pit' ampla
sicurezza , perche a loro e permesso il poter esser descritti fra'cittadini e comprar case e terreni. Il vizio in
questa eitta e al maggior segno grande , poiche si trovano frequenti case , nelle quali ogni sera si radunano
106
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
gli uomini e vi concorrono le donne con ogni piii sciolta
liberta. Qui tra it vino , et ii tabacco germoglia la lascivia , e con sfacciataggine si concertano in publico gli
amplessi. Le padrone delle case ne danno ogni commodity e ne cavano un utile non disprezzevole. Il lusso
non e molto , mentre ognuno vivendo con cittadina modestia , non pensa che al risparmio. Le carrozze sono
prohibite ; non si vedono per la citta altri cocchi che
certuni tirati da un solo cavallo , non havendo ruote , e
scorrono per la citta come le slitte.
Usciti di casa la mattina fussimo al maggior tempio
che viene detto la Chiesa nuova. Egli e in volte alla
gothica , a 5 navi , e di struttura magnifica. Non vi
sono immagini di so pra alcuna , e l'organo e sostenuto
da un sontuoso architrave di marmo , ornato di diverse
figure e che appoggia sopra colonne della stessa materia.
L'organo al di fuori e dipinto molto bene , cosi l'invetriate sono dipinte esquisitamente. Il luogo , dove stava
prima it coro del clero e chiuso da un cancello di bronzo
molto nobile , e cola dentro vedessimo it deposito del
famoso Ruijter, grande ammiraglio d'Olanda, morto l'anno
scorso nei maxi di Sicilia. Sta ii suo cadavere in una
cassa coperta di bruno , sopra della quale pendono tre
stendardi e l'armatura del medesimo defunto colla spada
e col bastone di commando. Meditano gli Stati Generali
di fare un sontuoso sepolero alla memoria d'un si bravo
concittadino , e gia 6 principiato.
La Borsa dei mercanti e un edifizio piu lungo che
largo ; ella e spaziosa , et all'intorno vi corre un portico
sostenuto da colonne di pietra viva sopra delle quali vi
e un ordine di finestre divise da certi nicchii, vuoti perO
di statue. Ii concorso dei mercanti e sul mezzogiorne. E
quelle genti , che vi entrano dopo quell'ora , pagano un
schelinc , et a ricevere questa moneta stanno alla porta
della Borsa due persone a ciO deputate. Quivi vedessimo
it signor Gioacchino Guasconi negoziante , al quale erano
indirizzate le nostre lettere di cambio , e consignassimo
similmente una lettera del signor conte Lorenzo Cacossi
al signor H. da Verazzano , gentiluomo fiorentino , che e
molto gentile e che ci disse, che la pena del pagamento
DER NEDERLA.NDEN (1677
—1678.)
107
del suddetto schelinc fu imposta coll'occasione che le
mogli de' mercanti si dolsero ai magistrati del tardo
ritorno dei mariti a pranzo , i quali rendendosi tardi alla
Borsa, si ritiravano a casa per it pranzo alle 3 oro dopo
it mezzo giorno.
B. dopopranzo ii signor da Verazzano venne a favorirci
all'albergo , e con esso lui andassimo a vedere la Casa
publica. Ella e, di forma quadrata , ha un picciolo risalto
in ciascheduno dei 4 angoli, ed uno maggiore nel mezzo
della facciata , che riguarda una piazza , e che nella piu
alta parte- e ornata di statue di bronzo e d'una torre
di dissegno bizzarro. L'armi , della citta si vedono al di
sotto in basso rilievo di marmo con figure e trofei, nella
facciata di dietro vi sono similmente tre statue di bronzo.
E quella , che 6 nel mezzo , rappresenta un' Atlante , che
sostenta it globo celeste. Due ordini di colonne formano
it dissegno dell'edifizio , e dividono le finestre ; e benche
queste siano senza ornamento, ad ogni modo tra l'una e
l'altra si vedono diversi festoni di frutti di basso rilievo.
S'entra nel palazzo per una scalinata , ne essendovi porta,
it primo ingresso e basso et ha la forma d'un portico
d'architettura non delicata. La mole tutta e di pietra
viva , e tutto l'edifizio e lastricato di marmi. Nel luogo
ov'andrebbe la porta , v'e una loggietta coperta, la quale
e incrostata di marmi figurati a bassorilievo , e serve per
introdurvi i condannati alla morte , che in quel luogo
sentono pronunziarsi la sentenza e da questa stesso passano al patibolo. I cancelli di questa loggia sono di
bronzo molto ben lavorati , e dietro di essi vi e una dop•
pia scala , che non e riguardevole e che conduce in una
sala al maggior segno superba. Gli ornamenti Belle porte
al di dentro sono di marmo , nobilitati di colonne e di
statue ; e li muri sino al cornicione sono similmente di
marmo. Il soffitto non e terminato , e nel pavimento di
marmo si vedono i globi celeste , terrestre e maritimo.
Questa gran sala riceve it lame da due cortili laterali ,
intorno alli quali si passeggia sotto loggie corrispondenti
nell dissegno , e nella sontuosita, degli abbellimenti al
restante del palazzo. La sala , ove risiede it tribunale
della Giustizia civile e criminale , e vaga , nobile e son-
108
EENE ITALIA.A.NSCHE REISBESCHRIJVING
tuosa per le tappezzerie, per le dorature e per le pitture,
e per i marmi. Cosi l'altre stanze , destinate alle radunanze dei borgomastri, e del Gran Consiglio e dagli altri
magistrati inferiori , non sono di minor pompa e magnificenza. Nella parte piu alta del palazzo vi e l'armeria ,
che non si mostra , e nell'inferiore , alla quale si scende
per doppie scale da due parti , vi e la Banca publica, e
vi stanno le prigioni.
La Banca publica e come una depositaria , nella quale
si pone tutto it denaro publico et a cui ogni mercante
confida it suo , che si gira tra negozianti con polizze , e
delle quOi possono valersi ad ogni use et ad ogni occorrenza. E impossibile it dire la quantita dell'oro che vi
si conserva, essendo immenso quello che si guadagna col
negozio e che concorre qui da tutte le parti del mondo.
Di qui andassimo poi ad un luogo detto Spinufii. 1) ove
si racchiudono le donne , che vivendo malamente causano
disordini, o che pure perseguitate non hanno authorevole
protezzione , o non possono (al detto della gente del paese)
sodisfare alla grand'ingordigia del balio , al quale pagano
ogni anno una certa somma le puttane cosi bene in
questo paese come altrove. In conformit y delle colpe e
it gastigo , poiche altre vi sono condannate per alcuni
mesi , et altre per anni.
La casa anticamente era un convento di monache e non
ha in se cosa di considerabile. In una sala stanno
quelle feminine a lavorare , e dipendono da una direttrice , che commanda e distribuisce loro la quantity del
lavoro da farsi giornalmente , al quale se non compiscono
sono gastigate col digiuno e colle battiture. Vi sono
ancora della donne di conditione ; ma queste racehiuse
in stanze a parte , non si lasciano vedere. Del recto
sono ben trattate , mangiano bene e dormono in buoni
letti.
Il tempi° , che chiamasi di Mezzo giorno 2), e eretto da'
fondamenti dagli eretici , et e a tre navi di struttura
4) Het Spinhuis.
2) De Zuiderkerk.
DER NEDERLANDEN (1 67 7 — 1 67 8).
109
moderna. Il volto e di legno , ne v'e ornamento alcuno.
Quando not vi entrassimo si raddunavano le genti per
sentire la loro predica.
Passeggiassimo poi per la citth e vedessimo it concorso degli uomini , de' putti e delle donne , che correvano per li canali agghiacciati ; divertimento molto caro
a queste genti e praticato da ogni sorta di persone in
questi paesi. Non e perO libero da pericoli questo trattenimento , mentre ogni anno vi perisce qualche d'uno.
Andassimo nel quartiere degli Ebrei , che e grande e ben
fabricato. Questi sono molto ricchi e ci hanno due sinagoghi , l'una e l'altra magnifiche. Quella detta dei Tedeschi e di bellezza inferiore all'altra dei Portoghesi ,
che e sontuosa. La fabrica e alta , luminosa e quadrata ,
it soffitto di legno e sostenuto da grosse colonne rotonde
di pietra; et it luogo , ove conservasi it 'pro libro della
legge , e contornato di legni preziosi del Brasile , abbellito con colonne ed architravi della medesima materia.
Giunta la notte , andassimo a casa del signor d'Averazzano , ove stassimo in conversatione sino alle 8 ore.
Ritirati all'albergo ritrovassimo it signor Maurizio Luigi
barone d'Isseltein, uno dei medesimi officiali Olandesi
venuti d'Anversa in nostra compagnia. Et andassimo
seco a spasso per la Bitty , et a vedere per curiosity uno
di quei postriboli 1), ove concorrono gli uomini e le donne.
V'e un concerto d'instrumenti per trattenimento dell'assemblea, e corrono dall'una mano all'altra continuamente
i bicchieri et it tabacco.
1677 December 9.
A di 9 detto Giovedi. Andassimo a casa del signor
Gioacchino Guasconi e del signor Guglielmo Bleau , ma
indarno. Lasciassimo perO in quella dell'ultimo una lettera del signor conte Filiberto Villani nostro cognato ,
che conosceva quel signore, avendolo alloggiato in sua
casa nel passaggio ch'egli fete anni sono per Bologna.
Fussimo poi dal signor Elzeivir libraro, e ci provedessimo
d'alcuni libri , e poi andassimo a comperare alcune carte
1) De veelvermelde „musico's."
1. 10
EENE ITALIAANSCHE 'RElkIESCIIRLTVING
geografiche. In appresso ci ritirassimo all'albergo per
veder partire it sudetto signor barone d'Isselstein , ally
bong del quale ci professiamo al maggior segno tenuti.
Egli e gentiluomo suddito del marchese di Brandemburgo , e da S. A. C. ha ottenuto l'abito di Malta ; gli'
altri due officiali et it P. Recoletto erano partiti sin dal
giorno avanti. NevicO in tutto questo giorno , Si che
caminare ci fu impedito. Andassimo a comprare del
panno per un vestito per servizio de lo cavaliere (?) e venue
con not it signor Da Verazzano , in casa del quale serivessimo in quella sera a Bologna et a Nimega. Continuava it tempo pessimo , e perciO ci ritirassimo di buon
ora all'albergo.
1677 December 10.
A dl X Venerdl. Il signor Guglielmo Bleau con un
suo cognato (?) fu a favorirci al nostro albergo e tutti
due volsero accompagnarci in quella mattina, andando
not a vedere alcune cose curiose della citta. La casa
degli orfanelli tra tutti ii luoghi pii e la pill commoda
e la OA bella ; parte di quest'edifizio e moderno e di
ben inteso dissegno. Li refettorii sono capaci , li dormitorii puliti ne mancano altre commodit y per li poveri
che vi si ricoverano. I figli piii grandi stanno separati
dai pill piccioli , e le femine dagli uni e dagli altri
similmente sono divise. Tutti vestono un abito , la meta
del quale e di color rosso , e l'altra di color turchino.
Saranno in circa 800 ognuno lavora , e prima che passino al travaglio in luoghi destinati a quest'effetto, studiano a leggere e scrivere. I fanciulli grandi escono di
casa e vanno alle botteghe ad apprendere it mestiere
che torna lore pill in acconcio le stanze dei superiori e
superiore di questo luogo sono d'ammirabile pulizia , et i
custodi godono anche essi una buon'abitazione. Fussimo
nella cucina e ci vedessimo un buon preparamento per it
pranzo de' poveri , che postisi a tavola fecero molto bene
it loro dovere.
Il Beguinaggio a un picciolo recinto , che contiene
diverse case per l'abitazione di alcune donne , quali
(come s'e detto in altro luogo) vivono ritirate dal mondo
Mit NED1RLAI1DEN (1
671--1678).
111
in conformity di quelle si vedono in Fiandra. Nell'ingresso di questo chiostro vie un tempio , che e occupato
dagli Inglesi presbiteriani; ma penetrati noi piu a dentro ,
fussimo ripieni di consolatione in sentire che tutte quelle
donne erano cattoliche. Entrassimo nella casa del prete ,
che ha la direttione delle loro anime e che in questa
citth fa l'uffizio di vicario di Mons. vescovo di Castorea I),
commissario apostolico in Olanda , e vi vedessimo una
capella molto ornata , e decentemente tenuta. Quivi si
celebra la S. Messa giornalmente e con tutta sicurezza
si somministrano li SS. Sagramenti ai Cattolici.
In un altro edifizio publico , che none molto considederabile , si ricoverano i vecchi dell'uno e dell'altro sesso.
Consiste questa casa in un chiostro , all'intorno del quale
vi sono molte stanze ; la meta serve per le donne , e
l'altra per gli uomini , che cohabitano ai due a due.
Vedessimo ii refettorio e cucina , e si come quello era
pulito cosi nell'altro vi era una buona provisione.
Il Rasphuis 2), luogo propriamente , dove si racchiudono i discoli e appresso queste genti , come da noi la
galera. L'abitazione a misera e li condannati vi soffrono al maggior segno. A quests misers consegnasi giornalmente una certa quantit y di legno durissimo da segare
e da ridurre in polvere se adempiscono interamente al
lavoro , fanno it loro debito , e se non vi sodisfanno ,
bastone et it digiuno li gastiga. Nel cortile ci e una
colonna ; a questa si attaccano quelle genti , e poi spietatamente sono battuti. In una tavola appesa al muro vi
Sono alcune mani , crocciole et altri bastoni ; e ricercando
noi coca significasse quella mostra curiosa , ci fu risposto
essere quegli instrumenti la memoria di miracoli , che
arrivano qui dentro ; poiche i furbi condannati , molte
volte fingendosi stroppiati et inabili, sono guariti felicissimamente con la medicina del solo bastone. Le stanze,
ove costoro lavorano , sono oscure et orride, ed essi travagliano spogliati. In alcune stanze ritirate e che non
1) J. van Neercassel.
2) Hs, Raspig.
i 12
EENE IPALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
si mostrano , stanno i figliuoli disobbedienti et altri rei
di condizione non ordinaria , ai quali perb si da' la liberta,
quando piace ai parenti o ai superiori ; tutti gli altri 6
forza che finischino it tempo delle loro condanne.
L'alloggiamento dei signori 1) e un'osteria grande fabricata a spese della citta, per alloggiarvi i principi e gli
ambasciatori a publiche spese. Il signor principe d'Oranges
vi va ordinariamente , e la citta ne cava un affitto di 4
mila lire di pronta moneta l'anno. La casa e commoda
e grande , ma non vi trovassimo coca di straordinario ,
ma bensi pulizia grande e buoni mobili.
Il Grand' Ospitale merita d'esser veduto. Le donne ,
gli uomini et i feriti stanno in sale separate , che sono
lunghe e assai capaci. I letti sono puliti, e le biancherie
sottili. V'e un gran tempio per l'uso delle loro prediche , et in una loggia lunga , che risponde sopra un
canale , sono disposte l'officine , come la speziaria et
altre , per it servizio degl'infermi. La cucina e grande,
et in quella mattina si preparava per gli ammalati del
pesce , del quale y e n'era una provisione molto considerevole.
Tutti questi luoghi pii sono mantenuti della citta, che
supplisce col proprio alle spese , per le quali non sono
sufficienti le rendite particolari de'luoghi. Questo ospedale e quello degli orfanelli sono ricchissimi , e delle
rendite , ch'avvanzano , se ne fa parte ai poveri.
Fussimo a vedere in un magazzeno vicino alla piazza
una quantity d'armarii, scrigni, tavole et altre cose simili,
fatte tutte di legni preziosi delle Indie. Si fa la raddunanza di quasi tutte le sorti di manifatture e che richiedono molto sito in luoghi particolari, a causa della strettezza
delle case; laonde chi porta la robba in questi luoghi la
fa notare in un libro col prezzo , e chi la vuol comprare
negozia non col padrone , ma con chi ha la custodia di
simili magazzeni , che sono curiosi da vedere.
Il dopopranzo piovi gagliardamente. II suddetto signor
Bleau fu da noi, et andassimo a vedere in alcuna botteghe
'1) Ilet Prinsenhof.
DER NEDERLANDEN
(1671-1678).
113
di mercanti drappi molto ricchi. La sera fussimo in Casa
dello stesso signor Bleau sino alle 16 ore , e poi passassima dal signor Gioacchino Guasconi, che ci pagO alcuni
denari.
1677 December 11.
A dl XI detto Sabato. Sentissimo la S. Messa nella
capella del Baguinaggio , et entrandovi , quelle devote
donne salmeggiavano , e terminate le ore , si disse la
Messa. Andassimo alla libreria del ca y. Daniele Elzeivir,
e pigliassimo alcuni libri. In appresso col signor Bleau
fussimo all'Arsenale dell'Ammiragliato , et a quello della
Compagnia delle Indie. L'uno e l'altro 6 situato alla
ripa del mare non lontano dalla porta , che conduce a
Naerden. Il quale e un edifizio di forma quadrata ; al
di dentro vi e un cortile intorno al quale vi sang le
loggie ed i magazzeni , che s'innalzano a tre ordini uno
sopra l'altro. Qui in queste vaste sale si vedono ordina-tamente tutti gli attrezzi necessari per armare si di vele
come di canapi , ancore e d'ogni altra Cosa opportuna
per una numerosa armata di poderosi vascelli. In alcuni
armarii mostrasi una corrispondente quantit y di pistols,
spade , moschetti e d'altre armi proprie per armare le
soldatesche, et i marinari. Nei sotterranei si vedono le
botti per l'acque delle navi , le palle et altre munizioni
da guerra. Nella pia alta parte dell'edificio si conserva
l'acqua piovana in certi condotti di piombo , per ovviare
agli incendi , per estinguere i quali in luogo appartato
stanno i secchii et altre cose opportune a quest'effetto.
La fabrica tutta e di pietra cotta , et e circondata da
un profondo fosso pieno d'acqua del mare , e vi si entra
per alcuni ponti levatori da 3 parti , e per i medesimi
si va all'arsenale , che posto da un lato in ripa al mare
serve di commodit y e di ricovero agli operarij et agli
officiali, che vi lavorano. In un lunghissimo e ben aggiustato ordine di fabriche sono disposte le officine, nelle
quali lavorano quotidianamente da 500 persone ; la strada,
che separa l'edifizio dal mare , e lastricata di pietra et
ornata d'alberi. I vascelli in numero indicibile si mirano
in confuso in quells vasta spiaggia e sono si grandi per
I3ijdr. en Meded. XXXVI.
8
114
EENt ITALIAANSCHE REISBESCHRIMAt
la mole e si belli per it lavoro , che d'un si bell'oggetto
ne gode straordinariamente la pit fina curiosita. I pezzi
di cannone stanno su la ripa e non si muovono , se non
quando i vascelli sono pronti alla vela et al partire.
Quest'arsenale e al maggior segno superbo , tanto e provisto d'ogni sorta d'attrezzi necessarii all'armamento di
qualsisia numerosa armata.
L'altro arsenale , che spetta alla Compagnia delle
Indie , e un edifizio di pietra cotta luogo si , ma non
largo nei fianchi. S'innalza a 5 ordini di finestre , et al
di dentro non si veggono che vasti magazzeni , pieni di
merci preziose dell'Indie e degli equipaggi necessart per
armare e provedere i vascelli , che in buon numero sono
sotto la direzione dei mercanti interessati in questo gran
traffic° dell' Oceano. Le officine sono staccate e su la
ripa del mare comodamente disposte. Conforme it bisogno
pit o meno gente vi lavora , et adesso si contano da
500 operarii. Non si pub dire quale sia la ricchezza di
questa Compagnia ; bastera solo l'accennare , che ad essa
tocca l'eleggere i generali et ordinare le flotte di guerra
e disporre tutto ci6 concerne al politico , et al negozio
dell' Indie. Oggidl non sono in questi arsenali molti
vascelli, perchê in grosso numero si trovano alle Indie
e nel Mediterraneo, per opporsi in ogni luogo ai tentativi
dei Francesi et a quei re , che contrastano gli avantaggi
agli Olandesi di la dall' Oceano.
E curiosissima coca vedere le loggie , sotto le quali si
fanno le funi per servizio dei vascelli; esse sono due , e
la maggiore e lunga da 800 piedi.
La Compagnia delle Indie e formata dal numero di
quei mercanti , che hanno parte in si gran traffico ; i
Giudei vi sono a,mmessi , e tre parti di tutto it capitale
spetta a Toro. Ha questo magistrato giurisdizione suprema copra le genti , che sono al soldo della Compagnia
e dei vascelli , che navigano alle Indie, ove pure cornmanda et esigge da quei sudditi i giuramenti che si
prestano alla Republica Olandese. Nella citta vi e un
palazzo per la residenza di tal magistrato , et in esso
sente l'instanze , e risolve gli affari importanti.
Componesi it magistrato dell'Ammiragliato del Mare
DER NEbEilL.A.NDEN (1677-1678).
115
delle Provincie Unite da due deputati di ciascheduna
provincia , i quail con un fiscale giudicano le cause dei
marinari e de' soldati che servono nell'armata marittima.
Da questo magistrato si pagano le genti , s'ordinano li
armamenti dei vascelli , et in citta , in un palazzo a
parte , si danno le necessarie audienze.
Fussimo a vedere le mura della cotta, che tutte di
pietra cotta la circondano. Forma questo vasto recinto
27 bastioni grandi , et al certo si come la fabrica e oltre
ogni credere considerabile , cosi la spesa e pill tosto propria di un monarca , che d'una cotta particolara.
Il dopopranzo risolvessimo improvvisamente di partirci
per Maya, essendo venuto avviso the cola doveva farsi
tra due giorni it suo publico ingresso it signor principe
d'Oranges colla sua sposa. Fussimo a provederci d'alcune
cose necessarie al nostro uso, e poi andassimo dai signori
da Verazzano e Bleau a congedarci e ringraziar loro dei
favori fattici. Fu da not it signor Gioacchino Guasconi ,
e poi la sera venue similmente it signor Bleau , che ci
condusse a vedere una cosa assai ridicolosa : ogni sera ,
ma particolarmente nei giorni di Sabato , nella Chiesa
Maggiore vi e un gran concorso di popolo di ogni sorta ,
che passeggiando per quel gran tempio di tanto in tanto
come stupido sta a sentire la melodia dell'organo , che 6
toccato da uno che non cessa di suonarlo , se non allora
che tutta la gente e uscita. Suonansi diverse arie , e si
come l'organo e ottimo , cosi it suonatore non era de'
mediocri. In quest'organo vi e un registro , che toccato
imita la voce umana , in maniera che pare agli orecchii
di chi sente , che canti un bel concertato coro di diverse
voci. Al suono di quest'aria tutti cessarono di passeggiare , et ognuno attentissimo stava rivolto all'orga.no.
Veduta questa curiosita, , ci ritirassimo all'albergo , al
quale voile accompagnarci it suddetto signor Bleau. Separatici da lui , aggiustassimo le nostre robbe , e risolvessimo di partire per acqua , mentre li canali erano
resi navigabili, avendo ii marinari rotto it ghiaccio.
1677 December 12.
A di 12 detto Domenica. Nella barca ordinaria , che
116
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
parte ogni ora pagandosi 6 soldi per persona , c'ineaminassimo verso Harlem , ove capitassimo su le XI ore
dopo 4 ore di camino. Il tempo era piovoso , e poco si
pote godere della vista della campagna all'intorno. Smontati dalla barca entrassimo in Harlem , cinta porta in
pianura e che gode il vantaggio della miglior aria di
tutta l'Olanda. Eire pit lunga che larga , ed e cinta
d'antiche mura. Viene divisa da molti canali , le rive
dei quali ornate di alberi danno da ogni parte largo
commodo di passeggiare a piedi. Le case all'usanza del
paese Sono basse , ma belle , o vi fiorisce il negotio. Di
due core singolari si vanta questa cinta; una, 6, che in
essa s'inventO la stampa, onore contrastato gli da Magonza,
e l'altra , che la rende famosa in tutti i secoli , e la
vigorosa resistenza , che fece nell'anno 1572 a' Spagnoli ,
che l'assediarono sotto il duca d'Alba , generale in quei
tempi de'Paesi Bassi.
La gran chiesa magnifica per la grandezza e per la,
struttura 6 a 3 navi di dissegno gothic° ; e not entrassimo in essa in tempo che si suonava l'organo , e vedessimo passeggiarvi la gente , che dopo la predica godeva
di questo trattenimento et attendeva l'ora, del pranzo.
Vicino a questo tempio vi e la Casa della cinta, che non
e considerabile. Sopra la porta di essa vi e una ringhiera
quadrata, e sostenuta da 4 colonne ; e dicono , che ivi
si faccia giustizia. La citta, e populata , ricca e molto
pulita. La sua birra e famosa per tutta l'Olanda; cosi
le tele , che qui si fabricano , passano per le pill fini e
per le migliori di tutto il paese. Fuori della citta, vi 6
un bel bosco , cosi la campagna all'intorno e deliziosa.
Verso una ora dopo il mezzogiorno c'imbarcassimo per
Leyden copra la barca ordinaria , e pagassimo 18 soldi
per persona , e vi giungessimo con prospero viaggio.
Entrati in Leyden vedessimo portare un morto alla sepoltura. Ii cadavere era chiuso in una cassa , che coperta
d'un lungo panno nero era portata da otto persone vestite
a bruno ; in appresso seguivano i parenti del morto vestiti
di nero, e ciascheduno di essi era accompagnato da uno,
che per l'ordinario 6 del numero dei parenti , o degli
amici Oil cari ; dopo questi seguiva una lunga fila di
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
117
persone a due a due, che poi lasciato il cadavere accompagnano i parenti del morto a casa , ove tutti bevono in
fine allegramente.
Confermato l'avviso , die it signor principe d'Oranges
facesse nel giorno seguente la solenne sua entrata nell'
Haya , e gia, che il batten° di Leyden non partiva in
quella sera , risolvessimo di prendere la commodith, di
una carretta, che con altri passeggeri partiva per l'Haya
in quell'istante. Ci convenne pagare 3 lire e 4 soldi
per not e per le nostre robbe , et in buona compagnia
facessimo il viaggio. Capitassimo nell'Haya su le 2 ore
della notte e con fatica trovassimo commodita, d'alloggio ,
essendo l'osterie piene per quantita, di forestieri accorsi
per vedere il suddetto ingress°.
1677 December 13.
A di 13 detto Lunedi. Andassimo a casa del signor
cavaliere ..... 1) , ministro di Sua Maesta Cesarea per
dargli una lettera , della quale ci aveva favorito il signor
conte Caprara in Brusselles. E non trovatolo in casa,
passassimo a sentire la Messa nella capella del ministro
di Spagna D. Emanuele Lyra.
La chiesa maggiore e all'antica a tre navi con soffitto
di legno, et il restante del tempio e senz'alcun ornamento
in conformita, dell'uso della setta dei Caivinisti, nel luogo,
ove era altre volte l'altare maggiore , sta innalzato il
sepolcro dell'ammiraglio Opdam , la di cui statua vestita
d'armi , sotto un nicchio sostenuto da 4 colonne , sta in
piedi. Al di dietro s'innalza sopra un globo mondiale
la fama , e dalle parti vengono da due angeli sostenute
l'armi gentilizie di detto generale. Nel pit" alto fastigio
del nicchio vi e un nobile trofeo d'armi , e nei lati delle
suddette 4 colonne vi sono altrettante statue , che rappresentano le virtu pit eccellenti del morto. Il deposito
e fatto a spesa degli Stati Generali delle Provincie Unite,
ed e Bello, essendo tutta la mole di marmi colorati
e fini.
1) De naarn is opengelaten; bedoeld is: vrijheer Von Lisola.
118
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
Passeggiassimo lungo it gran canale e vedessimo un
tempio fabricato non Bono molti anni 1). Egli e rotondo
e vago , et it soffitto di legno s'innalza in forma di cupola ; al di dentro non vi 6 ornamento alcuno , et al di
fuori e bello per l'architettura che e moderna. LI Ticino
in una barca ci mostrarono una tigre , un istrice et un
uccello che non ha ne penne , nê ali. La prima era
giovine e mansuetissima , it 2° stava in una cassa di
legno , et it 3° si lasciava toccare it pelo , che e simile
a quello d'un cignale.
Per le strade vi era grand'affluenza di gente , e si
preparavano le macchine per li fuochi e gli archi per
l'entrata delle Loro AA. Fussimo a comprare alcuni
libri alla gran sala di corte, e di 11 alla Casa della citta,
che non ha in se cosa di rimarco.
Il dopopranzo uscissimo dalla citta , gib, che differivasi
al giorno seguente l'entrata del suddetto signor principe,
et andassimo al bosco contiguo , e lontano piii di un
miglio vedessimo la casa di delizie 2) della fu principessa
madre dell'odierno signor principe d'Oranges. Tra it folto
di questo bosco s'innalza it palazzo , che benche non sia
grande , e pub magnifico. Egli 6 quadrato e consiste in
una gran sala, all'intorno della quale vi sono due appartamenti , che al di fuori coi loro risalti formano 4 padiglioni, o vogliamo dire torri quadrate, che rendono l'edificio motto galante. Vi si entra per una scalinata doppia,
et ii primo ingresso lastricato di marmo e nobilitato da
4 statue di marmo bianco alte al naturale , che rappresentano altrettanti principi della Casa d'Oranges. Vi e
poi una Scala doppia in faccia , che porta agli appartamenti superiori e lascia libero l'ingresso nella gran
sala ; e benche quells sia di legno , e vaga, e l'appoggio
e sostenuto da alcuni puttini, che fanno una vista bizzarra. Li due appartamenti nobili consistono in 3 stanze
et in un gabinetto per ciascheduno ; le due prime erano
prive d'ogni ornamento di tappezzeria , e l'altre erano
1) De Nieuwe Kerk . gebouwd 1649-1655.
2) Het Huis ten Bosch.
DER NEDERL AN DEN ( 1
6 7 7--1 67 8).
119
tutte coperte di legno lavorato a' pilastrate et a' cornici , tra le quali in una vi sono i ritratti dei principi e principesse d'Oranges , e nell'altra alcune pitture
rappresentanti diverse virtu; una delle quali veniva figurata nel ritratto della morta principessa. Questa stanza
e ornata con colori oscuri, essendo fatta per la vedovanza
di quella signora ; l'oro poi che vi 6 in quantit y , fa
spiccarta mirabilmente. Il gabinetto contiguo e nobile e
magnifico , essendo tutto coperto di legno della China e
dipinto . alla foggia di quel paese, ne vi mama, la madreperla che lo rende interamente sontuoso. L'altro gabinetto serviva d'oratorio ; et anch'esso e bello per l'oro e
per le pitture. La gran Sala s'innalza in cuppola , all'intorno della quale vi e una ringhiera tutta. dorata ; it
restante e coperto di quadri , e dove mancano questi ,
Toro posto in opera con profusione riempie ogni vano.
Il pavimento e di legni preziosi ; e ciO che nella parte
inferiore della stanza non e dipinto , e coperto di marmi
bianchi. Il palazzo riguarda in un gran giardino per la
parte di dietro , che 6 distinto in pill compartimenti
quadrati di fiori ; nel mezzo vi sono 4 statue di pietra ,
e dalle bande per due scale si va ad altretanti padiglioni
di verdura. Nel resto non visono ne acque , ne statue;
ci mostrarono alcuni agrumi , che benche piccioli , sono
di molto pregio in queste parti. Il giardino e cinto di
mura, et all'intorno ha un largo fosso d'acqua. L'ingresso
della, villa e delizioso per gli alberi ben disposti ; e di
qua e di la del detto palazzo vi sono due case uniformi,
che servono per la commodit y dei giardinieri e per li
custodi di questo luogo delizioso. Ritornati in citta ,
fussimo a casa del suddetto ministro imperiale et a casa
di monsieur de Liniele (Lintelo ?), maggiore delle guardie
di S. A. , per it quale avevamo una lettera di Mr. d'Isselstein. Non trovassimo perO ne l'uno ne l'altro , e cosi
non li cercassimo Oil.
1677 December 14.
A di 14 detto Martedi. Nel far del giorno da ogni
parte li tamburri e le trombe si fecero sentire. L'infanteria e cavalleria delle guardie di S. A. si posero in
120
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
ordinanza , e li cittadini presero anch'essi le armi per
onorare l'ingresso dei Serenissimi sposi. Nella piazza
avanti la Corte si squadronarono i borgesi , et in altri
siti commodi fece lo stesso it restante delle milizie. Verso
it mezzo giorno tutta la gente marciO ai posti destinati;
6 compagnie di cavalleria del numero delle guardie di
S. A. uscirono fuora ad incontrarlo , e lo stesso fece la
compagnia delle guardie del corpo. I borgesi distinti in
12 insegne si stesero in ala di qua e di la della strada ,
per la quale dovevano passare i principi. Vicino al
palazza stava squadronato it reggimento delle guardie
d'infanteria , che stendeva le numerose sue file sine alla
porta di Corte. Fu bella cosa it vedere in quella mattina
le strade piene di popolo , l'affluenza dei forestieri e la
lindura dei soldati. S'innalzavano per le strade due archi
coperti di verdura , e quello avanti la Casa civica aveva
nella pit alta parte dipinto in un gran quadro 11 simbolo
della fede matrimoniale , e pit a basso stavano l'armi
de'sposi con queste parole : „Auriacis his thalamis Batavis
dos regia pax sit".
In una piazza vicina a Corte vi era sotto un coperto
di legno un bue intern, che arrostivasi; un grosso trave
lo passava dally testa alla coda , e per mezzo di due
ruote mosse da altretanti uomini giravasi lentamente
questo spiedo. All'intorno di questa bestia era in diversi
spiedi infilata quantit y di eacciaggione e di polli , che
nell'istesso tempo s'arrostivano. Quando fu acceso it fuoco,
cominciossi ad introdurre la gente per vedere questa
bella curiosity , che costava a ciascheduno due soldi.
Tanto e tale fu it concorso in questo giorno , che ii
padroni del bue ne cavarono 600 lire di questa moneta ;
ed arrostita che sia quella bestia si vende ad un prezzo
maggiore dell'ordinario. E non e credibile quanto facilmente si esiti quella came.
Fussimo a sentire la S. Messa nella capella del signor
residente di Spagna. E vedute marciare a' loro posti le
milizie, andassimo a pranzo ; dopo it quale usciti , non
ostante la densa pioggia , fussimo a vedere l'ingresso
delle lore AA.
Queste comparvero su le 3 ore dope ii mezzo giorno ,
DER NEDERLANDEN (1677
—1678).
121
et it concorso del popolo era grande. Le finestre erano
ornate di belle donne si del paese come straniere , concorsevi da tutte le circonvicine provincie ; questi oggetti
rendevano meno noiosa la tardanza della comparsa dei
principi , che furono ricevuti nell'ingresso della citta con
lo sparo di 40 pezzi di cannone. Le milizie erano con
le armi alla mano in spalliera di qua e di la , e cosi it
reggimento delle guardie a piedi. Comparve in prima
luogo una truppa numerosa di domestici di S. A. a cavallo; in appresso vennero li paggi et altri gentiluomini
della Casa, e molti cavalli a mano e riccamente bardati.
Venivano poi in due carrozze a sei cavalli diversi officiali
del signor principe , e dopo questi marciava la compagnia
di Svizzeri coll'allabarde , e vestiti di panno col mantello
trinato Won), e coil loro berrettoni di velluto in capo ,
it tutto di color violetto. Seguivano altri cavalieri di
S. A. pomposamente aggiustati , e poi in una carrozza a
sei cavalli superbi venivano le loro Altezze in compagnia
di due dame e di due cavalieri. In appresso caminavano
altre 4 carrozze , triate da sei cavalli , piene di nobili e
di dame. Li colonnelli delle guardie et altri officiali
primarii di Corte erano a cavallo intorno alla carrozza
delle loro AA.; e dopo tutte le carrozze la compagnia
delle guardie del corpo con le casacche rosse , tutte trinate d'oro , e 6 altre compagnie di cavalleria , i soldati
delle quali erano vestiti di color violetto. Quando li
principi entrarono in palazzo , furono nuovamente salutati
con lo sparo di tutti i cannoni ; et i reggimenti tanto di
cavalleria , quanta d'infanteria si posero in squadrone ;
questi in quel sito che riguarda copra lo stagno , che
bagna da un lato ii palazzo di Corte, e l'altro nella piazza
grande avanti la stessa Corte. Qui in bellissimo ordine
salutarono li sposi con un triplicato sparo delle loro armi
da fuoco , altretante volte si senti rimbombare it cannone.
E terminato questo primo saluto , marciarono avanti it
palazzo li borgesi , i quali per lo spazio di ben due ore
non fecero che dar segno del loro giubilo con un continuato sparare di tutta la loro moschetteria. Intanto li
Deputati delli Stati Generali , i Consigli, et ii magistrato
della citta complimentarono le loro AA., e le ricevettero
122
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
alla porta del palazzo della Corte. Accompagnati poi
alli loro appartamenti , ciascheduno di essi con nobile
complimento testificarono ai principi it loro giubilo et it
desiderio che avevano , che li presenti sponsali fussero
accompagnati da continua felicita. Sbrigati questi complimenti , le loro AA. si posero alle finestre , che guardavano sullo stagno , per godere della vista dei fuochi di
gioia. Dall'una e dall'altra sponda dello stagno erano in
lungo e triplicato ordine disposti molti botti ; nel mezzo
vi era una machina d'un S. Giorgio , che combatte it
drago , e 11 vicino stava it Leone Belgio con un'altra
macchina rappresentante un cavallo ; pit indietro vi era
un giardino , che ornato di vasi e d'alberi terminava in
una bella prospettiva , in cui illuminate si vedevano
l'armi d'Inghilterra e d'Oranges , e nella parte superiore
ardevano le cifre dei nomi de' sposi. Il cannone diede
it principio della festa ; in appresso s'accesero le botti ,
che ancora disposte per tutta la citta arsero nello
stesso tempo ; le macchine s'accesero e giocarono per lo
spazio di due ore con fuochi molto belli e con in venzione
bizzarra. Cessato it fuoco avanti it palazzo , si giro la
citta , ch'era tutta illuminata , e si godeva nello stesso
tempo della bella vista che questa faceva , e della molta
frequenza del popolo oltre ogni credere festante. Avanti
it nostro albergo it signor conte, di N assau fece un vago
artifizio di fuoco ; e dopo cena celebre l'arrivo dei Serenissimi sposi it signor Conte d'Horno , generale dello
guardie del signor principe , con un nobile artifizio di
fuoco e con una sontuosa collatione di confetture alle
dame Inglesi della signora principessa, che a quest'effetto
si erano trasportate alla Casa del suddetto signore.
1677 December 15.
A di 1 5 detto IVIercordi. Fussimo a vedere it palazzo,
nel quale dimorava la principessa vedova d'Oranges , zia
dell'odierno principe. Consiste quello in una fabrics
moderna , e l'ingresso e nobile , consistendo in un cortile
serrato , alli due lati del quale vi sono due loggie conj.spondenti. Per alcuni gradini di marmo s'entra nel
palazzo, la parte superiore del quale consiste in alcuni
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
123
appartamenti , li due maggiori dei quali vanno a terminare in altretante gallerie , che sono lunghe e belle.
Nella camera , ove more la suddetta principessa , vi e
una sontuosa alcova tutta dorata, e pendono dalle pareti
arazzi superbi e picture magnifiche. Vicini alla stessa
stanza si vedono due gabinetti , che oggidl privi dei loro
abbellimenti non hanno di curioso che la struttura che e
molto galante. Il piii considerabile di questo palazzo e
la sala , che sontuosa nella struttura e illuminata , vaga
et alta ; it di lei soffitto e di legno fatto in volte e spicca
per la pompa dell' oro. La parte inferiore dell'edifizio
contiene altri appartamenti , pill tosto commodi che bells;
e l'ingresso maggiore termina in un largo cortile , che
s'unisce ad un parco molto bello, che da un lato ha un
giardino superbo , sul quale risponde ii pill nobile degli
appartamenti.
La Corte 6 un grande edifizio , fabricato in un'isola ,
che da tre parti ha un profondo fosso pieno d'acqua , e
dall'altra it sopradetto delizioso stagno. Il dissegno e
antico , ed it cortile al di dentro ha da due parti solamente li portici , che sono assai bassi e che non hanno
alcuna proporzione d'architettura. La scala , per la quale
si va agli appartamenti , residenza del principe di Oranges,
e mal situata , oltre che e composta di legno. Gli appartamenti sono edificati piii al commodo che alla pompa,
la quale non spicca che nelle tappezzerie e negli ornamenti di pitture , de' specchi e degli argenti che vi si
vedono. Questo palazzo era la casa dei coati d'Olanda ,
e poi dei successori. Ritornati nel cortile e saliti una
scala, entrassimo in una Sala antics , che altre volte forse
servendo d'ingresso a tutta questa Corte , oggi da ricetto
ad alcuni librari, et ad altri bottegai che vendono galanterie diverse. Dal soffitto pendono infinite bandiere ,
che tolte a' Spagnoli nelle guerre passate servono di
testimonio della costanza , e valore , con che queste provincie sostennero la rivolta e fondarono la presente loro
liberta. Li contigua si vede la Camera della Giustizia
et altre stanze, che servono per le raddunanze di diversi
tribunals ; e queste non hanno cos y in loro di considerabile.
124
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
Da un lato si va alla gran sala , nella quale si raddunano gli Stati Generali delle 7 Provincie Unite. Questa
e quadrata et ha it soffitto in volte di legno dorato ; it
pavimento e di finissimi marmi ; li cornicioni sono dorati ,
e due gran camini per it foco , ornati di marmo , abbelliscono i due lati , dove non sono le finestre. Sopra li
medesimi camini vi sono due nobili pitture , una delle
quail rappresenta la pace , e l'altra la guerra. E pendono da i inuri sontuosissimi arrazzi , nei quale pompeggia mirabilmente it dissegno , la finezza del lavoro e Toro.
Uno dei lati riguarda lo stagno ; e si communica da
questa parte un gran lume alla sala , in mezzo della
quale e rinchiusa dentro un cancello di legno intagliato
finamente la residenza , o per dir meglio it tribunale dei
Deputati degli Stati Generali. I loro luoghi stanno disposti come nel qui sotto abbozzo di linee , avvertendo
the in ciascheduna sedia v'e un cuscino di saia coll'armi
della Republica ; ed in quella , ove siede it signor principe
d'Oranges , ye n'e uno di velluto paonazzo , con l'armi di
S. A. ; e la stessa sedia 6 a bracci e tutta coperta di
velluto dello stesso colore.
E.
D.
E.
C.
G.
P.
C.
DER NEDERLANDEN
(1 67 7 —1 7 8).
15
A. Il signor principe d'Oranges , in una sedia di velinto a braccio.
B. Il pensionario, in una sedia d'appoggio senza
braccia di saia verde.
C. I Deputati nobili, che entrano nell'assemblea e
siedono in una sedia d'appoggio senza braccia di saia
verde.
D. Presidente dell'Assemblea, che siede in una sedia
d'appoggio senza braccia similmente di saia verde.
E. Luoghi de' Deputati delle Provincie , che siedono
come sopra ; et i cuscini che sono copra le loro sedie ,
sono di saia verde.
F. Ingresso dell'assemblea.
G. Tavola , che sta nel mezzo dell'asemblea coperta di
saia verde.
Vedute le suddette core, andassimo all'anticarnera del
signor principe , quale era numerosa di cavalieri e d'officiali. Nel cortile vigilano alla guardia di S. A. due
compagnie del reggimento delle sue guardie a piedi, e
la porta della Corte, nella quale s'entra per un ponte ,
viene continuamente guardata da due soldati a cavallo
che fanno la sentinella sempre a cavallo e colla
spada nuda alla mano. Non lontano v'e it corpo di
guardia della cavalleria , ore sta giornalmente una
compagnia di caralli sempre pronta. Nella Sala poi contigua agli appartamenti di S. A. stanno li Svizzeri. In
quella mattina it signor principe non usel ne di casa
ne dalle sue stanze ; riceve alcuni complimenti di persone
di qualita , e sul tardi comparvero i Deputati degli Stati
Generali. Questi si fermarono in anticamera per lungo
spazio; et introdotti* trOrarono S. A. vicino alla porta
della sua stanza. Qui li ricevette e fece loro cortesia
col toccare a ciascheduno la mano. Fatto it complimento
et espresso it bisogno loro per bocca del pensionario , si
partirano ne ebbero da S. A. accompagnamento alcuno.
Venuta l'ora del pranzo , it signor principe passO per
una scala segreta alle stanze della signora principessa , e
tutta la nobilta si portO nell'anticamera di questa. Imbandita la mensa, it signor principe condusse la moglie,
servendola di braccio , nella stanza , ove si dorm pran-
1 6
EENE ITALIAANSCHE 11EISBESCHRIJVING
zare , e loro due soli si posero a tavola. La signora
principessa era nel primo luogo , et it signor principe vi
sedeva a canto ; la vivanda era accompagnata da Svizzeri ,
a la tavola era molto lauta. E. signor principe beve
primo, e gli portarono la birra in un bicchiere non coperto sopra una sotto coppa. La signora principessa beve
del vino , et it suo bicchiere avea it coperchio di cristallo.
Mangiarono le loro AA. in publico , e fu numeroso
concorso del popolo , si che era altretanto faticoso Pentrare , quanta l'uscire da quella stanza. In anticamera
di S. A. vedessimo ii signor conte Vifeld , cavaliere Danese , riverito da not altre volte in Inghilterra , et ivi
pure incontrassimo it signor ca y. Borgherini , che con un
suo fratello va facendo i viaggi piu curiosi d'Europa.
Dall'uno e dagli altri ricevessimo cortesi. E venuta l'ora
del pranzare , andassimo al nostro albergo.
Dopo pranzo . fussimo per riverire li suddetti signori
Borgherini , ma li trovassimo usciti di casa. Andassimo
per vedere it palazzo del signor ca y. principe Maurizio
di Nassau ; ma non potessimo faro , mentre abitato da
dame della signora principessa d'Oranges , non era permesso it mostrarlo. Vedessimo per it giardino ch'e
molto galante. In esso vie una grotta , fatta di rottami
di pietre, che ben connessi assieme fanno una bella
vista ; piit indentro vi sono due uccelliere grandi, in mezzo
di ciascheduna delle quali vie una fontana fatta a grottesco , che serve di ricovero agli uccelli , che bevono
l'acque che cascano fra quei fossi. Nel mezzo vie una
gran pergola , della quale si va in certi ben aggiustati
gabinetti, l'uno dei quali ha le pareti tutte ricoperte di
conchiglie e di specchi. Ci fecero vedere un uccello dell'
Indie simile alla nostra cicogna , it quale e Bello et ha
le piume bianche, et un papagallo di piu colori.
Passeggiassimo in appresso per la citta , che e molto
populata ; e le botteghe de' mercanti sono belle e ricche.
Giunta la sera andassimo a torte in anticamera della
signora principessa, che stava attendendo it complimento
de' Deputati della citta di Rotterdam; questi comparvero
e si trattennero in anticamera. Dopo S. A. si pose sotto
it baldacchino , e ciascheduno di essi se le presentO
MR NEDERL
AMAX (1 67 7-1618).
127
facendole profondissimo inchino , al quale corrispose Madama con uno civile riverenza. Uno di quelli fece B.
complimento in francese , et assai ordinariamente l'espresse ; la signora principessa li ringraziO in francese,
con poche , ma civilissime parole. E cosi quei Deputati
se n'andarono senza formalit y alcuna di accompagnamento.
Con questi uscissimo ancor not e calassimo nell' anticamera del signor principe , quale dopo averli fatti aspettare un buon poco , gli riceve nella sua stanza principale. Il complimento fu breve , e n'uscirono senz'alcun
accompagnamento. Lo stesso stile si praticO con altri
Deputati. E finalmente a quelli dell' Ammiralita d'Olanda , che avevano lungamente aspettato , fu fatta scusa
a nome di S. A. , perche in quella sera non poteva
sentirli.
Si ritornO all' anticamera della signora principessa ,
che tenne la conversatione di dame, come s'usa in Francia , et in Inghilterra , et in Piemonte ; a tutti i cavalieri
era permesso l'ingresso. E S. A. stando sotto it baldacchino riceve i complimenti d'alcune dame. Queste
profondamente riverita S. A. , s'accostavano e s'inchinavano per baciarle it lembo della veste, che avvicinandolo
al labbro venivano impedite dal baciarlo da Madama,
che offerendogli la guancia faceva, loro l'onore d'admetterle al bacio. I cavalieri erano nobilmente vestiti ; e
v'intervenne it signor principe medesimo , che ora con
l'uno , et ora con l'altro cortesemente discorreva.
Usciti di qui col signori Borgherini , andassimo all'albergo per prepararci alla partenza risoluta per la seguente
mattina.
L'Haya de' Conti , se si considera come un villaggio ,
egl'e it pit' bello ed it piii nobile che sia in Europa; se
si reguarda come citth, , non e inferiore a molte delle
piii riguardevoli ; l'uniformita e sontuosita degli edifizii,
la larghezza e bellezza delle strade , i canali e le piazze
deliziose per gli alberi la rendono in tutte le sue parti
insigne. Non v'e recinto di mura , ma d'ogni intorno si
mirano 6 ombrosi boschi, 6 campagne oltre ogni credere
amene , benche non siano fruttifere. Le dune , che in
poca distanza sono sul lido del mare vicino la diffendono
1 8
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
da venti cattivi, ne impediscono ii soffio di quelli , che
piu placidi rendono l'aria delizioza e salubre. Il numero
e nobilta degli abitanti e considerabile , e si come qui
risiede la Corte del signor principe d'Oranges , cosi it
lusso e la magnificenza vi si tollera , benche nel restante
delle Provincie Unite l'uno e l'altra non siano ammesse.
Oltre tante prerogative ha quella di vedere in se ridotta
tutta la 1VIaesta delle Provincie Confederate , poiche in
essa risiedono ii Stati Generali e tutti i magistrati superiors delle Provincie, tutte le corti sovrane della Republica e li consigli principali della provincia d'Olanda ,
che si come 6 la piit ricca e potente , cosi e la piit
celebre fra tutte l'altre.
Le Provincie Confederate che sotto it nome di Stati
Generali delle Provincie Unite si sono rese gloriose e formidabili nel mondo , gettarono le prime basi della loro
potenza e della loro unione Vann° di nostra salute 1579,
in un ' assemblea convocata in Utrecht , e la consolidarono con un trattato , che corroborando la loro ribellione
rese piit formidabile questa nascente Republica. Qui non
ocorre diffondersi in accennare , quali fossero i motivi
delle discordie nei Paesi Bassi , con quale strepito cominciassero i popoli a ribellarsi e con qual furore diffendessero la loro liberta , che publicavano oppressa dall'autorita del re, dal rigore del cardinale di Granvela e della
fierezza del duca d'Alba. In ogni luogo si vedono descritte le tragedie di questa rivolta, e si mirano ancora
presenti ai nostri occhi le sciagure d'uno dei piit floridi
e dei piii stabili paesi dell'Europa 1) Fu in fine astretta la Spagna a concedere a
quei ribelli la liberta , con accressimento di gloria e di
riputazioni di questa republica appresso le maggiori potenze dell'Europa.
Le Sette Provincie Unite hanno (come tutte l'altre del
Paese Basso) in diversi tempi riconosciuto ciascheduna
di esse un principale signore con diversi titoli; cosi al-
4) Nu volgt (pag. 344 —345) een geschiedkundig overzicht van den
opstand, dat zich tot reeds bekende algemeenheden bepaalt.
bER NEDERLANDEN
1299
(1677-1678).
POlanda e Zelanda commandava un conte ; la Gheldria
riconosceva un duca ed Utrecht, Groninghen , l'Overissel
e la Frisia ubidivano a' loro principals signori. Nel progresso del tempo tutte furono ridotte sotto it dominio
della Casa di Borgogna , alla quale poi successe quella
d'Austria. Sin da prinCipio gli Ordini delle Provincie ,
formati dal clero , nobilta e popolo , e che chiamansi Stati ,
ordinavano le cose spettanti al governo ed alla sicurezza
delle provincie. Anticamente erano questi obligati ad
-assistere i loro sovrani in tempo di guerra e di necessity
con le proprie persone , e con somministrare all'armata
ii necessario sostentamento. Cessata la guerra , mancava,
ogni aggravio ; onde godevano questi popoli una quasi
intera libert y . Mutaronsi i dominatori , e si cangiarono i
secoli , in maniera, che sotto Filippo II e sotto it governo di Margherita di Parma cominciarono le rivoluzioni ,
che continuando sotto it duca d'Alva diedero adito all'eresia ed alla perfidia , che nelle provincie pit' settentrionali trionfO , di maniera che perduto it rispetto al
vero Dio ed al proprio re restO stabilita la Republica
delle Provincie Unite. Governava it principe con tal
moderazione , che pareva quasi dipendesse dall'arbitrio
dei sudditi; cosi non si stabiliva guerra, në si risolveva
la pace che non vi concorresse pienamente it consenso
de' Stati, dai quali davasi an cora alI'occorrenza i tutori
ai principi pupilli.
Scosso it giogo della dominazione Spagnola , le Provincie Unite , deposto it clero e li vescovi, bandirono la
religions cattolica , si che li Stati si formarono poi di
soli nobili e delle citta. Ciascheduna provincia e composta di citta, le quali come separate si governano da
loro stesse e da' proprii rnagistrati ; e si come li Stati
delle provincie separatamente non possono risolvere cosa
alcuna , cosi bisogna, che ii consenso universale delle
altre vi concorra , di maniera che tutte le parti unite
formano una suprema autorita , della quale non é capace
alcuna in particolare.
Ha ciascheduna citta un magistrato principale , che
chiamasi Senato , un altro de' Stati della Provincia , et
ii Collegio de' Stati Generali. Il primo e composto di
Bijdr. en Meded. XXXITI.
9
130
EEN ITALIAA.NSCHE REISBESCIIRLTVING
senatori, che sono perpetui. Ogni anno si scelgono i
magistrati , alcuni dei quali portano it titolo di borgomastro , altri quello di scabini, e si cavano 6 dallo stesso
senato , 6 da quei cittadini , che godendo competente
commodity di beni possono applicare ai publici negozii.
11 loro numero non e it medesimo in tutte le citth ,
essendo pill o meno, conforme it bisogno e la grandezza
di esse. I borgomastri assistono all'abondanza , maneggiano it denaro Belle citta , ed hanno cura di tutto ci6 ,
che concerne al mantenimento , al commodo et all'utile.
Li scabini hanno la suprema giudicatura nel eriminale e
nel civile , quando la causa non eccede una certa somma ,
e nelle seconde istanze giudica ii magistrato delli Stati
della provincia. Tutti questi magistrati sono confermati
da' Stati Generali o dal governatore della provincia,
quando vi sia. Anticamente li senatori si elegevano dal
popolo radunato in alcune chiese o ne' mercati ; ma da
molti anni in qua conoscendosi pericolosa una tal raddunanza , si contentarono i popoli di rimettere nel Senato
quest'autorith. E cosi in mancanza d'un senatore viene
dab() stesso Senato nominato it successore , it che suecede con molta quiete e senza che it publico sia sottoposto ad alcuna commozione. I borgomastri , ed i scabini non si mutano tutti nello stesso tempo , essendo
sempre nel magistrato qualche d'uno , che possa informare de' publici negozii quelli , che sono chiamati al
magistrato.
Il Senato non si convoca che per l'elettione de' borgomastri e dei senatori , o per deliberare le propositioni
de' Stati della provincia , o per promulgare qualche legge ,
o decretare qualche impositione necessaria. Li scabini
sono assistiti da un balio , detto scout, the propriamente
e it fiscale appresso di noi , cui spetta l'ovviare ai disordini et a fare istanza , che siano gastigati i rei. Un
jurisconsulto , che chiamasi pensionario , interviene alle
consulte , e si come e informatissimo dei statuti e privilegii della citta , cosi ha l'obligo di stare attento , che a
quelli non venga contrariato nelle risoluzioni ; ed e segretario del senato e del magistrato.
Il magistrato provinciale e composto di un consigliere
DER NEDERLANDEN (1677-1678).
131
di ciascheduna citta della provincia, e si cava dal numero
de' senatori e di quelli che sono stati borgomastri o
scabini. A questo tribunale si da l'appellatione nelle
cause civili dalle sentenze de' scabini , e li suddetti consiglieri sono nominati dal Senate e dal magistrate di
ciascheduna citta. Questo magistrate si raduna 4 volte
l'anno ordinariamente , e piit ancora quando l'importanza
delle cose lo richieda ; al medesimo si presentano le
istanze , e si fanno le propositioni , e da questi si communicano alle citta, dalle quali avutane la risposta s'invia
questa al Collegio de' Stati Generali. Il pensionario
della provincia porta le propositioni esplica i bisogni
publici e forma i decreti.
La nobilth e la prima a discorrere ; in appresso
deputati delle citta conforme la loro precedenza parlano.
Questi sono ad tempus ; e li deputati della nobilta ,
cavati dal solo corpo de' nobili, sono ordinariamente perpetui , confermandosi sempre li medesimi.
Quando questo magistrate si unisce per cause straordinarie , si chiama Consiglio de' Commissarii , ed allora
propriamente put) dirsi it Consiglio de' Stati della provincia. Tutte le citta vi mandano un deputato , e la
nobilta similmente v'invia it suo. Da questa assemblea
si discutono le materie , che poi si communicano a' Stati
Provinciali, da quali se n'attende la risoluzione.
Ciascheduna provincia ha una Camera di conti ; a
questa spetta la riscossione del denaro publico , del quale
poi si servono conforme ne chiede it bisogno. Questa
Camerae composta di persone, che hanno lungamente
servito alla Republica e meritato colla lore fedelta, la
publica stima. Non sono obligati a render conto ai Stati
della provincia , alla semplice richiesta de' quali perb
somministrano tutte quelle somme , the bisognano.
Ohre li suddetti magistrati ye ne sono due ahri ; l'uno
si chiama la Gran Camera di Giustizia, cui presiede
governatore delle provincie , e che formata di 12 consiglieri giudica in grado di appellatione le cause civili e
discusse da' Stati Provinciall. Nel criminate
non si da, appellatione, it che pert) non si concede net
civile, e si appella all'altro magistrato, che Gran Con-
132
EEN JTALIAANSCHE REISBESCHRLITING
siglio si nomina. Le sentenze di questo sotto sovrane e
definitive , in maniera , che le cause giudicate da questo
non si agitano in alcun altro tribunale. In case di revisione poi Stati Provinciali concedono alcune commissioni agli officiali di giustizia di qualche oath , che uniti
ad alcuni consiglieri delli suddetti due magistrati rivedono
la causa.
Non mancano i Consigli di guerra e di Brabante ;
quello risolve le materie militari; e l'altro giudica i sudditi delle città conquistate in quella provincia, affinche
questi , che hanno differenti privileggii e statuti da quelli
delle Provincie Confederate , possino ricevere la giustizia
senza aggravio.
Tutti Ii suddetti magistrati risiedono nell'llaya, e da
essi viene amministrata la giustizia. Le citta conquistate
nella Fiandra hanno ii loro ricorso ad un Consiglio principale che risiede a Middelburgo in Zelanda e che
loro piii commodo per la vicinanza.
Li Stati Generali delle Sette Provincie Unite rappresentano la republica e la maesta del governo. quest'assemblea tocca ii risolvere le guerre , ii formare le leghe ,
ii concludere la pace et imporre le contribuzioni sopra
tutte le provincie avutone dalle citta e da' Stati di ciascheduna provincia ii consenso e l'ordine. Coinponesi
questa di deputati della nobilth e di quelli di ciascheduna
citta delle provincie , e raramente s'unisce , perche la
moltitudine dei convocati non produce che sconcerto e
differenze che riescono dannose alle materie di stato ,
massime quando queste richiedono pronto rimedio.
Altre volte ii Stati suddetti crane convocati dal Consiglio di Stato , al quale interveniva l'ambasciatore inglese net tempo che la regina Elisabetta d'Inghilterra
era confederata con queue provincie. Considerata poi la
somma autorith , che quel Consiglio s'arrogava e che
raramente convocava i Stati Generali , e per non avere
sempre presente ii ministro inglese , risolverono le provincie di formare ii collegio de' deputati de' Stati Generali , che oggidi ancora si riverisce come il direttore del
tutto. Questi sente gli ambasciatori dei principi , risponde loro e rappresentando la Republica , esseguisce
DER NEDERL.A.NDEN (1677-1678).
133
gli ordini delle Provincie Unite e trasmette per modo di
supplica ai magistrati di esse i decreti e le risolutioni
per essere confermate , che approvate prima dai magistrati principali delle citta , sono di nuovo dai Stati
Provinciali rimessi all'assemblea dei deputati de' Stati
Generali , che all'ora forma le costituzioni , e Bono osservate pienamente da tutte le provincie. Nelli trattati poi
delle leghe e delle paci , di continuar la guerra e batter
moneta bisogna consultare tutte le provincie ; e quando
tutte solo d'accordo , all'ora si prendono le risolutioni e
si publicano della suddetta assemblea.
Questo Collegio 6 formato da' deputati delle Sette
Provincie , che ne mandano 6 uno 6 pit, conforme che
loro pia piace , avvertendosi perO , che tutti li deputati
di ciascheduna provincia non formano the un sol voto,
benche siano molti e si mutano ogni tre anni. Li deputati della nobilta, sono perpetui , essendo per lo pia confermati , (come dicessimo), ed anch'essi formano un solo
voto. Il signore principe d'Oranges v'interviene , ed it
segretario , che pensionario si chiama, stende i decreti e
li publica. Presiede nell'assemblea it deputato d'una
provincia ogni settimana , di modo che a ciascheduno
successivamente tocca questo onore , conforme la precedenza delle provincie fra esse constituita.
B. Consiglio di Stato e composto di 12 consiglieri , che
sono deputati delle provincie , alcune delle quali possono
mandarne due o tre. Qui le resoluzioni si pigliano secondo la pluralita dei voti , costituendo ogni persona un
parere a parte. Il governatore delle provincie v'interviene e vi ha voto decisivo ; cosi pure ii tesoriere generale , che pere non ha che voto consultivo. Questo Consiglio esseguisce le risolutioni dei Stati Generali e propone
a questi i mezzi di fare facilmente denari e di levare le
truppe ; sovr'intende alle milizie , alle fortificazioni et alle
contribuzioni dei paesi conquistati , forma le tavole delle
imposizioni , dispone dei denari destinati alle spese straordinarie dai Stati Generali.
La Camera dei conti e stata eretta da 70 anni in qua.
A questa tocca l'essaminare i conti e saldarli a ministri
publici , e registrare l'ordinanze che dal Consiglio di Stato
134
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
vengono spedite. Questa Camera e composta di due
deputati di ciascheduna provincia e si mutano di 3 in
3 anni.
Il Consiglio dell'Ammiralith , cui spetta la disposizione
assoluta della marina , ricevuti i sentimenti de' Stati
Generali circa la qualita delle flotte da armarsi , provvede
li vascelli , li marinari e l'armi necessarie , e maneggia
li denari destinati a questo effetto. Questo Consiglio e
diviso in cinque , tre dei quali risiedono in Olanda nelle
citta di Rotterdam , Amsterdam et Horn, che ha Palternativa con Enckhusen , gli altri due risiedono in Middelburg in Zelanda et in Harlinghen in Frisia. Si formano questi Consigli di deputati delle provincie stesse ,
nelle quali risiedono , e delle vicine , e presiede ai medesime l'ammiraglio. Hanno l'autorita di giudicare li delitti
commessi in mare e li pirati, e tutto ciO che spetta ally
marina. Quando li Stati Generali hanno risoluto l'armamento dei vascelli , se ne spedisce la commissione all'Ammiralita , et all'ora ciascheduno dei Consigli suddetti
piglia la cura di mettere all'ordine ciO gli tocca , elegge
gli officiali della sua squadra , ed assegna gli equipaggi
a ciascheduna nave , circa il mantenimento degli uomini
(si sa?), che si da un tanto per giorno a ciascheduno,
et it denaro va nelle mani dei capitani , ai quali tocca
poi di dare a quelli it necessario sostentamento. Le provisioni dei capitani sono scarse , si ehe ogni uno procura
d'essercitare con essattezza it suo carico , procura avvanzarsi pia presto che pub a posti maggiori e rendersi
ancora benemerito appresso la patria.
II, posto di pensionario d'Olanda e considerabile pia
per Pautorith e per lo credito che per lo stipendio , it
quale e tenuissimo. Questi e dell'ordine dei nobili,
espone a nome della nobilta le cose nel Consiglio de
Stati Provinciali d'Olanda et interviene poi all'Assemblea
dei deputati de' Stati Generali , come deputato perpetuo
della provincia ; it suo posto e vitalizio , benche sia in
obligo di chiederne la confermatione ogni cinque anni.
Ciascheduna provincia spesa i suoi deputati , e la mutatione o continuazione di questi dipende dagli Stati di
ciascheduna provincia in particolare.
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
135
La Republica delle Provincie Unite deve la maggior
parte della propria grandezza alla Casa d'Oranges ed
alla prudenza e valore di Gulielmo principe d'Oranges.
Onde a questi furono concessi molte privilegii confermati
a' discendenti del medesimo , colla reputazione dei quali
si e per lo phi regolata questa Republica. Ii suddetto
principe Gulielmo era governatore d'Olanda e Zelanda sin
sotto l'imperatore Carlo V e Filippo II ; e quando principiO la rivolta , non fu punto minorata la di lui autorita ,
ancorche tutte le marche di suprema potenza passassero
ne' Stati Generaii , ai quali fu riserbata la facolta, della
guerra e della pace , delle leghe e di cavare denari dalle
Provincie Confederate. Al principe perciO restO il governo
delle suddette due provincie , e consegui il posto di ammiraglio generale in mare e di capitano generale in
terra , e di capo della giustizia , come governatore potendo
disporre delle cariche militari , perdonare i delitti ai soldati et eleggere i magistrati delle citta , che sono per
uso inveterato solite a presentargli un certo numero di
persone, delle quali ii principe come governatore n'estrahe chi deve comporre il magistrato. La medesima
autorita, e presentemente appresso i signore principe
d'Oranges, che rappresenta la dignita, dello Stato. Pub
esso eleggere uno delli tre , che dagli Stati li si presentano per le cariche piit grandi, ha una numerosa guardia
di Svizzeri , di cavalleria e d'infanteria , commanda ai
soldati, consulta coi ministri dei principi stranieri , ha la
direzzione degli eserciti e delle armate di terra e di mare,
e risiede nel palazzo degli antichi conti di Olanda.
Sotto il manto di religione nascosero li malcontenti le
loro pessime intenzioni , essercitate apertamente con introdurre una viziosa libert y delle loro conscienze ; e nell'
Unione d'Utrecht le provincie ribellate convennero tra di
loro di molte cose necessarie per lo stabilimento di questa
nuova Confederatione. E nel capitolo , che riguarda la
religione , 6 espresso , che ognuno viverebbe second() la
propria particolare coscienza , e che sarebbe libero l'esereizio d'ogni religione. La necessit y , che aveva il principe d'Oranges di sostenere con le armi la suscitata ribellione , l'obligb a cangiare religione. Et oltre a cis la
1 g 6
HEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
setta di Calvin°, come che questa dilatata grandemente
in Alemagna , Francia , et Inghilterra gli prometteva
validi soccorsi da principi e popoli infetti da eresia ; cost
non gli mancarono i sussidii da tutte le parti, co'quali
col progresso del tempo pote l'unione Belle provincie non
solo resistere agli Spagnoli , ma Tarsi strada anche alla
grandezza presentee Fu perciO da'Stati risoluto , che la,
abbracciata setta di Calvin() fosse la dominante; la magistratura , le cariche sI civili che criminali furono date ai
Calvinisti , escludendone i Cattolici nel 1583 per un
editto de' Stati Generali , in virtu della facolta data loro
nell'Unione di Utrecht di mutare e d'ampliare o restringere quegli articoli , che piu paresse loro fossero necessitati di riforma o di ampliazione. Ordinossi all'ora , che
fusse prohibito in tutte le Sette Provincie l'essercizio di
qualsivoglia religione fuori che della Calvinistica. Si dolsero di quest° editto non solo i Cattolici Romani , ma
ancora tutti gli eretici ; laonde la Republica stime bene
di non opprimere colla forza quelle religioni , che radicate negli animi non potevano svellersi da questi se non
con grande pregiudizio della publica quiete. Cosi in
luoghi segreti furono permessi gli essercizii dell'eresie ,
sin a tanto che cresciuto it numero de' settarii , ciascuno
di essi domandO la licenza d'essercitarle publicamente.
Questa fu loro concessa dai magistrati mediante it pagamento di certa somma di moneta. La Calvinistica pert
e la principale , e dall'uso della stessa sono profanati i
tempii piii belli , che altre volte erano dei Cattolici , la,
sola religione dei quali e l'unico oggetto dell'odio universale degli eretici , in mezzo alla liberta, dei quali geme
sotto it peso di dura schiavitit la nostra yera religione.
L'essercizio di questa non e in alcun modo permesso
publicamente , ed i sacerdoti missionarii ed i Cattolici
non hanno altre chiese che alcune picciole capelle nelle
case de' Oil zelanti fedeli , tollerandosi ciO dai magistrati,
perche con buone somme di contanti, che pagansi dai
Cattolici quasi in tutte le citta, si sazia l'avarizia di
quelli ; e ciO si fa a oggetto di frequentare in luoghi
privati con quiete i S. Sagramenti. Al dispetto dell'empieta non 6 morta affatto in. queste provincie la nostra,
DER NEDERLA.NDEN
(1677-1678).
137
santa fede Apostolica e Romana, et ancora da moltissimi si venera ii santo nome e l'autorita del Capo visibile della Chiesa di Dio. Nella sola provincia d'Olanda
si contano pia di 200 m. Cattolici , e mediante l'essatta cura
de' missionarii e de' sacerdoti la nostra S. fede migliora
di conditione e vede auguinentato ii numero dei seguaci
fedeli. Le genti della campagna sono nella maggior
p arte cattoliche, • e benehe nelle citta i settarii siano numerosi , ad ogni modo non sono pochi i Cattolici , che
soffrono pia che altrove nella Frisia e nella Zelanda.
E impossibile it numerare le molte e diverse religioni ,
che infestano queste provincie , poiche dividendosi quelle
giornalmente tra di loro , ad ogni momento si publicano
nuove dottrine , e s'introducono nuovi riti. Tuttavia si
discorrera d'alcune , principalmente della Arminiana , che
da molto tempo in qua nata dalla Calvinistica tiene (per
cosi dire) diviso in fazzione it popolo. Nel tempo , che
si riposO lo Stato dalla lunga guerra mediante la tregua
accordata per 12 anni colla Spagna , si disunirono dai
ealvinisti alcuni dottori , the seguaci d'Arminio cominciarono a sostenere alcune propositioni contrarie al sentimento degli altri. Tra le molte si fermarono le difficulty sopra cinque punti , e tra questi it principale e
quello che riguarda la predestinatione. I Calvinisti , protetti dalla Casa d'Oranges , furono accusati dagli altri
come desiderosi di mutare lo stato delle cose e di sottometterle alla sovranita di questa Casa; cosi gli Arminiani , sostenuti da molti uomini illustri e dal pensionario
Barnevelt , si protestarono acerrimi difensori della publics liberty . Grandi furono le discordie e le contese, a
segno che si preparavano le armi da ogni parte per la
propria difesa. Finalmente coll'autorita de' Stati Generali
si convocO un Sinodo a Dortrecht, dal quale fu pia tosto
sopito che estinto questo fuoco , che restO vivo sotto le
ceneri per la morte di Barnevelt, che perde miseramente
la vita per le mani del carnefice , per la mutatione dei
magistrati e per la prigionia di molti principali , tra'
quali rei fu it famoso Ugo Grotius , che salvossi colla
fuga dal castello di Lowenstein , passb in Svezia e che
poi fu ambasciatore in Francia. Questa persecutione non
138
EEN IT.A.LIAANSCHE REISBESCHRIJVING
fete che inasprire gli animi degli Arminiani, poiche non
quietando essi bisogn6 conceder loro de' tempii publici
per it loro proprio essercizio , che si distinse da quello
dei Calvinisti. Tra queste due sette continua pia che
mai l'odio , e siecome i Calvinisti vengono protetti tuttavia dal principe d'Oranges , cosi gli altri procurono di
abbattere la potenza di quelli. Ed in questa forma divisa
si pile dire la Republica , la quale col tempo correra un
grande rischio , che puO essere non disgiunto della sua
totale rovina.
I Lutherani hanno i loro tempii publici; cosi gli Anabatiste, che sono dell'infima gente ed inutili alla Republica , penile non possono essercitare le magistrature ne
portare armi. A questi si aggiungono gli Indipendenti ,
i Sosiniani , gli Arriani et i Quacqueri, cive Tremolanti,
et altri , de' quali sarebbe noiosa ed inutile l'intiera enumerazione. Gli Ebrei hanno palesemente in Amsterdam
sontuose sinagoghe e possono possedere terreni , e case,
come anche conseguire la cittadinanza.
Le publiche rendite si cavano dalle contribuzioni delle
piazze conquistate in Fiandra et in Brabante e dalle impositioni ordinarie e straordinarie , che pagano annualmente le Provincie Confederate. Il Consiglio di Stato
ne forma ogni anno una nota, e questa trasmessa a'
Stati Provinciali si communica alle citta , che pagano
l'imposizione senza contralto. Questa conforme l'opinione
commune ascende a 27 millioni e 400 m. fiorini. Ogni
magistrato di ciascheduna citta, , avuta la tassa della contribuzione , l'essigge nella maniera che giudica piu a
proposito , ed it denaro si rimette nelle mani dei ricevitori degli Stati Generali , e s'impiegano nelle publiche
occorrenze.
Dal gran commercio nascono le ricchezze , e da queste
la facilita, di essiggere le contribuzioni , con le quali si
e da' popoli contribuito allo stabilimento di questo Stato,
che mantiene sempre a publica diffesa un armamento
navale di 50 vascelli da guerra ed un corpo considerabile
di truppe in terra , anche in tempo di pace. Quello serve
per scortare la flotta mercantile e per tenere netti
mad e l'altro s'impiega nei presidii e nelle guardie del
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
139
signore principe d'Oranges. Le spese publiche consistono
nel mantenimento degli ambasciatori a' principi stranieri ,
degli officiali si di mare come di terra, nelle fortificazioni ,
nei presidii , e finalmente in altri bisogni ordinarii e straordinarii regolandosi it tutto esattamente.
II. commercio 6 stato si florid° , che ha reso non solo
commodi gli Olandesi , ma ha portato ii loro Home di lh
dal mare 0 nelle regioni piii nuove. Nell'Indie hanno
stabilito con le loro Colonie un nuovo dominio ed assicurato con piazze fortissime it traffic°, che facto proprio
l'hanno levato alle altre nazioni. La Compagnia delle
Indie Orientali 6 si potente, die cola mantiene numerosa
arrnata di vascelli e di gente , la quale assicurando per
se it traffic° di si remote regioni sforza quelle barbare
nazioni ai trattati et ai tributi , ed astringe gli altri
Europei a ceder loro nel commercio e nella potenza it
primo posto , disputato gli perO ultimamente dai Francesi.
Gli abitanti delle Provincie Unite sono zelantissimi
della liberty , amano it commercio e sono di natura tardi ,
non nascono inventori di cose nuove , ma le imitano cosi
bene, che spesso la copia 6 migliore dell'originale. La
gente ordinaria e che vive alla campagna , e laboriosa,
ma non sollecita , li marinari sono rozzi e brutali. Tutti
Sono dediti al guadagno ed al lucro , e sono talmente
dominati da tal passione , che non vi e fatica o pena,
che non sopportino , quando si tratta di guadagnare.
Sono sobrii nel vitto e si cibano assai di pesce , essendo
a buon mercato, e contentandosi di un poco di bue salato
per vivanda , la migliore , che usino , oltro it latte , 6 it
butirro, col quale s'ingrassano. Sono puntuali, esatti e
franchi. I forestieri , che sono qui portati dalla curiosity,
non ricevono molto buon trattamento degli hosti, e da
quelli che li conducono colle vetture per terra o per
acqua , poiche it minuto popolo e insopportabile e rozzo ,
cosi la gente piu nobile non si communica troppo e vive
assai ritirata , facendo coi nazionali le sue piu grate conversazioni , che terminano in bere , che 6 it piii dolce loro
trattenimento. Gli uomini non sono mal fatti, ma generalmente sono grossi, perche impinguansi di latte , e di
butirro , loro ordinario cibo. La frugalit y apparisce in
140
EEN ITALIA.ANSCHE REISBESCHRIJVING
tutte le cose loro , a segno che chi tra loro non risparmia non e in credit°, ne trova fede. Le donne sono
alte di statura, bianchissime e vermiglie ; non sono si
licenziose che altrove , et alla singolare bellezza uniscono
un' apparente modestia. Ben 6 vero che queue , che
sono date al senso , riescono si libertine che non la cedono a quale si sia altra nazione pin. calda. Le femine
cosi bene che gli uomini hanno molto ingegno ed inchinato al negozio ; le lore case, benché non siano grandi,
sono pert') belle e bene aggiustate, contribuendo a ciO
la naturale loro pulizia , che pub qualificarsi superstizioza.
Ogni Sabato per l'ordinario si lava con acqua tutta l'abitazione, tutte le tavole , e tutti gli utensili; ne si permette l'entrare nelle loro stanze , se prima non si siano
pulite le scarpe , it ehe si fa sopra una stuora , che 6
posta all'ingresso delle medesime , o caminando sopra la
sabbia, che gettano similmente per la casa. Per provvedere all'accennata parsimonia nel vivere , ogni anno nel
mese di Novembre ciascheduna famiglia compra un bue ,
l'ammazza e poi lo sala; e di questo se ne serve per
tutta l'estate. Ogni otto giorni se ne taglia un pezzo ,
che si serve alla mensa sin che Jura ; a questa si aggiunge poca carne bollita ed una minestra con latte e
butirro , e cosi si costuma in ogni casa generalmente.
Ben e vero che li piii vecchi hanno una mensa migliore ,
ma non eccedente. I piii ragguardevoli 6 per la magistratura b per le ricchezze caminano positivamente vestiti ,
e per lo OA soli , o pure coll'accoznpagnamento di un
solo lache. Due servitori , due serve , et un cavallo e ii
piii numeroso treno di una ricchissima famiglia. I soldati vestono riccamente , ne soggiacciono alla pragmatica
e vivono largamente. Le donne sono molto bene aggiustate nei loro abiti , che per?) non sono pomposi. Il_
matrimonio tra questo genti e in gran venerazione, poiche
alle mogli si porta gran rispetto , e per compiacerle i
mariti non tralasciano di dar loro ogni onesto trattenimento. E poche volte succede , che le battino , it che
in questi parti 6 un gravissimo errore. E le donne sono
esemplari; almeno apparentemente, nell'osservare la fede
maritale. Questi popoli sono tutti curiosi, e not coll'os-
DER NEDERLANDEN
(1677--1678).
141
servare che si fece l'entrata del signore principe d'Oranges
nell'llaya , vedessimo corrervi da tutte le provincie infinity di gente d'ogni conditione. Cosi in Nimega (cornparsi che vi furono i ministri) ognuno v'andava per vedere
le case di quelli , ne potevansi saziare queste genti di
rimirare gli equipaggi , si di tappezzerie , come d'argenterie , di cavalli , di carrozze e di livree , che cola in
tale occasione si miravano. In Leyden a' mesi addietro
fu frustato un uomo , che aveva cavato it cuore dal cadavere del morto Giovanni de Wit , pensionario d'Olanda ,
e questa essecuzione molt'ordinaria fece concorrere tutte
le provincie , poiche da tutte ci concorse infinito popolo.
Benche gl'ingegni siano lenti e tardi , sono pere molto
alti allo studio ed alle virth. Nelle universit y di Leyden
e di Utrecht non mancano uomini di letteratura insigne.
Ivi si insegnano le lingue greche et orientali , la medicina , filosofia , e theologia; ed i ministri della religione
pretesa riformata e delle altre sette sono persone versatissime nelle scienze. La Santita di N ro. S re. vi tiene
un commissario apostolico , che risiede ordinariamente nei
Stati di Brandemburgo 1) , et oggidl questo carico 6 degnamente occupato da Mons. vescovo di Cassorea , uomo
per letteratura ecclesiastica e per la bona di vita molto
riguardevole. Sotto la direzione di sl degno prelato vivono li nostri missionarii , per opera dei quali pub sperarsi che sia per dilatarsi sempre piit la vera cognizione
del S. Vangelo.
Il mare , i fiumi e i canali contribuiscono alla communicazione di questi paesi con quei, che sono remoti ,
e facilitano lo trasporto delle merei , che dall'Oriente e
dall'Occidente vengono qui portate in abbondanza. Il
mare somministra le pesche , e la terra non troppo fertile
di biade , ne di vino , somministra latte , butiro e materia
per it fuoco , oltre li lini e pascoli al maggior segno
buoni. Cosi le lane sono bellissime , e le tele preziose.
Col commodo dei vaseelli , dei quali sono abbondantissime
le provincie maritime , si fanno qui venire le case che
'1) Te Huissen bij Arnhem.
Y 4Z
aisTE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
mancano , degli altri paesi , e con tale profuzione , che
non vi e cosa da desiderare 6 per it bisogno 6 per
it lusso. 11 gran numero del popolo e la sterilit y del
terreno sono le cause principali dell'ingegnosa industria
degli abitanti. Ed 6 meraviglia, che queste genti tolerino volontieri maggiore it peso delle contribuzioni , per
l'aggravio delle quali, anchorche minori , si distolsero
dall'obbedienza degli Austriaci.
Molte sono le guerre , che flu ad ora hanno molestato
questa Republica; ma tutte sono state sostenute con coraggio e terminate con gloria. Nell'ozio tranquillo della
pace lungamente goduta non mancarono commozioni interne di religione , d'ambizione, e di gelosia; e se per
sminuire i publici aggravii si riformarono le truppe di
guerra , e gli officiali , cosi in vece di questi e di quelle ,
servendosi della gente del paese, che applicata al riegozio
poca cognizione aveva, delle armi si 6 ridotta questa,
Republica in contingenze molto strane , ed ha quasi veduto
in queste ultime guerre terminato it period() della propria
potenza. La Casa d'Oranges fu spogliata dei privilegii ,
essendosi concepito timore della grandezza della medesima. Nella minore eta dell'odierno principe d'Oranges
si stabill un decreto (che perpetuo si nomava) , con cui
tutte le provincie con giuramento si obligarono di non
innalzare mai piu alcuno alle cariche di stadthalter (che
e lo stesso che governatore) ne a quello di capitano generale , ne di ammiraglio. Cresee S. A. in eta, e sovragiunta la guerra suscitata dalla Francia e dall'Inghilterra
nel 1672, si commosse it popolo dal vedere che senz'opposizione l'armi del Christianissimo re Luigi XIV occupavano in un momento le piazze , altre volte per esperienza capaci di lunga resistenza. Ed attribuendo a colpa
dei magistrati le perdite, che si facevano , li seguaci dell'Oranges pensarono che fusse all'ora it tempo opportuno
di procurare a S. A. gli onori altre volte posseduti da
suoi illustri antenati. Ed a misura dei progressi dei
Francesi augumentandosi it timore , la Republica credette
di ritrovare sicuro ricovero e formare un ostacolo all'imminente rovina col richiamare ai posti primieri it medesimo principe, al quale con applauso dei popoli fu com-
DEA NEbEilLINDEN ( 1
6 7 7 — 1 67 8.)
148
messo it supremo commando dell'armata e confidata la
totale direzzione della guerra. Assodata in questa forma
l'autorita dell'Oranges, it partito contrario a S. A. ne
concepl sospetto, a segno che all'esterne commozione s'aggiunsero l'interne , ch'intorbidando lo Stato causarano la
morte dei due fratelli de Wit; l'uno nominato Cornelio ,
balio di Patten , e l'altro Giovanni , uomo di grandissimo
credito e che era pensionario d'Olanda. Questi furono
miserabilmente trucidati , volendo li pia che cie succedesse
con permissione , se non per comando dell'Oranges , per
essersi essi opposti all'ingrandimento del medesimo. Gli
Arminiani piansero la perdita di questi loro concittadini,
e cavando da quelle ceneri fredde caldi incitamenti di
rabbia si sono sempre mantenuti e continuano tuttavia
inimici dell'Oranges e dei Calvinisti. Calla mutazione
dei magistrati , con la distribuzione delle cariche e col
commando delle armi si e stabilito it principe in forma,
the oggidl e stimato , riverito , e temuto. Il matrimonio
con la principessa primogenita del signor duca di Yorck
gli ha dato un grande appoggio. Il governo di 5 pro-vincie (i magistrati delle quali dipendono da lui) lo costituisce in stato di farsi molti amici ; e finalmente la quality
della nascita , e la matura sua prudenza gli hanno conciliato molto credito appresso tutti. Tale potenza perO
non piace ai zelanti della liberta , e benche in apparenza
mostrino di applaudirlo , ad ogni modo ne mormorano ed
aspettano la congiuntura per sminuirlo e screditarlo.
In questo stato abbiamo trovato le cose di queste pro-.
vincie , e se la pace si conclude coi Francesi e che cessino i disturbi e de gelosie coi stranieri , non mancheranno alla Republica inquietudini interne , ne queste
potransi quietare se non coll'abbassamento dell'autorita
dell'Oranges o collo scapito della publica liberta. Oggidl
tutti bramano che finisca la guerra , e sospirano la pace
a oggetto di ristabilirsi nel primiero riposo. Con gli aiuti
degli Inglesi, Francesi, e Protestanti d'Alemagna questa
Republica gettO li primi fondamenti del suo imperio;
colle vittorie e con le paci si consolidO la potenza e resasi
formidabile e comparsa nel theatro dell'Europa l'arbitra
delle nazioni e padrona di ricco dominio nelle Indie , e
144
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
rispettata e temuta dalle maggiori potenze. Ma li stati ,
cosl bene che li corpi umani , sono soggetti all'influenza
dei mall et alle mutazioni, dalle quali bene spesso , ne
deriva agli uni la morte , et agli altri la distruzzione.
Non 6 stata lontana quella della Republica Olandese , la
quale nonostante l'assistenza di tutta l'Allemagna e della
Spagna ha dato un sensibilissimo crollo, di modo che ha
perduta con parte del dominio l'antica riputazione. La
pace sola pub divertirne Pultimo precipizio e tener lontani quei pericoli, ai quali e stata questa Republica
esposta per una vana, ed imprudente alterigia, e per un
incauto disprezzo pratticato coi vicini , al valore dei quali
e forza it cedere et alla di cui qualit y e grandezza e
dovuto ii rispetto ed e ligia la sorte dell'Europa.
1677 December 16.
A dl 16 detto Giovedl. Con li sopranominati signori
cavalieri Borgherini ci portassimo all'imbarco sopra la
barea , che ogni ora parte per Delft, mediante 6 soldi
per ciascheduno. Si naviga per un canale fatto dall'arte ,
e la campagna, che si vede da ogni lato , e verdeggiante
per gli alberi e belle:per le continue abitazioni , the s'incontrano. Dopo un'ora e mezzo di camino arrivassimo a
Delft, citta di competente populatione , non inferiore di
bellezza all'altre dell'Olanda. Molti canali la dividono ,
si come all'intorno per di fuora la circondano. Le strade
solo larghe e diritte, l'abitazioni belle, et it sito .piano
e ridente. Vi si vedono due tempii sopra gli altri riguardevoli , e die dalla gente del paese vengono distinti
col nome di Nuova e Vecchia chiesa. Nella prima la
Casa d'Oranges ha la sua sepultura che e ornata di un
nobile mausoleo eretto alla memoria del fu principe Gulielmo , che in questa citta disgraziatamente fu assassinato.
Sopra 4 colonne di marmo s'innalza un architrave della
stessa materia, che in ciascheduno dei 4 lati ha una
gulia , e sopra la statua del morto principe steso sopra
la tomba. Alcuni puttini di bronzo nella pit alts parte
tengono un cartellone, in cui a lettere d'oro si legge
quest'iscrizione :
DER NEDERLANDEN
(1 677-1G78).
145
D. O. M.
et
Aeternae Memoriae
Gulielmi Nassovii , Supremi Arausionensium Principis ,
Patris Patriae , qui Belgii fortunis seas post habuit et
suorum : Validissirnos exercitus aere plurinturn privato
bis conscripsit, bis induxit ordinum auspiciis ; Hispaniae
Tyrannidem propulit: verae Religionis cultum, avitas Patriae
leg es revocavit , restituit : ipsain denique libertatenz tantum
non assert= Mauritio Principi Paternae virtutis haeredi
filio stabiliendam religuit ; Herons vere pii, prudentis, invicti:
quern Philippus II. Hispan. Rex ille Europae timor timuit
non domuit, non terruit, sed empto percussore fraude
nefanda sustilit.
Foederat. Belg. Provinc.
Perenni meritor. Monum.
P. C. C.
Nella parte d'avanti del sepolcro sta sedente la statua
del principe stesso , vestito delle sue armi , e mirabilmente lavorata. Di dietro s'innalza una fama , che coronando it merito del defunto publica colla tromba l'heroiche
sue virtudi , che nei 4 angoli del sepolcro si vedono rappresentate in altretante statue di soprafina struttura.
Sono queste la liberta , che egli promosse , la prudenza ,
la giustizia , e la religione. Alcuni putti all'intorno dell'urna piangono e palesano per opera dell'artefice vivo it
dolore , che pare che sentino , benche siano di bronzo.
CM che non e di questa materia , e di marmo , e la
struttura e al maggior segno magnifica.
Nell'altra chiesa si vedono i sepolcri dell'ammiraglio
Tromp e di Pietro Heintius , famosi per le loco spedizioni fatte in mare a pro della patria e della liberta.
Li Stati Generali eressero alla memoria di concittadini
si illustri e si benemeriti questi sepolcri di marmo fino
et ornati delle statue di ciascheduno di essi. La struttura di questi due tempii e a tre navi alla gothica ed
e riguardevole per la mole. La Nuova Chiesa ha un'alta
torre , che risponde nella piazza maggiore , nella quale
Bijdr. en Meded. XXXVI.
10
146
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
sta similmente la Casa publica della citta in quella levatane la facciata , che e moderna , non vie cosa di rimarco. Sopra la porta stanno scritti a lettere d'oro
seguenti versi :
Haec dornus odit , ainat , punit , conservat , honorat
Nequitiern , pacem , crimina , Jura , probos.
Fussimo nel Beguinaggio , che benche picciolo , e assai
hello. Tutte le beguine sono cattoliche et introdotti nella
loro capella avessimo it contento di vedere in vigore
culto del vero Dio , anch'in mezzo all'empieta. Passeggiata la cinta , che e cinta di mura alte et antiche , ci
conducessimo al porto che e fuori , et in passando
vedessimo l'Ospedale , e l'Arsenale della cinta, i quali
nella loro costruzione non hanno cosa di riguardevole.
Su le 11 ora della mattina stessa pigliassimo l'imbarco
sopra la barca , che parte ogni ora per Rotterdam, col
pagamento di 3 soldi per persona , e partissimo con la
stessa compagnia dei signori Borgherini. Dopo tre ore
di felicissimo camino giungessimo in Rotterdam , cinta
che per la sua grandezza , bellezza e ricchezza viene stimata per la piu riguardevole dell'Olanda dopo Amsterdam.
Ell' e posta sul flume Mosa , che entrandovi in due luoghi
l'arrichisce di piu canali e coopera infinitamente alla
grandezza del traffic°. La citta, si dilata all'indentro, e
quasi tutte le sue strade hanno la delizia, di un canale
e dell'ombra degli alberi, quali sono piantati con distanza
proporzionata in ogni parte. Il popolo a numeroso , la,
mercatura e in vigore ; e si come li canali sono capaci
di grosse nayi, cosi sin dentro le case dei mercadanti si
scaricano con prodigioso commodo le merci che qui vengono trasportate da ogni parte del mondo. Le strade ,
le fabriche e la delizia del sito sono le cose piu considerabili di questa citth, che rim, al maggior segno.
Sopra dei suddetti canali si vedono numerosi ponti , ale
facilitano la communicazioue delle strade , che sono spaziose e ben disposte. Sopra it piu grande dei detti ponti
s'innalza la statua d'Erasmo di Rotterdam, che e cosi
ben fatta, che pare che questo grand' uomo , che tiene
un libro in mano e che e vestito di una veste talare con
DER NEDERLA.NDEN
(1677-1678).
147
una berretta in capo (insegne tutte di dottore) , publichi
continuamente le sue scienze al mondo. Un elogio in
latino a lettere d'oro , impresso nel piedistallo di marmo ,
e certissimo testimonio dell'amore , che questi suoi concittadini conservano tuttavia verso it merit° d'un Canto uomo,
che abusatosi Belli gran lumi , che Dio gli concesse , e
scordatosi da esso , che quello est cola veritas , perde
l'anima sua e denigrO la sua riputazione. Non lontana
dal detto ponte si vede la casa , ov'egli nacque , che rassembrando ad un tugurio da a conoscere , che la virtu
abita ancora sotto un misero tetto , ne lo sfugge. In
alcune tavolette appese si leggono i seguenti versi latini ,
che pure nell'olandese e nella lingua spagnuola si vedono
tradotti :
Aedibus his genitus mundum decoravit Erasmus
Artibus ingenuis , relligione , fide;
Fatalis series nobis invidit Erasmum ,
At desiderium tollere non potuit.
Il maggior tempio 6 di nobile e di antica struttura ,
egli 6 di 3 navi composto et ha un alto campanile , che
passa per it pia bello di tutta la provincia d'Olanda.
Non v'ê cosa di considerazione qui dentro , essendo le
pareti nude , conform l'uso dell'empia setta di Calvino.
Vi si scorge pere un sepolcro di marmo eretto dagli
Stati Generali alla memoria dell'ammiraglio de Wit, che
contiene un elogio delle viral di quest'uomo , la di cui
statua sta giacente copra la tomba. La Casa della citta
non ha cosa in se che meriti di essere visitata , cosi gli
edifizii che servono per lo tribunale dell'Ammiralita e
per li magazzeni , Sono piii riguardevoli per le prerogative
di questo magistrato, che precede a quello d'Amsterdam ,
e per le provisioni , che conservano necessarie per fabricare et armare i vascelli, che per la loro grandezza delle
loro fabriche. Caminassimo per la citta lungamente , e
godessimo d'ammirare la quantit y delle merci , di mercanti e di legni , ii che veramente e prodigioso. Pranzato che avessimo , ci separassimo dai signori Borgherini ,
e nell'aspettare Vora della partenza della solita barca
vedessimo nella fossa della citta molti cigni che galleg-
148
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVIN(
giavano sopra l'acqua. I signori Borgherini s'imbarcarono
per Dortrecht. E noi , preso l'imbarco sopra la suddetta
barca , ci riconducessimo a Delft; e di qui sopra un'altra
barca , che parte di due in due ore , pigliassimo it cammino di Leyden , ove capitassimo su le X ore della sera
stessa.
1677 December 17.
A di 17 detto Venerdl. Leyden , se si considera l'ampiezza delle strade , la disposizione dei canali e la nobilta
delle fabriche , non cede in bellezza a qualsiasi altra citta
dell'Olanda. Ell'e situata in pianura e viene da un
braccio del Reno divisa in pia isole , quali per diversi
ponti si uniscono. Questo flume si riunisce prima di
uscire dalla citta e dopo avere arricchito d'acqua a sufficienza ogni canale. Nel mezzo di questa citta s'innalza
un monticello 1), che a relazione di quelli del paese
viene considerato per un'opera romana; egli e di circuito
di circa 150 passi e nella sommita , alla quale si aseende
per una lunga scala, sta innalzato un recinto di mura ,
che risarcito non ha alcun vestigio della decantata sua
anticbita. Si domiva di qui tutta la oath , et al di
fuori del suo recinto sono piantati molti alberi , et al di
dentro stanno disposte certe pergole frondose in forma
di laberinto. L'Universita, che rende singolare questa
citta, e la piii illustre e famosa, che abbia in queste
provincie la Republica olandese , che l'arricche di privilegii rilevantissimi , si come continuamente l'onora di ogni
sua piii valida protezione. Due milla e pia scolari vi
concorrono oggi da ogni parte e vengono in questa scuola
ad imparare da uomini letteratissimi ogni sorta di scienza.
Le publiche scuole non hanno in si stesse cosa di considerabile , se riguardiamo l'edificio , in cui si racchiudono.
Il giardino de semplici e degno d'esser visitato , perche
in esso si vedono infinite piante , che trasportate dai paesi
piii remoti sono qui custodite con ogni maggior essattezza.
Riguarda in esso una galeria veramente nobile per le
4) De Burgt.
DER NEDERLANDEN (1677-1678). 149
rarity , che vi si mostrano. Introdotti in essa , vi vedessimo un grosso animale quadrupede della grandezza d'un
torn, cosi ben conservato , che benche morto da piii. anni,
pare che ancora sia spirante. Egli si chiama in latino
hypodromus ; e 11 vicino vi e un rinoceronte, che coll'ajuto dell'arte tuttavia contrasta, intero contro it tempo
e gli anni. Infinit y di uccelli rari , che conservano colla
finezza delle plume la natia bellezza ; et altre curiosity
della China e d'animali acquatici e terrestri sono un
erudito oggetto ai riguardanti , che non sanno discernere
quale tra loco porti it vanto di piii. curioso , mentre egualmente ben conservati meritano l'attenzione pill_ esquisita
di chi li rimira. All'incontro di questa galeria ve ne e
un'altra non meno bella , poiche in essa formano un delizioso giardino ad onta dell'orrida staggione quelle piante ,
che ivi al coperto si preservano intatte e rapite all'inclemenza del cielo. Non v'e pianta , benche rara , che
qui non si trovi ; ne puO desiderarsi un albero , che sia
necessario all'uomo , che qui traspiantato non si veda
dalle piii lontane regioni dell'Asia e delle Indie.
L'anatomia e la bibliotheca publica sono in un altro
luogo a parte. Questa , levatone it prezioso legato fattole
dal gran Scaligero dei suoi manoscritti di diverse lingue
orientali , non contiene ne quantit y ne qualit y tale di
libri , che la possino rendere superiore alle altre, che in
ogni parte si trovano. La sala dell'anatomia contiene un
teatro rotondo , dal quale con commodit y e facilit y si
vedono le operazioni anatomiche nei tempi consueti.
Resta sorpreso chi v'entra dalla multiplicit y delle cose ,
che si prensentano alla vista ; scheletri di uomini , di
donne, d'animali terrestri ed acquatici di ogni paese
anche piii lontano , sono in si grande quantit y , che l'uno
e appena considerato , che se ne fa davanti un altro piu
curioso da vedersi. Gli animali delle Indie sono qui
communi , e cosi bene conservati che paiono trasportati
or ora da quelle regioni. In certi credenzoni stanno
diligentemente disposte alcune mummie dell'Egitto , piii
intatte di quante si vedono altrove. Molti idoli a-ntichi
non solo d'Iside Dea , ma aneora di quelli adorati dai
Romani non si lasciano desiderare ; et e vano it numerare
150
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
gli uccelli et altri piccioli animali , che si vedono qui
conservati dalla corruttione , merce l'industria dell'arte e
la providenza d'eccellenti anatomici.
La chiesa di S. Pietro , ridotta al falso culto , merita
di essere veduta ; ell's a cinque navi , sontuosa e grande ,
essendo tutta in volte e di pietra quadra. Entrassimo in
un altro tempio vicino 1) al sopraccennato monte , che
non cede nella magnificenza della mole e della struttura
a qual si sia altro che si veda in queste provincie. Il
tempi° , che serve per li Francesi , e moderno e di forma
rotonda ; it dissegno e vago e meriterebbe d'essere impiegato a migliore et a pill santo uso.
I Gesuiti in una casa privata vi hanno una capella
molto bella ; in essa sentissimo la Santa Messa et udissimo cantare certi musici , tra i quali una donna , che
aveva una voce mirabile.
Il nuovo quartiere della citta e bello a meraviglia per
le strade diritte , per l'uniformita delle case , e per la
larghezza dei canali. La Casa publica , toltane la facciata ,
non ha cosa di rimarco ; lo stesso pub dirsi de' luoghi
pii , che sono numerosi , e delle altre fabriche publiche.
La citta, non e populata in conformity del suo circuito ,
tuttavia vi sono molti lavoranti , e colle fatture di drappi
e di seta , come di lana , vi si mantengono , fabricandosi
qui piii che in ogni altra parte d'Olanda simili manifatture. Passeggiata questa citta, e consideratane la bellezza, pranzassimo ; e poi , imbarcatici sopra la barca
d'Utrecht , che parte due volte al giorno , c'incaminassimo
verso la suddetta citta.
Le ripe del canale , che navigavamo , sono ripiene
d'abitazioni B1 frequenti , che pare formino un continuo
villaggio. Lasciato addietro Boidesgrave , grossa terra e
che nella distruzione di quasi tutte le sue case fa conoscere quanto sia perniciosa la guerra , arrivassimo a
Woerden , antico luogo d'Olanda e che e assicurato da
alcune buone fortificationi. Qui ci sopragiunse la notte ,
'1) De Hoogelandskerli,
DER NEDERLANDEN (1677-1678).
151
laonde fussimo costretti a navigare ehiusl nella barca e
ad esser privi del diletto di si bona navigazione. Alle
dieci ora della notte capitassimo in Utrecht.
1677 December 18.
A di 18 detto Sabato. Che e la capitale della signoria dello stesso nome , e che grande di circuito ha
mold canali resi navigabili dal Reno , che poco discosto
dalla stessa scorrendo vi trasmette in abbondanza le sue
acque. La, citta, e cinta d'antiche mura con torrioni et
e diffesa da un fosso largo pieno di acqua e da alcuni
ravvellini di terra. Altre volte riconosceva questa signoria per suo signore it vescovo , che qualificato del Carattere di arcivescovo da Adrian° VI papa ') e nativo
d'Utrecht , la domino con dispotica autorita, sino a tanto
die scordando quella la vera fede et it rispetto dovuto
al suo principe pass6 sotto l'impero di Carlo V , cui ii
vescovo stesso la cede per esimersi dalle violenze di
Carlo ultimo duca di Gueldria , e dall'impertinenza dei
sudditi. Sotto Filippo II abbracciO it Calvinismo e s'unl
colle altre provincie , che formano la Republica olandese.
Il negozio vi fiorisce , ma non con tanto fervore , con
quanto fa nell'Olanda; ne quivi ii popolo e molto numeroso. Le piazze e le strade della suddetta citta , si come
i suoi edifizii , sono nobili e commodi. Il maggiore dei
tempii e di antica e magnifica struttura , ha un alto campanile , e tutta la mole e a 3 navi e di pietra quadrat
resta per6 ora nella maggior parte distrutta, inentre da
tre anni sono un impetuosissimo vento 2) l'abbatte , si
come rovin g molti altri edifizii, che non sono stati riparati. L'Universith, e di molto grid°, ma le publiche
scuole non sono nobilmente fabricate. La biblioteca publica si vede in una chiesa, la meth, della quale e per
l'uso della falsa predicazione. La Casa della citta, e a
piu ordini d'architettura e none di molta consideratione.
1) Eeii historische vergissing van den auteur.
2) De Pinksterstorm van 1674.
152
EENE ITALIAA.NSCHE REISBESCHRIJVING
La campagna all'intorno e verde per gli alberi e deliziosa
per le pianure e per le acque.
Si vede la casa ove nacque Adriano VI papa , che
dell'antichith non conserva oggidi che it nome della Casa
de' papi et una statua di S. Pietro ; spetto oggi questo
alloggiamento ad un mercante d'Amsterdam , ch'avendolo
fabricato l'ha reso uno dei piu nobili della citta. In una
ben aggiustata capella in casa d'un prete sentissimo la
S. Messa e godessimo del numeroso concorso di Cattolici.
Il dopopranzo risolvessimo di partirci , e press la commodity di un carro andassimo a dormire in un picciolo
borgo detto Dorn. La campagna , per la quale si caminO
era deliziosa per ii prati e per li molti viali d'alberi che
si vedono da ogni lato ordinatamente piantati.
1677 December 19.
A di 19 detto Domenica. In quella mattina con un
tempo freddo ci mettessimo in camino ; e passati per
Rennen , citta della signoria d'Utrecht , vedessimo le
muraglie di essa rovinate et al di fuori it palazzo spettante al signor principe Ruberto Palatino , che e a tre
ordini di finestre e di considerabile grandezza. II. giardino 6 distrutto ; ne vi resta presentemente altro se non
alcuni alberi , che conducono al Reno , che da una parte
bagna la suddetta citta, che non e ne grande ne considerabile. Di qui ci conducessimo a Vagheninghen, altra
citta non lungi dal Reno e che , si come ella non e maggiore della sopraccennata, cosi anch'essa ha le mura
diroccate dai Francesi , che nel principio della guerra
corrente furono padroni di tutta questa provincia. Ancora
qui le campagne sono piene di verdura e seminate nella
maggior parte di tabacco. Del resto it terreno e arenoso ,
ne produce che pascoli. Rinfrescassimo in Hartteml.),
picciolo villaggio ; e di le senza punto fermarci capitassimo in Arnhem , citta, che e la capitale della provincia
della Gheldria , che si divide in tre parti.
4) Wageni4s-Hatte.
DER NEDERLANDEN (1677-1678).
153
La suddetta cotta e situata sul Reno et ha dei buoni
bastioni di pietra cotta , et ha alcune fortificazioni esteriori da quella parte , che non 6 bagnata dal flume. Non
vi e cosa di rilievo in essa , essendo differente dalle altre
citta dell'Olanda , quali al contrario sono pulite e meglio
fabricate.
La chiesa maggiore consiste in un edifizio antico e
grande in cui si vede it sepolcro di Carlo duca di Gheldria , in memoria del quale stanno scritti nel muro a
caratteri antichi li seguenti versi :
Carolus egregius dux illustrisque sepultus
In turnulo hocce jacet Gheldriaci imperii.
Qui post millenos centenos quattuor annos
Septuaginia fuit flatus in Orbe puer,,
Et post millenos centenos quinque recessit
Octo triginta annos septuaginta tenens.
Altra volta i duchi tenevano qui la loro sede , et it
signor principe d'Oranges , che e governatore di questa
provincia , vi ha fatto una assai lunga dimora per lo
passato con tutta la sua Corte e vi ha un'abitazione pit
tosto commoda che bella. Da un lato della chiesa maggiore vi e una gran piazza , ne molto lungi si vede un
altro antico tempio di struttura gothica.
Usciti dalla elite,, passassimo it Reno copra una barca,
e condottici ad un canale d'acqua stagnante , per questo
c'incaminassimo a Nimega. A mezza lega da Arnhem
si muta la barca , e non lontano di le s'incontra un villaggio di poco momento. La campagna all'intorno non
e bella et all'ora era impraticabile per li fanghi e per
Pacqua. Usciti dal canale e lasciata la barca, ci conducessimo a piedi su la ripa del Waale a vista di Nimega; et imbarcatici su questo flume giungessimo alle
6 ora della sera in questa cotta. Mons. El mo. Bevilacqua
ci riceve cortesemente in sua casa. E terminato questo
viaggio con salute , avessimo la consolazione di rivedere
qui li nostri amici.
1677 December 20.
A di 20 detto Lunedi. La mattina si sentl la Messa
154
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
nella capella di Mons. nunzio, et it dopo pranzo visitassimo ii signor abbate de Mesnil , die Oil volte prima,
del nostro partire per Fiandra ci aveva favoriti. Visitassimo poi li signori marescial d'Estrades , de Colbert e
conte d'Avaux , tutti e tre ambasciatori plenipotentiarii
di S. M. Cristianissima a questo congresso per lo trattato
delle paci e soggetti di merito riguardevole. La sera si
passe in casa , e si giocO nella stanza di Mons. nunzio.
1677 December 21.
A dl 21 detto Martedi. Sentissimo la S. Messa nella
solita capella di casa , e poi visitassimo Mons. vescovo
di Gurgg 1) , principe del S. R. I. e che esercita in
questo congresso la carica di primo ambasciatore plenipotentiario di S. M. Cesarea. Il dopopranzo invitati
dalla bellezza del tempo , uscissimo dalla citta, in carrozza a sei cavalli a godere dell'aria della campagna coi
signori conte Casoni e canonico Pinchieri. La sera poi
si passe in conversatione nella camera di quello , ove era
pure ii signor abbate du Mesmil.
1677 December 22.
A dl 22 detto Mercordl. Uscissimo di casa e passeggiassimo i bastioni , e si senti la S. Messa nella capella
del signor ambasciatore di Spagna. Il dopopranzo andassimo a riverire it signor conte Chinscki, secondo ambasciatore plenipotentiario Imperiale. Et essendo sopragiunta la notte andassimo
alla conversatione che tenavasi
,
in quella sera in casa di Mons. Colbert ; quivi era it
concorso delle dame tutte , che sono maritate a' ministri
dei principi , che sono in questo congresso. V'erano ancora molti cavalieri , e si gioce sin a tanto che in
un'altra stanza separata fu imbandita una nobile colatione. In appresso si danzO e si continuo it giuoco; e
l'assemblea era nobile, allegra, e numerosa.
1) Johannes van Goessen , later kardinaal; zie Katholiek Dl. 142
(1912) p. 221-226.
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
155
1677 December 23.
A dl 23 detto Giovedl. Il pessimo tempo in questa
mattina c'impedl l'uscire di Casa. Sentissimo dunque la
S. Messa nella capella di Monsignore et it dopopranzo
fussimo a visitare it signor marchese de los Balbaces,
primo ambasciatore plenipotentiario di Spagna ; e visitassimo nello stesso giorno it signor Stratman , terzo ambasciatore plenipotentiario di S. M. Cesarea. E la sera
la conversatione dei signori ambasciatori si fece in Casa
del signor marchese de los Balbaces. Vi fu lo trattenimento del giuoco delle ombre per le dame , e della
bassetta per gli altri cavalieri , the erano disoccupati.
In appresso fu apprestata una lautissima tavola per la
collatione, nella quale vi erano pernici e fagiani in quantity . Vi intervennero li tre ambasciatori di Francia ,
quelli di Danimarca, e Svezia , et altri ministri dei principi e cavalieri. Le dame erano la detta ambasciatrice
di Spagna, Mad. Colbert , la signora duchessa di S.
Pietro () e marchesa di Quintana , ambe figluole del
signor marchese de los Balbaces , it quale con tutte le
forme pit cortesi c'astrinse a ponerci a tavola. Si stette
allegramente , e dopo la cena si ritornb al solito divertimento del giuoco , e la conversatione durO sino ally
mezzanotte.
1677 December 24.
A di 24 detto Venerdi. In questa mattina scrivessimo
per Italia, sentita la S. Messa nella capella di Casa. Il
dopo pranzo andassimo a sollecitare it lavoro della trina
per la nostra livrea , et un vestito per it signor cavaliere ; la sera si gioce in camera di Mons. nunzio.
1677 December 25.
A dl 25 detto Sabato. In tal giorno in questo paese
non si celebra la festivit y del S. Natale di N. S. Gesii
Cristo , regolandosi l'anno in conformit y del vecchio stile ,
come ancora si pratica in Inghilterra , e nella maggior
parte del Nort , ove non e stata accettata la correttione
Gregoriana ; si the la giornata non fa festiva. Il dopopranzo visitassimo ii signor Don Pietro Ronchillo , secondo
156
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING-
ambasciatore plenipotentiario di S. M. Cattolica , e quivi
con S. E. ci trattenissimo per tutto it restante di questo
giorno. B. signor abbate du Mesmil fu da noi la sera,
e con esso stassimo in conversatione nelle stanze del
signor conte Casoni ; e vi ci trattenissimo sino alle X
ore della sera , essendo it signor abbate suddetto di buona
conversatione ed intelligente.
1677 December 26.
A di 26 detto Domenica. Si sena la S. Messa nella
cappella di casa; et it dopopranzo it signor conte di
Chimburg, nepote di Mons. arcivescovo e principe di Saltzburg , fu a favorirci di cortesa visita. Questo cavaliere
e di bell'aspetto , ama le lettere, parla italiano et e di
gravi maniere ; ha cognizione di molti paesi et e stato a
Roma cameriere d'onore di Papa Clemente IX. Egli
gode due canonicati , uno della chiesa di Passavia , e
l'altro in quella di Saltzburg , et alcuni altri benefizii
ecclesiastici. Il tempo era bello , e perciO in carrozza a
6 cavalli colli signori cavaliere Pinchiari e conte Casoni
andassimo fuori della citta a prendere aria lungo it Waale.
La sera fussimo da Mons. Spanheim , ministro del signor
principe Palatino del Reno , che e elettore del S. R. I.;
quale signore accudisce ai negozii di S. A. E. in questo
congress° e non ha titolo alcuno. In sua casa v'erano
molti signori , che erano i signori abbate conte di Chimburg , presidents Canon , ministro del signor duca di
Lorena , it signor abbate du Mesmil et un altro cavaliere, di cui non c'era noto it nome. La conversatione
fu lunga e molto bella , poiche essendo tutti quei signori
intendenti, si discorsero diverse materie curiose.
E superfluo descrivere le qualit y del signore Spanheim , poiche egli s'e gia fatto conoscere per quello che
e in quasi tutte le corti d'Europa , oltre che si di questo
suggetto , come d'ogni altro , se ne parlera con le dovute
lodi nella relazione di questo congresso , che a parte si
va facendo da noi. Sino alle X ora della notte ci trattenessimo in si bella conversatione , et it signor conte di
Chimburg ci accompagno a casa.
DER NEDERLANDEN
(1677-108).
157
1677 December 27.
A di 27 detto Lunedi. Il bel tempo c'invitO al passeggio, dopo aver ricevuti i favori del signor Don Julio
Legnani, cavaliere Milanese. Questo signore a camerata
del signor marchese de los Balbaces et ha molta cognitione delle cose del mondo avendo fatti diversi viaggi.
Sentissimo la S. Messa in casa, et it dopopranzo visitassimo Madame di Colbert, moglie del signor ambasciatore di Francia dello stesso cognome ; fussimo ricevuti
cortesemente , e la visita durO un'ora e mezza. Nel
discorso avessimo campo di conoscere it talento , sodezza ,
e spirito di questa dama , che accompagnando it marito
nelle ambasciate , si e resa informatissima delle cose.
Terminata questa visita , andassimo dal signor conte di
Chirnburg , che civilissimamente ci accolse , e godessimo
della vista della sua libreria molto ricca di libri eruditi.
La sera stassimo in casa, e ci trattenessimo col signor
conte Casoni, che in tutto questo giorno ci favori nelle
suddette visite , e col signor canonico Pinchiari in conversatione nelle stanze di questi sino alle X ora.
1677 December 28.
A di 28 detto Martedi. Faceva freddo questa mattina ,
et ii bel tempo ci obligO al passeggio delle mura della
citta. Sentissimo la S. Messa, nella capella di casa , et
it dopo pranzo colla carrozza a 6 cavalli andassimo alla
campagna. La sera si giuocO in camera di Mons. nunzio.
1677 December 29.
A di 29 detto Mercordi. Passeggiassimo questa matting
lungo le mura della citta , continuando it tempo sereno.
Nella capella dei Francesi ascoltassimo la S. Messa, et
it dopopranzo in compagnia dei signori Pinchiari , e Casoni , coll'occasione d'andare dal signor abbate du Mesmil , visitassimo due signori Francesi capitati in questo
punto da Parigi in casa del signor ambasciatore conte
d'Avaux. L'uno si nominava it conte di Depans , e l'altro
M. Bazain. Questo ultimo e stato in Italia ed ha fatti
molti viaggi ; l'altro e soldato di qualche grido. Ed ambi
sono Cal vinisti , it prim ostinatissimo , e l'altro scrupo-
158
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
loso , e devoto nell'orrenda sua setta. Fatto un giro per
la citth ci ritirassimo a Casa, e la sera fussimo alla conversatione di Mons. Colbert. V'erano pit giuochi d'ombre
et uno di bassetta. Il signor ambasciatore di Danimarca
conte Antonio d'Oldemburg tagliava , e vinse consid erabilmente. Vi fu la solita lautissima cena , cui noi pure
fossimo invitati cortesemente, e la conversatione terminO
su la mezza notte.
1677 December 30.
A di 30 detto Giovedi. CapitO l'ordinario con lettere
d'italia , e senza nuove di rilievo ; sentissimo la S. Messa
nella Capella di Mons. e fussimo al passeggio intorno le
mura della citta,. Il dopopranzo it signor abbate di Mesmil venne da noi, e con esso , e col signor conte Casoni
fussimo a passeggiare in carrozza per la citta. La sera
it signor Guido andO alla conversatione del signor ambasciatore di Spagna , et it signor cavaliere non usci di
casa occupato a scrivere a Parigi , a Brusselles , et in
Italia.
1677 December 31.
A di 31 detto Venerdi. S'ascoltO la S. Messa, the
celebrO Mons. nunzio nella sua propria Capella. In quella
dei Francesi si predice it dopopranzo , e si celebrarono
le lodi di S. Tomaso apostolo , la di cui festa celebra in
questo giorno secondo lo stile vecchio. Una foltissima
nebbia c'impedi di andare a passeggiare , si the ritornati
della suddetta predica ci trattenessimo in casa e finissimo
di scrivere le nostre lettere. La sera si passO Ilene
stanze di Mons. nunzio.
1678 Januari 1.
A di primo Gennaro 1678 , Sabato. In conformita,
dello stile vecchio non si celebra oggi la festa della,
Circoncisione di N. S. Il signor marescial d'Estrades ,
primo ambasciatore plenipotenziario di Francia , mandO
l'ambasciata per un suo gentiluomo a chieder l'ora per
favorirci di visita alle nostre stanze. S. E. compli a
quest'atto di somma benignit y motto cortesemente. E
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
159
nella lunga visita si discorse delle materie correnti di
guerra , e di pace. Prima d'andarsene c'invitO a pranzo
seco , e rimande un suo gentiluomo ad avvisarci l'ora ,
nella quale era pronta la mensa. Sentissimo la S. Messa
nella capella de' Francesi. Il pranzo fu lauto ed esquisito , e dopo questo S. E. si trattenne con not in lungo
discorso per lo spazio di un'ora ; e poi ce ne andassimo
a casa , di dove usciti in carrozza col signor conte Casoni
fussimo per visitare it signore Don Tullio Legnani , the
non potessimo vedere , per essere indisposto. Andassimo
pure dal signor conte Trautmendorff; e poi giunta la,
notte ci ritirassimo a casa. In quella sera si gioce in
camera di Mons. nunzio.
1678 Januari 2.
A di 2 detto Domenica. Il freddo si feces entire molto
gagliardo , e perciO non si uscl di casa. Ed ascoltossi
la S. Messa nella capella di Mons. nunzio, it signor
Conte di Trautrnendorff venne a visitarci ; e con questi
unitamente col cavaliere conte Casoni andassimo alla
campagna in carrozza a 6 cavalli. La sera fu a favorirci Mr. di Loneville , gentiluomo inviato poco fa in.
Inghilterra da Madame reale di Savoia. Questa, cavaliere
ha gran cognitione delle Corti ed ha fatti molti viaggi.
Insino alle X ore della notte stassimo in conversations
in casa di Mr. Spanheim,
1678 Januari 3.
A di 3 detto Lunedi. La S. Messa si senti nella
capella di casa. Il cavaliere Ermanno Driexen mercante
ci pagO 300 scudi. E siccome secondo lo stile vecchio
in questo giorno e la vigilia del SS Ino . Natale di N. S.
G. Cristo , cosi col signor conte Casoni facessimo it cornplimento delle buone feste al signor marescial d'Estrades ,
a Mr. et a Alm e . Colbert , et alli signori conte Chinscki ,
et al signore Don Pietro Ronchillo , ambasciatori. La
sera non s'usci di casa ; ed in questo giorno capita l'avviso della morte del figlio ultimamente nato al signor
duca di Jorck e delle resa di Stettino in Pomerania alle
armi elettorali di Brandemburgo , dopo un assedio soste-
160
EENE ITALIA.A.NSCHE REISBESCHRIJVING
nuto con gran vigore dagli assediati per lo spazio di
put mesa.
1678 Januari 4.
A di 4 detto Martedi. Giorno del SS ITio. Natale di
N. Signore , non si usci di casa , ma si attese alle - devozioni nella capella di Mons. nunzio , the vi celebrO in
quella mattina. B. bel tempo c'invitO al passeggio de'
bastioni it dopo pranzo in compagnia dei signori Pinchiari , e conte Casoni. Fussimo poi alla benedittione
del SSmo . Sagramento alla capella dei PP. Gesuiti missionarii , ov'era gran concorso di gente e la musica. La
sera si passe, in conversatione nelle stanze di Monsignore.
1678 Januari 5.
A di 5 detto Mercordi. Andassimo per visitare Mr.
di Luneville, ma non ci riusci , non avendolo trovato in
casa. Mons. nunzio celebre nella sua capella e sentissimo la di lui Messa. Il dopopranzo fussimo a fare it
complimento delle buone feste ai signori marchese de los
Balbages et conte di Avaux , e poi passeggiassimo alli
bastioni. Il freddo cresceva , et ii flume conduceva quailtita di ghiaccio. I figli del paese erano nella fossa e
correvano sopra it ghiaccio, ch'era molto grosso. La sera
ci ritirassimo a casa , di dove uscissimo per andare alla
conversatione in casa di Mr. Colbert. V'era giuoco si
delle ombre come di bassetta , e la raddunanza era numerosa. Oltre la solita cena vi fu lo trattenimente del
hallo.
1678 Januari 6.
A di 6 detto Giovedi. Capitorono le lettere d'Italia
senza nuova di rilievo. Sentissimo la S. Messa nella
capella di Mons. nunzio , ch'in questa mattina celebrO ,
et it dopopranzo visitassimo Mons. vescovo di Gurgg 1)
coll'occasione del complimento delle buone feste. Lo stesso
4) Jan van Goessen, keizerlijk gezant.
DER NEDERLANDEN (1
16 1
67 7-16 78).
uffi.zio passassimo con Mr. Spanheim , e con Mme . sua
moglie ; vi venne M me. Temple , moglie del secondo ambasciatore e mediatore inglese. E sopragiunta la notte ci
ritirassimo a casa ; nelle stanze di Monsignore si passe la
sera in conversazione di giuoco.
1678 Januari 7.
A di 7 detto Venerdi. Sbrigate le lettere per Italia,
sentissimo la S. Messa nella capella del signor ambtsciatore di Spagna , e passeggiassimo per la citta col signor
abbate Negroni , maestro di camera di Mons. nunzio.
Con i signori Pinchiari e Casoni in carrozza a 6 Cavalli fussimo fuori alla campagna a pigliar aria , essendo
questa in questi giorni non molto fredda. Il signor abbate du Mesmil fu a favorirci la sera ; e poi passati alle
stanze di Mons. nunzio , si gioce sino alle X ora della
notte.
1678 Januari 8.
A di 8 detto Sabato. Sentita la S. Messa nella solita
capella di Monsignore , passeggiassimo per la citta. II
dopopranzo si fete lo stesso per li bastioni con li signori
Pinchiari e Casoni ; incontrassimo li signori conte di
Chimburg e di Rosemberg , et in casa di questi signori
ci trattenessimo sino alle 8 ore , quivi pure capitO it
signor abbate du Mesmil , col quale ritornati a casa ci
trattenessimo sino alle X ore in conversazione nelle
stanze del signor conte Casoni. Passati poi in quelle di
Mons. nunzio , vi stassimo fino alle XI.
1678 Januari 9.
A di 9 detto Domenica. Una nebbia foltissima c'impedi l'uscir di casa ; si senti perciO la S. Messa nella
capella di casa. Il dopo pranzo it signor Guido non usci
e comprO due pezze di tela d'Olanda. Il signor cavaliere
colli signori conte Casoni et abbate Negroni andO alla
benedizione del SSmo. Sagramento nella capella dei PP.
Gesuiti, ove era una musica di donne , the cantavano
assai male. La sera col suddetto signor conte Casoni e
signor Pinchiari andassimo alla solita conversazione in
Bijdr. en Meded. XXXII'.
11
162
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJViNG
Casa di Mr. Spanheim , ove intervennero it signor abbate
du Mesmil e Mr. Bazain.
1678 Januari 10.
A di X detto Lunedl. Il pessimo tempo ci trattenne
in casa , e sentissimo la S. Messa nella solita Capella di
Monsignore. Il dopopranzo servissimo S. Signoria Illma. ,
che riceve li signori marescial d'Estrades e conte d'Avaux ,
che fecero instanza a Sua Signoria come mediatore ,
che al signor principe di Conde fusse data sodisfattione
dei suoi crediti da' Spagnoli e dell'eredita, del fu re Casimiro di Polonia , alla quale S. A. Serma. concorre , essendone coerede assieme col signor duca di Neoburgo. La
sera andassimo colli signori conte Casoni e canonico
Pinchiari alla conversatione dei signori ambasciatori , che
si faceva in casa del signor conte di Oxestierne , primo
ambasciatore plenipotentiario di Svezia ivi v'era un gioco
d'ombre e di bassetta, ed in fine una lautissima cena
vi fu imbandita.
1678 Januari 11.
A di XI detto Martedi. Conforme lo stile vecchio
primo giorno dell'anno. In tutta la notte non si sentirono che strepiti d'archibugiate , di trombe e di quelle
campane , che fanno it - concerto melodioso ogni volta che
suonano le ore. Cosi in questi paesi festeggiasi la cornparsa del nuovo anno. Sentissimo la S. Messa nella
cappella de' Spagnoli , ov'era gran concorso , e poi col
signor conte Casoni andassimo ad un tempio , nel quale
li Calvinisti facevano la Cena , che cosi chiamano essi
la loro Communione. Una lunga tavola sta apparecchiata ,
nel mezzo della quale v'e un gran piatto pieno di pezzi
di pane fermentato senza crosta , e tagliato a guisa di
biscottini , che not diciamo di Savoia. All'intorno v'erano
4 grandi bicchieri d'argento pieni di vino , e 11 vicino
due tondini pieni di pezzetti del sopradetto pane. Di
qua e di la della tavola vi erano dei banchi , sopra dei
quali sedevano scoperti perO quelli che si communicavano.
Il ministro senza alcun abito particolare , e scoperto
capo prende uno di quelli pezzi lunghi di pane , e divi-
DER NEDERLANDEN ( 1.677-1678).
163
dendolo in 4 pezzi li dava alle 4 persone , che gli erano
piii vicino , dopo aver detto in lingua del paese che
dovevasi pigliare citiel pane in memoria di N. S. , che
espose it suo santissimo Corpo al ludibrio della Croce e
della morte per salvare it mondo. Quelli che si communicavano pigliavano it pane , e colle proprie mani se lo
ponevano in bocca , e cosi ii piit lontani lo pigliavano
da quei tondini , che si fanno scorrere lungo la mensa
conforme richiede it bisogno. Dopo questo it ministro
piglia it bicchiere del vino e dice , che questo liquore si
deve bere in memoria del Sangue , che preziosissimo
sparse per not it Salvatore del mondo , e porge tutti e
quattro gli accennati bicchieri alle quattro persone , che
gli Sono piii vicine , e da queste si trasmette alle altre
di mano in mano. Il che finito , si levano tutti da sedere , e subentrano altri a fare la stessa ceremonia ; nel
mentre che questo dura , un altro ministro similmente
scoperto legge ad alta voce in luogo separato , et in
lingua del paese l'epistola di S. Paolo ad Corinthios ,
che e la stessa che comincia : ,,Convenientibus vobis
domini ad coenam manducare etc.", e la ripete tante
volte , sino a tanto che tutti si siano communicate. Il
dopopranzo visitassimo Mons. vescovo di Gurgg , e poi
andassimo alla benedizione del SS. Sagramento nella
capella dei PP. Gesuiti , . ove sentissimo una pessima
musica et un concerto di due violini , d'un tamburro e
di certi campanelli , ch'era assai grato. La sera nelle
camere di Mons. nunzio si stette in conversatione sino
alle X ore.
1678 Januari 12.
A di 12 detto Mercordi. A causa del pessimo tempo
non si usci di casa in tutto questo giorno. Si senti la
Messa nella capella di Monsignore , e la, sera si and()
alla conversatione dei signori ambasciatori in casa di
Mr. Colbert , ove era gioco , ballo e la solita, cena
molto lauta.
1678 Januari 13.
A dl 13 detto Giovedi. Capitorno le lettere d'Italia ,
164
EENE ITALIAA.NSCHE REISBESCHRIJVING
ne recarono alcuna novita. Sentissimo la Messa nella
solita capella di Monsignore , et it signor cavaliere andO assieme col signor conte Casoni a pranzo in casa del signor
Ducker , inviato di Mons. vescovo d'Argentina. Molti
erano i commensali , la mensa durO lungo tempo , ne vi
mance l'allegria. Il dopopranzo si andO in casa di Mr.
Spanheim , uno dei convitati , ove pure capite it signor
Guido dopo aver passeggiato in carrozza con it signor
canonico Pinchiari e it signor abbate Negroni. La sera
si passe alla conversatione dei signori ambasciatori in
casa del signor marchese de los Balbaces , ove vi fu
gioco , ballo e cena.
1678 Januari 14.
A di 14 detto Venerdl. Si spedirono le lettere per
Italia , ne si usel di Casa in tutto questo giorno, essendo
piovoso it tempo. Sentissi la S. Messa, nella solita capella di casa , e passassimo la sera Ilene stanze del signor
conte Casoni , e poi in quelle di Mons. nunzio , che era
in letto per it male di una gamba.
1678 Januari 15.
A di 15 detto Sabato. In questo giorno non s'usci
similmente di casa , continuando it tempo piovoso. Sentissi la Messa nella capella di casa. Mons. nunzio continue nel letto a causa del suddetto male , e la sera si
passO in casa del signor marchese d'Estrades , ove si fece
nobilissima conversatione. La magnifica puntualita, di
Sua Eccellenza spied) nella cena sontuosissima , che fu imbandita dopo la mezzanotte. Due erano le tavole eguali
e nobilmente servite ; alla prima stavano le dame e gli
ambasciatori , et all'altra le donzelle e che vi voleva
tenere compagnia. Numeroso fu it concorso e vi fu
gioco e hallo.
1678 Januari 16.
A di 16 detto Domenica. Capita con le lettere di
Bologna in data Belli 29 dello scorso l'avviso della disperata salute del signor Cardinale Buonaccorsi , legato
di quella citta. Si senti la Messa nella capella di casa,
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
165
et it dopopranzo venue a favorirci Mr. Bazain. Con
questi e con it signor conte Casoni passeggiassimo in
carrozza per la citta. La sera fussimo alla solita conversatione in casa di Mr. Spanheim , ov'erano i signori
conte di Chimburg , abbate Rosselli , agente della Casa
di Buglio p e , abbate du Mesmil , Bazain , et it signor
canonico Pinchiari , et alle X ore della notte ci ritirassimo
in casa.
1678 Januari 17.
A di 17 detto Lunedi. Si scrisse in Spagna , e si
senti la Messa nella capella di casa. Il dopopranzo si
andO a pigliar aria in carrozza colli signori conte Casoni
e canonico Pinchiari. Il signor abbate du Mesmil fu da
not la sera, e si stette in conversatione con lui sino alle
X ore della notte.
1678 Januari 18.
A di 18 detto Martedi. Per essere piovoso it tempo
non s'usci. Il flume Waale era talmente grosso , che tutte
le vicine campagne erano allagate. Si ascolsO la Messa
nella capella di casa , et it dopo pranzo passeggiassimo
per le mura e per la citta in carozza. Andassimo dal
signor conte di Chimburg, che partiva la mattina seguente
per l'Olanda , e la sera si passO nelle stanze di Mons.
nunzio.
1678 Januari 19.
A di 19 detto Mercordi. II. signor cavaliere di Malta
Wartendon col signor barone suo fratello , coll'occasione
che vennero per riverire Mons. nunzio , ci fecero una
una Cortese visita , dalla quale sbrigatici sentissimo la S.
Messa nella capella di casa. Il dopo pranzo s'andO al
passeggio dei bastioni in carrozza colli signori conte Casoni e canonico Pinchiari. La sera in casa del signor
anthasciatore Colbert vi fu la solita conversatione ; ne
mancO lo trattenimento del ballo , del gioco e della cena.
Ritornati a casa stassimo nelle stanze di Mons. nunzio
silo alle XI ore in conversatione.
166
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
1678 Januari 20.
A dl 20 detto Giovedl. Capitorno le lettere d'Italia ,
e quelle di Bologna recorono migliorato it signor Cardinale Buonaccorsi. Piobbl in tutto questo giorno , si
che si sentl la Messa nella capella di casa. Il dopopranzo uscissimo a piedi a pigliar aria , ma l'acqua ci
obbligO di nuovo a ritirarci a casa , dove passassimo la
sera occupati in scrivere per Italia.
1678 Januari 21.
A di 21 detto Venerdl. Si sbrigorono le nostre lettere , e sentissi la Messa nella capella di casa. Il signor
Guido non usci in tutto questo giorno. Il signor cavaliere passeggiO col signor abbate Negroni per la citth,
e per li bastioni. La sera li signori conte Casoni, abbate
du Mesmil e canonico Pinchiari vennero alle nostre
stanze, ove ci trattenessimo in conversatione sino alle
X ora.
1678 Januari 22.
A di 22 detto Sabato. Sentita la S. Messa passeggiassimo per li bastioni e per la oath, essendo it tempo
assai buono. Il dopopranzo andassimo alla campagna in
carrozza a sei cavalli in compagnia del signor conte
Casoni. CominciO a nevicare, onde ritornassimo in citta ,
nella quale appena entrati cesse la neve. Il signor
d'Olivekrens , secondo ambasciatore Svedese , giunse qui
di ritorno dalla Corte del re suo signore a questo Congresso ; e noi , ritiratici a casa , passassimo la sera nelle
stanze di Mons. nunzio.
1678 Januari 23.
A di 23 detto Domenica. La neve caduta in abbondanza la notte scorsa rese impraticabili le strade. Sentissi la S. Messa nella capella di casa , et it dopopranzo
in carrozza assieme con li signori conte Casoni et abbate
Negroni fussimo alla benedizione del SSino. Sagramento
nella chiesa dei missionarii Gesuiti. In appresso andassimo a casa del signor ambasciatore Colbert, per sapere
lo stato di Madame sua moglie , che era ammalata , e
DER NEDERLANDEN
(1677- 1678).167
poi fussimo ally bsolita conversations in casa di Mr.
Spanheim ove erano molte cavalieri , e vi stassimo sino
alle
ora.
1678 Januari 24.
A di 24 detto Lunedl. La notte nevicO , e sentita la
Messa in casa andassimo col signor canonico Pinchiari
a pranzo da Mons. vescovo di Gurgg. Era del numero
dei convitati it signore Stratman , terzo ambasciatore
Cesareo , et altri cavalieri. Stassimo trattenendoci con
lq EE. loro sino alle 4 ore dopo it mezzogiorno , e poi
ci ritirassimo a casa , di dove non uscissimo in quella
sera , che si passO alle stanze di Mons. nunzio.
1678 Januari 25.
A di 25 detto Martedl. Non eravamo usciti di camera , et erano ormai le ora della mattina , quando
una voce confusa giunse alle nostre orecchie , e ci avverti , che it fuoco era in casa. Subito accorressimo , ed
in effetto scorgessimo essere in fuoco la stalla ed it fenile
di Monsignore , che non ostante it suo male erasi levato
dal letto ed inprocinto di salvarsi col ritirarsi fuori di
casa. Ogni uno levava le tapezzerie et asportava le
robbe per- liberarle dall'imminente incendio, che riceveva
esca dalla materia che ardeva , che era tutta di legno ,
e vigore dal vento , che soffiava. Dio lodato , dopo 5 ore
di ben stentata fatica fu interamente estinta la fiamma;
non s'abbruggiO che la stalla , ne si consumorono che li
tetti e certa quantita di fieno. Fu considerabile , che si
preser e assero la capella ; e la cucina , l'una e l'altra
fabricata di legno , e contigue all'edifizio ch'era gi g attaccato dal fuoco. I borgomastri della citta v'accorsero
con molti cittadini , e si come per simili accidenti , che
accadono qui in queste parti frequentemente , v'e una
gran regola in ogni villaggio nonche in ogni citta, cosi
si fa con ogni piu esatta puntualita esseguire. E meraviglioso it vedere operare costoro , poiche in un momento si vedono molte carrette a portar l'acqua , che
pure dal flume stesso si cavava , essendosi di qua e di
la della strada disposte le persone per pigliare l'une
168
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJITING
dalla mano delle altre i secchii che Patti di cuoio passano facilmente e con prestezza , ove it bisogno e urgente. Il danno non fu grave , ne si perdette alcuna
cosa , benche l'affluenza del popolo accorso per rimediare
allo sconcerto fusse grande ed entrasse ognuno con libert y dentro le stanze piii intime della casa. Tutti gli
ambasciatori si cattolici come protestanti mandarono le
loro genti per ajutare ad estinguere it fuoco , ii quale
accidentalmente s'appiccO cosi dal camino da fuoco del
signor ambasciatore Olivecrans , che e contiguo di casa
a quella di Monsignore , cade sopra la stalla e l'inceneri. Monsignore thin°. in questa occasione fu complimentato da tutti i ministri dei principi cattolici , che
inviarono i loro gentiluomini, e dalla maggior parte ancora dei ministri protestanti, che soprabondorono in questo
rincontro molto cortesemente. In tutto questo giorno non
uscissimo di casa , e la sera si passO nelle stanze di
Mons. nunzio.
1678 Januari 26.
A di 26 detto Mercordl. Fu un pessimo tempo in
tutto questo giorno. Nella capella de' Spagnoli sentissimo la S. Messa, e la sera fussimo alla solita conversatione dei signori ambasciatori in casa di Mr. Colbert.
V'era it gioco , it ballo con la solita cena , alla quale
restassimo.
1678 Januari 27.
A di 27 detto Giovedi. Capitorono le lettere d'Italia,
e con quelle di Bologna avessimo poco hone nuove della
salute della signora marchesa Virginia Silvestri, nostra
sorella, alla quale dopo alcuni giorni di dolori e di febre
si sparse it fiele generalmente per tutto it corpo. N ells
capella di casa sentissimo la Messa , et it dopopranzo
venne da not it signor conte di Trautmendorf. La sera
fussimo alla conversazione in casa del signor ambasciatore
di Spagna , marchese de los Balbages , ove era it solito
trattenimento del ballo e gioco , oltre la cena lautissima ,
che si diede da S. Eccellenza ai signori ambasciatori,
come alle dame et alli cavalieri presenti.
DER NEDERLANDEN (1677-1678).
169
1678 Januari 28.
A di 28 detto Venerdl. In tutto questo giorno non si
uscl di casa a causa del tempo piovoso e della spedizione
Belle lettere per Italia. Si send la Messa in casa, e si
passO la sera nelle stanze di Monsignore. In questo
giorno si send tuonare , essendo stato per l'aria un orrido
temporale.
1678 Januari 29.
A di 29 detto Sabato. Col signor conte Casoni andassimo alla Messa nella capella dei Francesi ; di 11 passassimo a pranzo in casa del signor ambasciatore cesareo
conte Chinski , ov'erano diversi cavalieri et it signor presidente Canon , inviato di S. A. S. di Lorena. Stassimo
trattenendoci in diversi discorsi sino alla sera , the passassimo nelle stanze di Monsignore , ove si gioce.
1678 Januari 30.
A di 30 detto Domenica. Il tempo fu piovoso , e si
senti la Messa in casa. Il dopopranzo con li signori
conte Casoni et abbate Negroni andassimo a passeggiare per la citta in carrozza , e poi alla benedizione del
SSmo. Sagramento nella capella dei PP. Gesuiti , v'era
musica e concerto d'instrumenti. La sera andassimo alla
conversazione in casa di Mr. Spanheim , ove oltre i soliti
cavalieri vi erano B. signor presidente Canon ed abbate
Rosselli , ministro della Casa di Buglione.
1678 Januari 31.
A di 31 detto Lunedl. In questa mattina non s'uscl
di casa , ove sentissimo Messa ; it dopopranzo in compagnia delli signor canonic° Pinchiari e conte Casoni
andassimo a visitare ii signor conte di Colubrat , conosciuto da not in Anversa. Il signor conte Casoni stette
alle nostre stanze in conversatione , e poi passassimo a
quelle di Monsignore , ove stassimo sino alle 10 ora
della node.
1678 Februari 1.
A di primo Febbraro Martedl. Si sentl la Messa in
170
EEN ITALIAANSCAE RE1SBESCHRIJVING
Casa, et it dopopranzo in carrozza con li signori conte
Casoni e canonico Pinchiari passeggiassimo per la citta ;
fussimo a comprare de' libri. E la sera si passb in casa
nelle stanze di Mons. nunzio.
1678 Februari 2.
A di 2 detto Mercordi. Non si usci di casa , ove intendessimo la Messa. Il dopopranzo fussimo in carrozza
a passeggiare per la oath, col signor conte Casoni. Mr.
Spanheim fu a favorirci e stette da not sino alle 8 ore
della sera. Il signor cavaliere usel et ande alla conversatione in casa di Mr. Colbert, ove era it solito trattenimento del gioco e della cena. Il signor Guido stette
con Mons. nunzio , e gioco nelle sue stanze.
1678 Februari 3.
A di 3 detto Giovedi. NevicO in quella mattina , e
giunsero le lettere d'Italia ; quelle di Bologna ci portarono migliore nuova dello stato della signora marchesa
Silvestri. Sentissi Messa nella capella di casa , e dopo
it pranzo non cessando la neve , non si usci di casa.
Fussimo alle stanze del signor abbate Negroni, ch'era indisposto ; e poi cominciassimo a scrivere per l'ordinario
d'Italia. La sera it tempo si butte alla pioggia , e la
passassimo sino alle X ore nelle stanze di Mons. nunzio.
1678 Februari 4.
A di 4 detto Venerdi. Non si usci da casa a causa
del tempo cattivo. Udita la Messa, fussimo alle stanze
del signor canonico , the stava in letto aggravato dalla
febre. II dopopranzo scrivessimo in A vignone , e sbrigassimo le lettere d'Italia ; la sera si passe nelle stanze
di Monsignore.
1678 Februari 5.
A di 5 detto Sabato. Il signor Guido non usel di
camera, per avere un poco di dolore di capo. Il signor
cavaliere senti la Messa in casa, et ii dopopranzo andO
a passeggiare alli bastioni con i signori conte Casoni et
abbate Negroni. Il signor abbate du Mesmil fu la sera
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
171
nelle nostre stanze , e poi il signor cavaliere and a
quelle del signor Pinchiari , che si trovava libero dalla
sua febre.
1678 Februari 6.
A di 6 detto Domenica. Il tempo fu piovoso , onde
in tutto quel giorno non s'usci di casa , ove sentissimo
la S. Messa. II dopopranzo stassimo dal signor Pinchiari,
che travagliava per alcuni dolori colici sopragiuntigli.
La sera si passO nelle stanze di Mons. nunzio , ove si
gioce.
1678 Februari 7.
A di 7 detto Lunedl. Piobbe , nevice e fete un furioso vento in questo giorno. Sentissi la messa in casa,
et il restante della giornata si passO nelle stanze del
signor Pinchiari , che si cavb sangue e si libero dalli
dolori e dalla febre. NevicO tutto il restante del giorno
e la notte. La sera fussimo alle stanze di Monsignore.
1678 Februari 8.
A di 8 detto Martedl. Il vento non cessb , e la neve
era molto alta sopra la terra. Sentissimo al solito la
Messa in casa , dalla quale non uscissimo in tutto quel
giorno , tenendo compagnia al signor Pinchiari, che libero
da ogni male non abbandonO pere le sue stanze. In
quelle di Monsignore si pass?) il restante della sera , e
poi scrivessimo in Amsterdam.
1678 Februari 9.
A di 9 detto Mercordi. Sentissimo la S. Messa nella
capella di casa ; il dopo pranzo assieme al signor conte
Casoni rendessimo visits al signor conte di Rosemberg,
che fattosi male ad una gamba teneva il letto. Questo
cavaliere e tedesco , camerata di Mons. vescovo di Gurgg ,
e cameriero della Chiave d'oro di S. M. Cesarea. Stassimo da lui sino alle 8 ora della notte , e retirati a casa
passassimo il restante della sera nelle stanze di Mons.
nunzio.
172
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
1678 Februari 10.
A di 10 detto Giovedl. Venne l'ordinario d'Italia , ne
red) nuova alcuna. Sentissimo la S. Messa in Casa, di
dove non uscissimo per causa, della neve abbondantemente caduta nella scorsa notte. Il dopopranzo andassimo a casa del signor marchese de los Balbaces, ove si
recith una comedia dal signor duca di S. Pietro , genero
di Sua Eccellenza e da altri gentiluomini della Corte del
medesimo signor ambasciatore. Si rappresenth it Principe
Giardiniero del Cicognini , e riusci molto bene per la
bona dei recitanti, come per la nobilta dei vestiti e per
la bellezza delle scene. V'intervenne una parte degli
ambasciatori e quelli che non hanno competenza fra di
loco. In appresso vi fu it solito trattenimento del gioco ,
ne mancovvi una lautissima cena.
1678 Februari 11.
A di 11 detto Venerdl. Piobbe in tutta la notte
scorsa , ed in questa mattina continuo!) it pessimo tempo.
Ci trattenessimo a scrivere in tutto questo giorno a Bologna et a Roma. La sera si passO alle stanze del signor
conte Casoni in compagnia del signor abbate du Mesmil.
1678 Februari 12.
A di 12 detto Sabato. Giorno della Santissima Purificazione della B. V. conforme lo stile vecchio. Si sentl
la S. Messa nella capella di casa, et it dopopranzo assieme colli signori Pinchiari e conte Casoni andassimo
dal signor conte di Rosemberg , ove stassimo sino alle
8 ora della sera a causa del tempo piovosissimo. Ritornati a casa fussimo alle stanze di Mons. nunzio sino
alle 10 ora.
1678 Februari 13.
A di 13 detto Domenica. Le lettere di Parigi portorono l'avviso della partenza di S. M. Cristianissima per
la Lorena. Si senti la Messa in casa , e it dopopranzo
venne da not it signor abbate du Mesmil, col quale
assieme al signor conte Casoni andassimo alla comedia,
che di nuovo si rappresente in casa del signor marchese
DAR NEDERL AMEN ( 1617-1678). 173
de los Balbages. Mons. nunzio v'intervenne, et it concorso fu numeroso. Ritiratici a casa , it signor abbate
du Mesmil rest?) con not sin.° alle X ora della notte.
1678 Februari 14.
A di 14 detto Lunedl. Si senti la Messa in casa , et
it dopopranzo in carrozza coi signori Pinchiari e Casoni
passeggiassimo per li bastioni e per la citta. La sera si
passO Ilene stanze di Mons. nunzio.
1678 Februari 15.
A di 15 detto Martedi. Si senti la S. Messa, e poi
si passeggiO per la citta. Il dopopranzo si fete lo stesso
in carrozza , ed in compagnia del signor conte Casoni;
la sera si andO in casa di Mr. Spanheim , invitati a un
ballo , che era numeroso di dame della citta. Madame
Colbert v'intervenne mascherata con alcune genti di sua
Corte ; le signore ambasciatorici Beverningh d'Olanda, e
Blaspiel di Brandeburgo vi furono ; et a queste Eccellenze
assieme con 14 dame fu data una lautissima cena dal
medesimo Spanheim ; la conversazione durO sin a 2 ore
copra mezza notte.
1678 Februari 16.
A di 16 detto Mercordi. Il signor cavaliere andO a
sentire la S. Messa nella capella de' Spagnoli , ed it
signor Guido non uscl di casa. .11 dopo pranzo vennero
alle nostre stanze li signori conte di Colubrat e di Rosemberg , ed in compagnia di questi signori assieme col
signor conte Casoni andassimo la sera alla conversazione
in casa del signor ambasciatore Colbert , quivi oltre it
solito trattenimento del giuoco , vi fu quello del ballo ,
al quale vennero molte maschere , e della cena , che fu
lautamente imbandita.
1678 Februari 17.
A di 17 detto Giovedl. Colle lettere d'Italia ricevessimo quelle di Bologna. Si senti la S. Messa in casa,
et it signor cavaliere andO col signor abbate Negroni a
174
EtNE ITA.LIAINSCHE REISBESCIIRIJVING
passeggiare alli bastioni. Il dopopranzo venne da noi it
signor abbate du Mesmil , e con questi e col signor conte
Casoni andassimo a passeggiare per la citta. Ci rendessimo poi alla casa del signor ambasciatore di Spagna
marchese de los Balbaces , ove si recitO dalle signore
duchessa di S. Pietro e marchesa di Quimana , sorelle e
figliole rispettivamente di S. Eccellenza , assieme alle
loro dame , una comedia intitolata Amore Violenza del
Cielo. Questa riusci nobile per essere recitata bene e
sontuosa per gli abiti. Dopo questo trattenimento fu data
una lautissima cena alle ambasciatrici , ambasciatori, dame
e cavalieri , e si bane sino alle 2 sopra la mezza notte.
1678 Februari 18.
A di 18 detto Venerdi. Il signor cavaliere and a
passeggiare col signor abbate Negroni ; e sentita la S.
Messa , it restante del giorno si spese in scrivere per la
posta d'Italia. Li signori du Mesmil e Bazain vennero
da noi , e si trattennero fino alle 9 ore della sera nelle
nostre stanze. Il signor Guido passO poi a quelle del
signor conte Casoni, et it signor cavaliere a quelle di
Mons. nunzio.
1678 Februari 19.
A di 19 detto Sabato. Stante it tempo umido non
s'usci di casa in questa mattina e dopo it pranzo vennero
da noi li signori abbate du Mesmil e Bazain , con questi
assieme col signor conte Casoni andassimo alla comedia
delle dame in casa del signor marchese de los Balbaces ,
di dove poi passassimo al ballo in casa di Madame di
Bomel , lama della prima condizione di questa provincia
di Gheldria. Riusci molto bella e nobile la conversazione
per it numero delle persone pit riguardevoli della citta ,
e per le maschere , e per l'intervento di alcuni di questi
signori ambasciatori , the similmente vi comparvero mascherati. Di qui uscissinio dopo la mezzanotte , e ci ritirassimo a casa.
1678 Februari 20.
A di 20 detto Domenica. Non si uscl di casa questa
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
175
matting , e si send la Messa nella capella di Monsignore.
Il dopopranzo si and) a passeggiare alli bastioni e per
la citta in compagnia di Mr. Bazain e del signor conte
Casoni. La sera in casa del signor marchese de los
Balbaces, vi fu un nobile e numeroso ballo , ove intervennero molte maschere. Alle dame invitate fu data una
lautissima cena , e si balk) sino alle 2 ore sopra mezza
notte.
1678 Februari 21.
A dl 21 detto Lunedl. Il signor Guido col signor
conte Casoni passeggib in questa mattina lungo i bastioni ; it signor cavaliere fete lo stesso col signor Pinchiari. II tempo era bello , e perciO s'incontrorono al
passeggio quasi tutte gli ambasciatori. Si send la Messa
nella capella di casa. T1 signor cavaliere pranzO in casa
di Mr. d'Iliicker in compagnia di Mr. e M me . Spanheim e d'un'altra lama forestiera , v'erano altri cavalieri ancora convitati , et it pranzo fu lautamente apprestato. La sera si ball) in casa del signor conte d'Oxenstiern , ove alle dame invitate in molto numero fu
data una nobilissima cena , et it trattenimento d'alcuni
balli alla mods di Svezia , la conversazione dure sino alle
2 ore sopra mezza notte.
1678 Februari 22.
A dl 22 detto Martedl. Col signor Pinchiari fussimo
a passeggiare per gli bastioni della citta ; it dopopranzo
in carrozza passeggiassimo per la citta, col sudetto signor
Pinchiari e con li signori conte Casoni et abbate du
Mesmil. La sera si wide al ballo , che diede alle dame
in casa di Mr. Temple it signor ambasciatore Colbert.
Ogn'uno vi comparve mascherato , e la festa fu bella
e nobile per la diversity dei vestiti bizzarri e ricchi ,
che si videro , e per la cena sontuosissima e galante ,
che fu nobilmente imbandita alle dame.
1678 Februari 23.
A di 23 detto Mercordl. Giorno delle Ceneri , che
pigliassimo nella capella di casa , ove pure sentissimo la
116
EENE ITALIA.A.NSCHE REISBESCHRIJVING
S. Messa. Il dopopranzo il tempo fu sereno , e cosi si
passeggiO per la citth, e la sera si passe in conversazione
nelle stanze di Mons. nunzio.
1678 Februari 24.
A di 24 detto Giovedl. Giunsero le lettere &Italia ,
quelle di Bologna ci portorono l'avviso , the il male della
signora marchesa Silvestri , nostra sorella , continuava,
ma senza pericolo , essendo di semplice itterizia. Si send
la Messa in casa, ne si usci a causa della pioggia. II
dopopranzo passeggiassimo per la citta assieme colli signori
Pinchiari, Casoni et du Mesmil. Fussimo poi lino alle
2 ora della notte in casa di Mr. Spanheim , ov'era Madame sua moglie con altri cavalieri all y conversazione
solita. Il restante della sera si passO nelle stanze di
Mons. nunzio in conversazione.
1678 Februari 25.
A di 25 detto VenerdI. La pioggia e l'occupazione
dello scrivere a Bologna ci tennero in casa per tutto
il giorno. Si send la Messa nella capella di Mons. nunzio,
e la sera si passe nelle stanze di SS. Ilima. In quella
notte more il signore Somnitz , primo ambasciatore plenipotenziario di S. A. E. di Brandemburgo , dopo aver
fatta una lunga resistenza ad una non cotta e noiosa
malattia , spire a 3 ore copra la mezzanotte e rese l'anima
tra le strida di 4 ministri della setta di Calvino. 11 silo
t orpo non fu sepolto in Nimega, mentre la moglie ha
risoluto d'inviarlo nella Marca di Brandemburgo per riporlo
nel sepolcro dei suoi antenati.
1678 Februari 26.
A di 26 detto Sabato. Essendo la giornata bella, si
passeggie la mattina et il dopopranzo per la citta con li
signori conte Casoni , du Mesmil e canonico Pinchiari.
Il signor Guido passO la sera in casa di Mr. Spanheim , et il cavaliere non usci.
1678 Februari 27.
A di 27 detto Domenica. Il giorno bello °Invite al
bER NEDERLANDEN
(1677-1678).
177
passeggio delli bastioni , e si senti. la S. Messa nella
capella di casa. Il dopopranzo in carozza andassimo colli
signori Pinchiari e Casoni alla campagna , e la sera fussimo in casa di Mr. Spanheim alla solita conversazione.
1678 Februari 28.
A di ultimo detto Lun.edl. Si passeggio per la citth
la mattina , et il dopopranzo 'alla campagna continuando
il bel tempo. II signor abbate du Mesmil fu da noi la
sera , e stassimo con esso in conversazione nelle stanze
del signor conte Casoni sino alle X ora della notte.
1678 Maart 1.
A dl primo Marzo Martedl. Il tempo continuo bell°,
e perciO si passeggio in questa mattina per la cittai , et
il dopopranzo s'andO alla campagna assieme colli signori
Pinchiari e conte Casoni , nelle stanze di questi passassimo parte della sera , e poi fussimo in quelle di Mons. nunzio.
1678 Maart 2.
A di 2 detto Mercordi. Ii vento non ci permise l'uscire
di casa. Il dopopranzo andassimo a visitare Mr. d'Iliicker,
in appresso coi signori Pinchiari et abbate du Mesmil
fussimo al passeggio dei bastioni in carrozza. Passassimo
la sera nella nostre stanze.
1678 Maart 3.
A di 3 detto Giovedl. Colle lettere d'Italia ci capitorono quelle di Bologna , e con poche buone nuove
salute della signora marchesa Silvestri , nostra sorella.
Sentissimo la S. Messa in casa , et il dopopranzo passeggiassimo per la citta col signor conte Casoni. La sera
si passe nelle stanze di Mons. nunzio , ove si giocO.
1678 Maart 4.
A di 4 detto Venerdi. Ii tempo fu piovoso , ne uscissimo di casa occupati in scrivere a Bologna ; il dopopranzo fussimo alla capella de' Spagnoli , ove v'era il
sermone. Si recite il rosario , e si diede la benedizione
del Minos Sagramento. La sera ritiratici in casa , spedis'12
Bijdr. en Meded. XXXVI.
1 7 8
EEN ITALIAINSCHE REISBESCHRIJVING
simo le lettere , e poi passassimo alle stanze di Mons.
nunzio.
1678 Maart 5.
A di 5 detto Sabato. Si passeggiO la mattina, alli
bastioni ; et it dopopranzo si fece lo stesso in compagnia
dei signori Spanheim et abbate du Mesmil ; stassimo in
casa del primo sino alle 2 ora della notte, e poi ritiratici a casa passassimo it rimanente della sera in conversatione nelle stanze di Mons. nunzio.
1678 Maart 6.
A di 6 detto Domenica. Il signor Guido non usci di
casa in questa mattina. Il signor cavaliere col signor
abbate Negroni andO al sermone italiano , the si fece
nella capella de' Spagnoli. Il dopopranzo fussimo invitati ad una predica francese nella capella dei signori
ambasciatori di Francia. E dopo averla sentita , andassumo a pigliar aria alla campagna in carrozza a 6 cavalli
insierne colli signori Pinchiari e Casoni. Con quest'ultimo ii signor cavaliere passe la sera in conversazione in
casa del signor Spanheim , et II signor Guido gioce nelle
stanze di Mons. nunzio.
1678 Maart 7.
A di 7 detto Lunedi. Il vento e la pioggia mescolata
con neve non ci lasciorono uscire di casa in tutto questo
giorno. Il dopo pranzo stassimo nelle stanze del signor
conte Casoni, e sopragiungendovi it signor abbate du
Mesmil vi passassimo in conversazione tutta la sera.
1678 Maart 8.
A di 8 detto Martedi. La mattina nevicb , e non
ostante cib passeggiassimo per la citta. Il dopopranzo
facessimo lo stesso in compagnia del signor conte Casoni ;
la sera si passe in conversazione nelle stanze di Monsignore , e poi in quelle del conte Casoni sin all'ora di cena.
1678 Maart 9.
A di 9 detto Mercordi. Non si usci di casa in quella
mattina. Il signor Spanheim fu da not it dopopranzo , e
DER NEDERLANDEN
(1677—t678}.
179
ci condusse assietne colli signori canonico Pinchiari , conte
Casoni, du Mesmil, a vedere it Museo del signor Smetio ,
cittadino di questa cotta et uomo molto erudito n.ell'antichita. In esso vedessimo una lunghissima serie di medaglie antiche assai bene in ordine ; benche la maggior
parte di dette medaglie siano nel Toro essere mal conservate. Ve ne sono d'oro e d'argento in abbondanza ,
ne ye ne mancano di quelle che sono rarissime. In appresso vedessimo una quantit y non disprezzabile di idoletti , di stilli , di fibbie antiche , l'une e gli altri altretanto rani quanto curiosi. In un arrnario distintamente
ci mostre una quantity di urne , e di lucerne diverse , e
di pesi, d'anelli ed altre cose molto rare e curiose.
In una delle dette urne vi erano le ceneri e l'ossa,
dal che bastantemente si comprende, in che forma quelle
si conservavano dagli antichi. Ci mostre lo stesso signor
Smetio alcune pietre antichissime di terra cotta del paese ,
nelle quali stanno notate con lettere romane le memorie
della XII legione , che qui alloggiO nei tempi della
romana grandezza. Ci disse lo stesso virtuoso che tra,
la diligenza di suo padre e la sua avevano ammasate
X m. medaglie incirca , e che si trovava pill di 1000
sorti di fibbie antiche , si come ancora moltissime di
quelle pietre. Cose tutte che provano , che questa citta
fusse l'antico oppidum Batavorum. Si trovano nel flume
Waale giornalmente delle medaglie , degli idoli ed altre
cose curiose , che si pescano con facilit y , quando l'acqua
e quieta e chiara. Presentemente lo stesso Smetio stampa
un libro 1) , che arricchito di figure contiene non solo
l'istoria di Nimega , ma ancora l'antichita curiose , che si
conservano in questo museo.
Usciti di qui , passassimo a casa del signor Spanheim
in conversazione del quale stassimo la sera sino alle X ora.
1678 Maart 10.
A di X detto Giovedi. Le lettere d'Italia comparvero ,
1) Dit boek van Johannes Smetius Jr. verscheen onder den titel:
Antiquitates Neomagienses (Noviomagi Batavorurn. 1678) in 4°.
180
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
e con quelle di Bologna ricevessimo avvisi del notabile
miglioramento della signora marchesa Silvestri, nostra
sorella, si che ne ringrassassimo Iddio con tutto it cuore.
Passeggiassimo per la citta col signor conte Casoni , et
it dopopranzo fu da not it signor abbate du Mesmil , col
quale uscissimo a pigliar aria essendo la giornata bellissima , e passeggiassimo per li bastioni assieme colli signori conti di Colubrat , di Rosemberg , e di Franckenberg , tutti cavalieri tedeschi e camerati di Mons. vescovo
di Gurgg. La sera ci ritirassimo a casa, e fussimo alle
stanze di Mons. nunzio.
1678 Maart 11.
A di XI detto Venerdi. Il signor Guido non usci di
casa. Il signor cavaliers passeggie per li bastioni assieme col signor conte Casoni. Il dopopranzo in carozza
a 6 cavalli col suddetto signor conte e signor auditore
Pinchiari andassimo a Cranenburg , villaggio murato e
posto nel ducato di Cleves due ora di Nimega. Questo
spetta al signor marchese elettore di Brandemburgo , che
riconoscendo la virtu d'un tale Monsieur d'Offe , chirurgo
di molto credit°, voile donarglielo in propriet y durance
la di lui vita. Quest'uomo e fatto ricco , e chiamato da
diversi principi in occasioni urgenti ha augmentato le
proprie faculty con li regali riportati. Il re di Francia
gli Bono 20 mila scudi per avere guarito un suo figliuolo
naturale ; ed in riguardo del suo merito si ha nelle presend guerre liberato dalle contribuzioni ii suddetto villaggio , come ancora tutti ii terreni che ne dipendono.
Tanto puO la virtu , che benche pasta in persona di condizione ordinaria , non manca di risplendere e di farsi
conoscere da per tutto. Il villaggio e nella maggior
parte cattolico; v'e una chiesa antica , e vi s'augmenta
it numero delle case e degli abitanti. Ritornati a casa
scrivessimo in quella sera a Bologna , e poi fussimo alle
stanze di Mons. nunzio.
1678 Maart 12.
A di 12 detto Sabato. Il signor Ducker fu a farci
favore in questa mattina, e si come Sua Signoria si trat-
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
181
tenne per lungo spazio con noi , cosl non uscissimo punto
dalle nostre stanze. Il dopopranzo facendo cattivo tempo,
andassimo colli signori conte Casoni et abbate du Mesmil
a visitare 111r. Spanheim , e stassimo seco sino all'ora
di cena.
1678 Maart 13.
A di 13 detto Domenica. Il signor Guido non usci
in tutto it giorno. 11 signor cavaliere andO dopo it pranzo
alla predica nella Capella de' Francesi , e sul tardi vennero da noi li signori conti di Chimburg , Rosemberg ,
Colubrat et Franckelberg. Partiti questi signori , passassimo it restante della sera nelle stanze di Mons. nunzio.
1678 Maart 14.
A dl 14 detto Lunedi. Fece pioggia , vento e neve,
si the non s'usci di casa in tutto quel giorno. Passassimo it dopopranzo nelle stanze del signor conte Casoni,
ove la sera venne it signor conte di Chimburg , the partiva la mattina seguente con Mons. vescovo di Gurgg per
Dusseldorf , ove si portava S. E. per conferire col signor
duca di Neoburg.
1678 Maart 15.
A di 15 detto Martedi. Non s'usci di casa in tutto
quel giorno , in cui oltre la densa pioggia , ed it vento
cadde molta neve. La sera si passe nelle stanze di Monsignore e si gioce.
1678 Maart 16.
A di 16 detto Mercordi. Il tempo continuo cattivo.
Dopopranzo it signor Guido fu in carrozza col signor
conte Casoni e Mr. de Borzeville , gentiluomo di Mr.
Colbert , a passeggiare per la citta. Il signor cavaliere
non use), in tutto quel giorno , e la sera si passe nelle
stanze del signor conte Casoni assieme col signor abbate
du Mesmil.
1678 Maart 17.
A dl 17 detto Giovedl. Non comparvero le lettere
182
EEN ITAIIIANSCHE REISBESCHRIJVING
d'Italia , perche erano restate addietro a causa dei tempi
cattivi. Il signor ambasciatore di Svezia Olivecrans parti
da questo Congresso , per passere a Londra per negozii
del re suo signore ; not non uscissimo di casa in quella
mattina. Il signor Guido fu it dopo pranzo a passeggiare
per la citta colli signori conte Casoni e canonico Pinchiari , et alla benedizione del SS mO . Sagramento nella
capella dei PP. Domenicani , che celebravano la festa di
S. Tomaso d'Aquino. La sera si passe in casa.
1678 Maart 18.
A di 18 detto Venerdi. Si scrisse in questa mattina
a Bologna , et it dopopranzo assieme colli signori Pinchiari e Casoni fussimo alla capella de' Spagnoli , ove si
recitb it Rosario , si fece un sermone e si diede la benedizione del SSmO . Sagramento. La sera si passe nelle
stanze di Monsignore.
1678 Maart 19.
A di 19 detto Sabato. SoffiO in tutto it giorno un
vento impetuoso. Il signor Guido non usci. II signor
cavaliere col signor Pinchiari fu da Mr. Spanheim , e la
sera si giocb nelle stanze di Monsignore.
1678 Maart 20.
A di 20 detto Domenica. Non si usci di casa in
questa mattina. Il dopopranzo fussimo a passeggiare per
li bastioni della citta con li signori conte Casoni , Pinchiari e du Mesmil. La sera si passe nelle stanze del
signor Pinchiari in compagnia del signor abbate Roussel.
1678 Maart 21.
A di 21 detto Lunedi. Il signor Guido non usci di
stanza in tutto it giorno a causa del dolor di capo. Il
dopo pranzo it signor cavaliere con li signori canonico
Pinchiari , conte Casoni e it Padre Limojon , Agostiniano
d'Avignone , passeggib per li bastioni e per la citta;
s'andô a vedere l'Ospitale , casa grande , assai ben tenuta
e che era altra volta it convento dei PP. Agostiniani.
In questo luogo , che e ricco non solo per le rendite 1
DER NEDERLANDEN (1677-1678).
183
ma ancora per Pelemosine , si mantiene un cert .() numero
di vecchi dell'uno e dell'altro sesso , che inabili per l'eta
vengono assistiti con molta carita. La fabrica e comoda ,
ma non sontuosa , e la chiesa, che e grande oggidi e
ridotta ad use di magazzeno , ove si conservano legna
vecchie et arnesi guasti. Usciti di qui, s'andO alla benedittione del SSino. Sagramento nella capella dei PP. Agostiniani, e la sera si stette alle stanze di 1VIonsignore ,
ove si giocO.
1678 Maart 22.
A di 22 detto Martedi. 11 tempo molto bello c'invitO
al pässeggio ordinario Belli bastioni. Il signor Guido col
signor conte Casoni fu a sentire la S. Messa nella capella degl'Imperiali, et it signor cavaliere la sentl in
casa. Il dopopranzo assieme colli signori Pinchiari e
conte Casoni passeggiassimo in carrozza a 6 cavalli alla
campagna , e godessimo della serenita dell'aria di quel
giorno. La sera si passe alle nostre stanze.
1678 Maart 23.
A di 23 detto Mercordi. Il signor Guido fu a passeggiare col signor conte Casoni ; it signor cavaliere fece
lo stesso in compagnia del signor Negroni , e fu alla
capella de' Spagnoli a sentire una predica fatta dal Padre
1) nel lionferrato Cappuccino ,
Salvatore da che sta a casa di Mons. nunzio. Il dopo pranzo it signor
Guido andO co' signori abbate du Mesmil , conte Casoni,
e canonico Pinchiari a passeggiare alla campagna in
carrozza a 6 cavalli , it signor cavaliere andO fuori a
spasso col sudetto Padre Carlo Limojon e fu poi alla
benedizione del SS mO . Sagramento nella capella de' PP.
Agostiniani. La sera si passe nelle stanze di Mons.
nunzio , ove si giocO.
1678 Maart 24.
A di 24 detto Giovedi. Vennero le lettere d'Italia , e
1,) De imam is verder Blanco gelaten.
184
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
ricevessimo con quelle di Bologna nuove migliori della
signora marchesa Silvestri , nostra sorella. Passeggiassimo la mattina assieme con Mr. Spanheim e Mr. Ducker
et altri signori per li bastioni. II dopo pranzo assieme
colli signori Conte Casoni e Pinchiari fussimo a Imburg,
casa di campagna di un gentiluomo di questo paese dello
stesso home. La casa 6 commoda , it sito e bello , e vi
e una fontana copiosa di acque , che bagnano l'edifizio
da una parte. Stassimo in casa la sera e principiassimo
a scrivere le nostre lettere per Bologna.
1678 Maart 25.
A di 25 detto Venerdi. La mattina si passeggiö per
la oath e per i bastioni con Mr. de Borzeville , et altri
signori tedeschi , it dopo pranzo it signor Guido andO alla
campagna in carozza a 6 cavalli con li signori Pinchiari
e Casoni. Il signor cavaliere fu a passeggiare per la
citta e poi andO alla capella de' Spagnoli , ove si diede
la benedizione del M in °. Sagramento , e vi fu un sermone.
La sera dopo sbrigate le lettere per Bologna , fussimo a
giuocare nelle stanze di Mons. nunzio.
1678 Maart 26.
A di 26 detto Sabato. Scrivessimo in Amsterdam , e
poi fussimo alla piazza maggiore di questa citta , ove
vedessimo esposta alla berlina una femina , che ornata
di scope stava sopra un palco legata ad una colonna di
pietra, ch'a questo effetto e eretta nella stessa piazza.
Il ministro di giustizia , legata che ebbe la donna , si
pose a sedere sopra lo stesso palco et assistette a tutta
la ceremonia , che termin g coll'essilio della donna accusata di adulterio e di ruffianesmo. In appresso sentissimo la S. Messa nella capella de' Spagnoli , et in casa
del signor marchese de los Balbaces fussimo a vedere
una superba tappezzeria d'arrazzi d'oro. Il dissegno , che
e di Raffaele d'Urbino , rappresenta le battaglie et it
trionfo di Pompeo B. Grande , e l'oro vi e a profusione.
Consiste la tappezzeria in 8 pezzi lunghissimi , che furono
donati al famoso generale Ambrogio Spinola , avo del
suddetto signor ambasciatore dalli Stati Generali Belle
DER NEDERLA.NDEN 1
6 77 —1678.)
185
Provincie Unite coll'occasione della lega stipolata tra
Spagna e le Provincie suddette sin nell'anno 1609.
Vedessimo ancora, 24 portiere tutte ricamate d'oro , che
Bono al maggior segno nobili. Il dopopranzo fussimo alla
benedizione del SSmo. Sagramento nella capella dei PP.
Gesuiti , e poi a passeggiare per H bastioni col signor
conte Casoni. La sera fussimo da Mr. Spanheim alla
solita conversatione, alla quale intervenne it signor Blaspiel ,
ambasciatore plenipotenziario di S. A. E. di Brandemburgo.
1678 Maart 27.
A di 27 detto Domenica. Fussimo alle stanze del
signor Pinchiari , che trovavasi aggravato dal dolore dei
calcoli e dopo sentita la S. Messa in casa , it signor
cavaliere andO a passeggiare per la citta. Il dopopranzo
it medesimo fu a una predica Francese nella capella dei
Francesi , e poi col signor abbate Roussel e col signor
conte Casoni fussimo a passeggiare in carrozza. La sera
si passe nelle stanze di Monsignore e si gioce.
1678 Maart 28.
A di 28 detto Lunedl. Con un cocchio da vettura
assieme colli signori conte Casoni , abbate Negroni ed
Ignazio Van Wicken di Nimega partissimo la mattina a
buon ora per Cleves. Il tempo fu piovoso et it camino
fangoso. Passassimo per Cranenburgo e senza fermarvici
seguitassimo it camino , che piano non fu disastroso ,
benchê piovesse. In vicinanza di Cleves entrassimo nel
parco di S. A. E. di Brandemburgo , che circondato da
una folta palizzata , a non solo grande , ma delizioso per
la diversita, del sito , che s'innalza da una parte in monticelli non aspri e si stende dall'altra in amena pianura.
Quelli sono coperti da folti alberi , e questa n'e similmente abbondante. Li cervi , li daini et altri animali
non mancano per lo divertimento della caccia e per compimento della delizia vi scorre molt'acqua divisa in
canali. Nel mezzo del viale , per cui passassimo , nella
falda della collina sta posts una loggia di legno in forma
d'anphiteatro , e pia abasso s'innalza una fontana, dally
186
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
quale l'acqua passa in un'altra di grottesco , l'una e l'altra
sono assai galanti. Nel mezzo di un viale vi e una
colonna , sopra la quale sta una statua in piedi , -che non
conoscessimo qual personaggio rappresentasse , non vi
essendo alcuna inscrizzione. Usciti dal parco entrassimo
nella citta di Cleves , che 6 molto rinomata a causa del1)
l'antichita sua e del nome , che da al ducata
Su le 3 ore dopo mezzogiorno s'incaminassimo di ritorno a Nimega; e caminando per la gia descritta strada
arrivassimo alle 5 ore a Cranemburgo. Qui smontati dal
cocchio , andassimo in Casa del prete , che ricevutoci cortesemente all'usanza del paese ci complimentO con due
fiaschi di vino , quali bisognO vuotare prima di andare a
vedere la chiesa che ci mostrO con molta cortesia. Quella
e a tre navi alla gothica e non ha in se cosa di rimarco.
Introdotti in una capella , ci fu mostrato un Crocifisso ,
che fu naturalmente formato in un albero , contro del
quale un empio aveva sputato un' Ostia santissima; la
corteccia 6 visibile , e le fattezze del Cristo sono formate
dalla natura mirabilmente. Fu questo ritrovato nell'anno
1309 , e si conserva qui molto devotamente. Licenziatici
dal suddetto prete rimontassimo in cocchio , e alle 7 ore
Belle sera giungessimo in Nimega.
1678 Maart 29.
A di 29 detto Martedi. Passeggiassimo in quella
mattina li bastioni e fussimo a vedere it signor Pinchiari , ch'era pit del solito aggravato da dolori di calcolo. Il dopopranzo it signor Guido usci solo a passeggiare per la citta , et it signor cavaliere fece lo stesso
in carrozza con li signori conte Casoni e abbate du
Mesmil. La sera si passO nelle stanze del signor Pinchiari.
1678 Maart 30.
A di 30 detto Mercordl. La mattina colli signori
abbate du Mesmil e Negroni fussimo alla predica ita-
1) Thans volgen (p. 454-456) eene uiteenzetting der Kleefsche erfquestie en (p. 456-462) eene beschrijving der stall Kleef.
DER NEDERLANDEN (1
6 7 7 — 1 678).
187
liana nella capella di Spagna , ove pure sentissimo Messa.
Il dopopranzo it signor cavaliere visite Mr. Makerseim ,
gentiluomo tedesco , e poi col signore conte Casoni andassimo a passeggiare per la citta e per li bastioni. Incontrassimo Mr. Spanheim , e con esso andassimo a casa
sua, ove stassimo in conversatione sino alle 8 ore della
sera. Ritiratici a casa ii signor abbate du Mesmil stette
da noi sino alle X di sera in conversazione nelle stanze
del signor conte Casoni.
1678 Maart 31.
A di ultimo detto Giovedi. La mattina fussimo alla
Messa et alla predica nella capella de' Francesi. Si ricevettero le lettere d'Italia , e da Bologna buone nuove
dello stato di nostra sorella , di cui pia volte si e fatta
mentione di sopra. Dopo ii pranzo fu da noi it signor
abbate du Mesmil , et it P. Carlo Limoson , ne uscissimo
di casa , essendo it tempo piovoso e ventoso. Cominciassimo questa sera a preparare le nostre cose per la partenza nostra risoluta dopo Pasqua , e poi al tardi fussimo
alle stanze di Mons. nuncio.
1678 April 1.
A di primo Aprile Venerdi. Scrivessimo a Bologna in
questa mattina e sentissimo Messa nella capella di casa.
II signor abbate du Mesmil fu da noi it dopopranzo , e
con esso e col signor conte Casoni passeggiassimo in
carrozza per la citta. La sera si stette alle stanze del
signor Pinchiari , the rimessosi intieramente dal male
stava levato dal letto. Il signor abbate suddetto vi fu ,
e stassimo in conversatione sino alle X ora della notte.
1678 April 2.
A di 2 detto Sabato. Fussimo a passeggiare, e poi
ci rendessimo da un libraro , e comprassimo alcuni libri.
Colli signori conte Casoni et abbate du Mesmil fussimo
dopo it pranzo a passeggiare in carrozza per la citta, e
fussimo da Mr. Spanheim. Il signor Guido passO la sera
nelle stanze di Mons. nuncio , et it signor cavaliere nelle
propria.
188
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
1678 April 3.
A di 3 detto Domenica. Non s'usci di casa per it
tempo piovoso , onde sentissi Messa nella Capella di casa.
Il dopopranzo s'andO alla predica nella capella di Francia ,
e postosi it tempo a buono , passeggiassimo per la oath,
e per gli bastioni col signor conte Casoni. Il signor
cavaliers col signor abbate Negroni ands sul tardi alla
benedizione del SS mo. Sagramento nella capella dei PP.
Recoletti. La sera si passe nelle stanze di Mons. nunzio.
1678 April 4.
A di 4 detto Lunedi. Sentissimo la Messa e la predica nella capella di Spagna , e poi passeggiassimo con
li signori Spanheim e Thicker. Il dopopranzo andassimo
alli bastioni col signor abbate du Mesmil , e poi col
signor conte Casoni usciti dalla eitta passeggiassimo per
le fortificazioni esteriori, la sera col signor abbate Pinchiari si passe in conversazione nelle stanze del signor
conte sudetto.
1678 April 5.
A di detto Martedi. Con un cocchio di posta partissimo in quella mattina assieme colli signori conte Casoni ,
abbate Negroni, D. Tullio Legnani et Ignazio Van Wichen.
Et dopo aver scorso una pianura non fertile , ma arborata , capitassimo sul flume Mesa ; e passato questo copra
un battello , entrassimo in Grave , piccola eitta situata
su la ripa di detto flume , e nella provincia di Brabante.
Spetta quella in propriety al signor principe d'Oranges ,
et 6 di gran grido per l'assedio famoso sostenutovi dai
Francesi sotto ii commando di Monsieur de Chamilly,,
governatore di detta piazza per it re Christianissimo. Le
fortificazioni sono belle al maggior segno , e benchê di
terra non rivestite di pietra , sono forti e molto ben mantenute. La citta e in piano e stretta, e la fortificazione
consiste in ..... 1) bastioni reali. Li due lati della,
piazza , the sono sul flume Mosa , sono assicurati da un'
1) Het petal is Blanco gelaten in bet hs.
DER NEDERL A.NDEN ( 1
677-1678).
180
opera atorno da ogni parte di ben inteso dissegno , et ii
restante, che ha it prospetto sullo stesso flume, non ha
che una semplice muraglia. La porta detta di Bois le
due 6 assicurata anch'essa da un' opera a corno , che da
ogni lato ha una tenaglia , la quale unisee quest'opera
esteriore col bastione, che e in vicinanza di detta porta.
Tra I'uno e l'altro bastion° c'e una tenaglia , e corre
all'ip torso un largo e profondo fosso , e intorno a questo
gira una ben intesa strada coperta che 6 assicurata da
una forte palizzata ; l'avvicinarsi a questa, viene irnpedito
da un alto e profondo fosso e dal sito , che e paludoso.
Li bastioni solo proveduti di molti grossi pezzi di cannone , e la piazza da un considerabile presidio Olandese.
La eitta contiene alcune strade assai larghe e belle ; le
case non solo considerabile, e li pilt vicini quartieri alle
mura mostrano nelle proprie ruine i segni dell'ultimo sofferto assedio. La chiesa maggiore 6 rovinata intieramente , et it campanile diroccato. Un antico Castello ,
circondato d'acqua e che spetta al signor prineipe
d'Oranges , e disfatto quasi tutto dal cannone , si ehe in
ogni parte non si mirano che rovine e ehe miserabili
avvanzi d'un infelice eitta.
In essa vi e un convento di monache del 3° Ordine
di S. Francesco. Esse sono 20 di numero e vivono religiosamente e con grande essempio di sofferenza e di
costanza. Abitano una casa, che 6 commoda , ma non
bella; in una stanza a terreno vi e la Capella, essendo
stata recentemente dagli eretici usurpata l'antica chiesa
di queste Madri , che contigua al loro giardino si vede
ridotta all'uso di publico magazzeno. Noi entrassimo
dentro a questo monastero (che non e chiuso) e parlassimo con alcune di quell° Madri , che sono sl rassegnate
in Dio e sl modeste , che veramente sono di edificazione
e d'essempio. Passeggiassimo poi la citta, , die non ha
in se che miserie e che rovine , e visitammo curiosamente le fortificazioni. Ripassassimo it flume , e sopra la
riva opposta alla porta della eitta, da questa parte vedessimo le rovine di una mezza luna, che diffesa per 6
settimane dai Francesi contro tutta l'armata olandese,
alla fine con una mina la fecero saltare in aria.
190
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRITVING
L'assedio di questa piazza durO 13 settimane, e per
ordine espresso del re it governatore la rese al signor
principe d'Oranges, che comparve al campo , avendone
riportato da S. A. conte Chamilly una capitulazione delle
pia onorevoli. Tra l'altre cose gli fu accordato di portare
24 pezzi di cannone e di condurre gli ostaggi della provincia di Gheldria, cleerano ivi trattenuti a finchê della
provincia si pagasse it denaro pattuito. Ii cannone Olandese non fece alcuna breccia, ma si content() di rovinare
le case e li pia alti edifizii ; anzi non si sarebbe resa la
piazza, se li Francesi non avessero risoluto d'abbandonarla, come avevano fatto l'altre conquiste d'Olanda.
Rimontati poscia nel cocchio , ritornassimo per la medesima strada a Nimega ; ove giungessimo assai tardi. La
sera si passe nelle stanze del signor conte Casoni in
compagnia dell'abbate du Mesmil.
1678 April 6.
A di 6 detto Mercordi. 11 signor cavaliere andO a
sentire la Messa, et la Passione che si canto nella
capella de' Spagnoli. Il signor Guido passeggib col
signor conte Casoni per li bastioni e sent] la Messa in
Casa; in questa sentimmo it Matutino la sera , e non
uscimmo a causa del tempo piovoso. La sera si pass()
nelle nostre stanze , e fu da not it P. Carlo Limoson.
1678 April 7.
A di 7 detto Giovedi. In questa mattina Mons. nunzio
in capella celebrO la Messa , e communice tutta la sua
famiglia ; pose poi it prezioso Corpo di Nostro Signore
Gies() Cristo nel Sepolcro, che era ricco e bello per la
quantita degli argenti e dei lumi. Il dopo pranzo andassimo a visitare i Sepoicri nelle capelle Imperiale,
Francese e Spagnola , i quali tutti erano ornati con argenterie e con lumi. Visitassimo aneora li Sepolcri , che
si facevano dalli Agostiniani , Domenicani , Gesuiti e
Recoletti Missionarii , che Sono in questa citta, ; e quello
dei PP. Recoletti era it pia bello , essendo fatto in una
stanza tutta coperta d'arrazzi e con lumi ardente. Tornati a casa sentissimo it Matutino , dopo it quale cia-
DER NEDERLANDEN (1677-1678).
191
scheduno di noi fece l'ora assegnatarci per custodire
SS. Sepolcro. Le lettere d'Italia giunsero in questa mattina , e portorno l'avviso , che Messina ed Augusta in
Sicilia fossero state abbandonare sin dalli 8 del passato
mese dai Francesi. La nuova veniva scritta da Venezia
e da Livorno , e confermata da alcune lettere di Roma.
Da Bologna avessimo migliori avvisi di nostra sorella.
Tutti gli ambasciatori e ministri cattolici residenti in
questo Congresso in questo giorno andorno a piedi a
visitare i Sepolcri, et it concorso della gente fu considerabile. I Cattolici del paesi li visitavano per divozione
e li eretici , che accorrevano in abbondanza e d'ogni
sesso , per curiosita.
1678 April 8.
A di 8 detto Venerdi. Spedite le lettere per Bologna,
sentissimo la Messa nella capella di casa , e Mons. nunzio
assiste a tutta la funzione. Il dopopranzo sentissimo
solito Matutino Bella stessa capella, e poi andassimo a
passeggiare colli signori conte Colubrat , e Mayertheim ,
e coll'ultimo rimanessimo d'accordo di partire per Vienna
dentro la futura settimana ; essendoci stato persuaso a
fare la strada di Colonia e di Francfort , per essere la
meno pericolosa, et ad abbandonare it pensiero, che
avevamo di fare quella di Munster e di Paderborne. La
sera stassimo sin all'ora di cena Relic stanze di Mons.
nunzio.
1678 April 9.
A di 9 detto Sabato. Nella capella di casa sentissimo
la S. Messa ed assistessimo alle altre ceremonie della
Chiesa. Il dopopranzo fu da noi it signor abbate du
e poi it signor cavaliere andO a visitare it signor
conte di Schimburgo assieme colli signori Pinchiari e
Casoni. Il signor Guido non usci di casa per it vento
e freddo grande. La sera si passe nelle stanze di Mons.
nunzio.
1678 April 10.
A di X detto Domenica. Giorno di Pasqua di Risur-
192
EENE ITALIA.ANSCHE REISBESCHRIJVING
rezione di N._ S. G. C. Mons. nunzio celebrO la S. Messa
nella sua capella. Il dopo pranzo furono da not it signor
D. Tullio Legnani et it signor Ignazio Van Wicken ; col
primo e coi signori Pinchiari e du Mesmil andassimo alla
capella dei PP. Gesuiti alla benedizione del SS mO . Sa,gramento , ove era numeroso concorso di gente , et una
poco buona musica. In appresso passeggiassimo in carrozza per li bastioni , et andassimo verso la sera dal
signor conte di Chimburgo , che stava indisposto. Alla
Messa di Mons. nunzio intervennero le signore ambasciatrici d'Olanda et altre dame eretiche , che per curiosite,
fecero instanza di venire , e per l'EE. loro si preparO la
tribuna , ove stettero attentamente a tutta la funzione.
La sera si passO nelle stanze di Mons. nunzio.
1678 April 11.
A. di XI detto Lunedl. Scrivessimo per Spagna e
sentissimo la S. Messa nella capella de' Francesi. Passeggiassimo poi per la citta colli signori abbate du Alesmil e Roussel, e fussimo da Mr. Mayersheim per risolvere it giorno della nostra partenza , per la quale fu
destinato quello del Venerdi prossimo. Il dopopranzo
fussimo a fare alcune visite di congedo dalli signori ambasciatori Chinscki e Ronquillo , e da Mr. e M me . Spanheim, La sera si passO in conversatione nelle stanze di
Mons. nunzio.
1678 April 12.
A di 12 detto Martedi. Fussimo a prendere congedo
dal signor Ducker e dal signor marchese de los Balbaces
e dal signor marchese d'Estrades ; si mandO da questi
per rendere la yisita , elle non accettassirno per essere
le nostre stanze imbarrazzate a causa della partenza.
Sentissimo Messa nella capella de' Spagnoli, et it dopopranzo visitassimo la signora marchesa de los Balbages.
Sul tardi andassimo a passeggiare per li bastioni col
signor Pinchiari e col signor conte Casoni in carrozza , e
la sera H. signor Guido stette da Monsignore , et it signor
cavaliere nelle stanze del signor conte Casoni in conversatione col signor abbate du Mesmil.
DER NEDERLANDEN
1677-1678).
193
1678 April 13.
A di 13 detto Mercordi. Continuassimo le nostre visite
di congedo , e fussirno da signor abbate Roussel, e poi
alla Messa nella capella de' Spagnoli. Il dopopranzo
visitassimo it signor ambasciatore Stratman , e passeggiassimo per la citta in carrozza col signor conte Casoni.
Ritornati a casa li signori conte di Chimburgo , Spanheim et abbate du Mesmil furono a favorirci; e dopo
che furono partiti , passassimo alle stanze di Monsignore ,
col quale stassimo tutta la sera in conversatione. Capita
in questo giorno un Corriere straordinario al signor marchese de los Balbaces con l'avviso dell'abbandonamento
della Sicilia, fatto da Francesi silo dalli 16 dello
scorso mese.
1678 April 14.
A di 14 detto Giovedi. Fussimo dal signor Mayersheim, et assieme concertassimo la vettura de' cocchii per
condurci a Colonia. S'aggiunsero per compagni del nostro
viaggio sino alla suddetta citta li signori conte di Chimburg , de Colubrat , e si risolse di partire it Sabato
seguente. Noi in appresso visitassimo it signor conte
d'Avaux, it signor abbate du Mesmil e it presidente
Canon. Pranzassimo in casa del signor ambasciatore
Stratman , avendoci il giorno antecedente invitati S. Eccellenza medesima. Erano del numero dei convitati : it
signor presidente suddetto , la di lui moglie , la signora
ambasciatrice di Stratman , it signor conte di Colubrat ,
it signor commendatore di Waesendon e Mr. Mayersheim.
Il pranzo fu lauto , ne si tralasciO di here all'usanza del
paese. Usciti della mensa , visitassimo Mr. e Mme. Colbert e Mr. di Carrieres , ministro di S. M. Christianissima senza titolo in questo Congresso. Non volessimo
ricevere da alcuno le restituzioni delle visite , e la sera
andassimo alla conversazione dei signori ambasciatori ,
che, conforme al solito , s'erano ripigliate dopo Pasqua
e che si fete in casa del signor marchese de los Balbaces. In questa mattin g li signori ambasciatori di
Francia in corpo d'ambasciata vennero da Mons. nunzio ,
e significarono a S.S. Illma. l'ultime volonta del loro re
Bijdr. en Meded. XXXVI.
'13
194
EEN ITA.LIAANSCHE REISBESCHRIJVING
circa la pace generale , pregandolo parteciparle ai signori
collegati inimici di Francia , diedero la loro instanza in
iscritto , che distintamente s'inserira nella qui sotto descrittione di questo Congresso , fatta a parte per maggior
chiarezza di si importante negozio. Ritornati a casa
stassimo alle stanze di Monsignore lino all'ora di cena,.
1678 April 15.
A di 15 detto Venerdi. Scrivessimo a Bologna in
questa mattina , et it dopopranzo stassimo occupati in
preparare le nostre robbe et in accomodare le valigie per
it nostro viaggio. La sera si passO nelle stanze di Mons.
nunzio.
1678 April 16.
A di 16 detto Sabato. Nella notte cadde molta neve
con pioggia, e questa dur6 in tutta questa. mattina. Il
signor conte Colubrat fu da noi, cosi Mr. Mayersheim.
II dopopranzo ricevessimo molte altre visite , delle quali
non potessimo in conto alcuno scusarci ; e la sera ci
lieenziassimo da Mons. nunzio , e dai signori Conte Casoni
e canonic() Pinchiari.
La provincia della Gheldria dividesi in 4 parti. L'una
componesi oggi di una provincia, che della sua capitale
contado di Zutphen si chiama , e d'un'altra parte We
capo la citta, di Arnhem. Ruraemonde e la principale
di questo distretto , che obbedisce a' Spagnoli. Finalmente Nimega e la capitale di un'altra parte, che unitamente con le due prime constituisce una delle Sette
Provincie Unite. Questa provincia e fertile in pascoli ,
e la maggior parte del suo territorio produce copia di
biade , l'aria e sana , e sufficientemente populata di gente
brava ed industriosa.
Lasciate da parte le altre citta, parleremo qui solo di
Nimega , che e citta antichissima , e che vogliono fusse
l'antico oppidum Batavorum dei Romani , che vi tenevano una legione. Il di lei sito non e piano , e s'estolle
sopra, una lunga collina bagnata dal flume Waale, che
qui rapidamente scorrendo accresce la bellezza della citta
DER NEDERLANDEN ( 1677-1678).
195
non solo , ma ancora coopera al di lei commercio. La
parte piit lontana dal flume e in piano et ha molte belle
strade , tra le quali quella che corrisponde , nella piazza
e la piii nobile e la pill diritta, andando da un capo
all'altro della citta. Questa e cinta da mura alte , che
solo rese piit forti da alcune fortificazioni esteriori, che
oggidl sono nella maggior parte rovinate a causa dell'assedio fatto dai Francesi nella guerra corrente e quando
se ne resero padroni. Verso it flume non vi 6 alcuna
fortificazione , diffendendola mirabilmente la profondita e
la larghezza del medesimo. La chiesa maggiore , altre
volte dedicata a N. S. sotto l'invocazione di S. Stefano ,
e una fabbrica gothica a 3 navi e molto bella. Oltre
un sepolcro ben ordinario d'una duchessa di Gheldria
non vi e cosa di rimarco , essendo presentemente ridotta
al culto dei Calvinisti e spogliata d'ogni ornament°.
Vicino a una porta della citat , dalla parte , che riguarda
it flume, vi e un alto castello , cite dicono i paesani
fabricato da Druso , ma che in verita non e di quei
tempi, se si riguarda la materia e la struttura del medesimo , che ora e habi tato dal burgravio , che 6 lo stesso
che it governatore appresso di noi. Vi sono molte altre
chiese , che davano ricetto ai religiosi cattolici ; ma ora
perduto l'antico e decoroso loro splendore , servono agli
eretici per magazzeni inutili. Le fabriche in generale
sono piii commode che belle, e tutte di struttura alla
moda Olandese. La Casa publica non e considerabile in
se stessa per alcun conto ; in essa niostrasi la spada , con
cui fu troncato it capo all'Horno , et all'Agarnonte per
ordine del duca d'Alba in Brusselles , e serve loro di
grata rimembranza del principio della propria liberal.
Gli habitanti saranno da X secoli dati al commercio ,
et all'industria; ne vi manca molta nobilta , the nella
provincia di Gheldria gode rilevanti privilegii e che ha
voto nell'assemblea de' Stati della provincia, che si convocano dal governatore , che 6 it principe d'Oranges , o
dal Consiglio provinciale , che format() da alcuni senatori
ha l'autorita di fare la giustizia si nel civile come nel
criminals.
La religione e confusa, poiche vi sono dei Calvinisti
106
EEN ITAITAA.NSCHE REISBESCHRIJVING
e degli Anabatisti ; ai primi solo e permessa la liberty
del culto , che ai Cattolici e interdetta con leggi molto
severe.
Le donne solo generalmente assai ben fatte , e pulite
nel vestire , e nelle lore abitazioni.
La campagna e piana, ricca d'alberi e di pascoli , ma
non molto delizioza in vicinanza della oath, gli abitanti
della quale poco si communicano a' forestieri. In essa
ci siamo trattenuti da quattro mesi in circa , ed abbiamo
goduto i favori di Mons. El mo. Bevilacqua, che con tratti
di singolare e generosa bona ci ha colmati di grazie
pregiatissime e d'obligazioni infinite verso la sua persona.
Di quanto gli dobbiamo non ci scorderemo mai , si come
restera sempre impressa nei nostri cuori una ben constante ed obligata gratitudine verso un prelato sl compito , 51 benigno e sl generoso.
Sotto gli auspizii della fel. mem. di Clemente IX fu
con lo trattato d'Aquisgrano nell'anno 1668 piu tosto
sopito che estinto it fuoco della, guerra , che dichiarata
da' Francesi e dagl'Inglesi contro 1'Olanda nel 1672 , a
poco a poco ha poi impegnato non solo le potenze vicine
a questa republica, ma strascinatovi li principi piii potenti
dell'Europa. Diversi interessi , fini differenti e la cupidigia principale di ciascheduno di migliorare la propria,
condizione sono stati i motivi che obligarono i principi
del Reno a collegarsi co' Francesi sul principio , e poi a
staccarsene , et poi a seguitare it partito della Casa d'Austria , ch'interessatasi nel fine del 1673 nella guerra tiro
al suo partito l'Allemagna. In Colonia ad instanza dei
mediatori Svedesi s'introdusse un negoziato d'aggiustamento ; ma quel Congresso si disciolse sin da principio,
per essere stato fatto prigione in quella eitta it principe
Gulielmo di Furstembergh d'ordine di Cesare. Pigliarono
da tal accidente li Francesi it pretesto d'allontanarsi da
Colonia e lasciare it Congresso , publicando che da' Cesarei si fosse violata la publica sicurezza ed it jus delle
genii, pretendendo doversi restituire all y liberty it principe prigioniero per le ragioni, che in molti libri dati
alle stampe si sono vedute. Interrotto pere ogni negoziato , continuo piu che mai fiera la guerra. Nel prin-
DER NEDERLANDEN
(1677--1678).
197
cipio del 1674 in Londra fu accordata la pace tra 1'Inghilterra e l'Olanda mediante le negotiazioni del Mons. del
Fresne , ambasciatore di Spagna, in quella Corte , sl che
it re Brittanico divenuto mediatore ed offerendo ai principi cattoliei la saga mediazione it Papa, ed esibendo la
loro i1 re di Portogallo , e la republica di Venezia a
tutti i principi in generale , alla fine fu dopo lunghe
negosiazioni trasferita la conferenza per riassumere i trattati di pace nella citta di Nimega nell'anno 1676.
Gl'Inglesi furono i primi a rendersi alla conferenza,
in appresso li Francesi ed Olandesi, e poi nel 1677 verso
it principio di Aprile vi si portorono similmente it ministro di N. S. ed i capi dell'ambasciate dell'Imperio e
di Spagna. Li Svedesi non vi mancarono , cosi li Danesi
ed i ministri di tutti gli altri principi interessati. Noi
nel nostro arrivo in questa citta trovassimo li seguenti,
i nomi dei quali si pongono qui appresso per intera notizia
del merito dei personaggi the compongono questa si riguardevole assemblea.
Nunzio straordinario e mediatore per la Santita di N.
S. Innocenzo XI 6 Mons, Luigi Bevilacqua , prelato che
accompagna la nobilta, della nascita con un tratto di
maniere proprie di cavaliere ; ha dato saggio del suo
valore nei governi avuti nello sotto ecclesiastico , e nell'avere essercitato per 20 e piu anni la carica di auditore
della S. Ruota di Roma con fama di singolare virtu e
di disinterressata applicazione. Nella Corte romana ha
provata per lungo tempo la Fortuna ed it tempo contrarii
al suo merito ; finalmente sotto Clemente X occupO
posto di governatore di Roma con grande integrit y e con
sodisfazione di tutti. Coll'occasione poi che s'inviarono
alle Corone cattoliche nunzii straordinarii per promuovere
la pace , passO egli dal suddetto govern() alla Corte
Cesarea , ove acquistatosi l'affetto di quelle MM. Imperials riportO da queste le dimostrazioni piu precise di
stima e di confidenza. Morto Clemente X e succedutogli
Innocenzo XI , fu questo prelato dal Santo Papa destinato al Congresso di Nimega con contento di tutte le
nazioni , ove colla dolcezza dei suoi costumi e colla franchezza del suo tratto naturale da saggio del proprio
198
EEN ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
valore ed accredita col suo prudente operare la buona
elettione di S. Sta. ed it concetto che si era concepito da
ogni uno della di lui habilita.
Monsieur Hyde , figlio del conte di Clarendon , gia
gran Cancelliere d'Inghilterra e zio dell'odierna principessa sposa d'Oranges , ha la quality di primo ambasciatore plenipotenziario e mediatore per it re della Gran
Brettagna. Comparve S. E. in questo Congresso alcuni
mesi sono in ritornando di Polonia , ove era ito in quality
di ambasciatore ; ma vi si trattenne per pochi giorni ,
passando alla Corte del suo re, da dove poi coll'occasione
del matrimonio del signor principe d'Oranges si portO
all'Ilaya , ove risiede ambasciatore straordinario ; e credesi
non sia per ritornare piii. in Nimega , ovenon era , quando
noi ci capitassimo.
Monsieur Temple , second() mediatore plenipotentiario
et ambasciatore Inglese , non e stato da noi veduto ,
poiche richiamato in Londra per affari publici e privati ,
non s'e mai piii restituito a questo Congresso , benche
fascia sperare ogni giorno vicino it suo ritorno. Egli e
cavaliere noto per ii continui maneggi avuti , nei quali
in questi tempi ha dato molto saggio del suo valore e
della propria ability.
Monsieur Jenckins , it terzo ambasciatore plenipotentiario e mediatore Inglese, e uomo di grave eta. Presiede
egli Della Corte del suo re al Consiglio , che riguarda ii
clero , ed e dotato di singolare pieta. Aspira a cariche
ecelesiastiche , e molto letterato e capace di qualsisia
negozio.
Monsignore vescovo di Gurgg e it primo ambasciatore e plenipotentiario Cesareo. Egli 6 personaggio
molto versato nei maneggi ed ha corrisposto al gran
concetto , si ha di lui in tutte le negotiationi. Questo
signore e originario di Borgogna e seguitO per lungo
tempo it Calvinismo ; fu grato all'arciduca Alberto , it
quale l'abilitO al servizio della Casa d'Austria in Germania. Si fe' noto nelle Corti del Settentrione ed in
quella di Costantinopoli sotto it nome di barone di Goes.
Apparve uomo di esperienza e di condotta negli affari
pill spinosi. RiportO calla Cesarea clemenza it vescovato
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
199
di Gurgg in Stiria, ed ha tutte le doti di pieta, e di
zelo , che possono bramarsi in un ecclesiastic°, e queue
di prudenza, the richiedonsi in chi tratta interessi politici. La sua eta e di 75 anni ; e gentile nella conversazione ed affabile nei discorsi.
Il signor conte Kinscki , second() ambasciatore plenipotentiario di S. M. Imperiale e presidente delle Appellationi nel regno di Boemia. Questi e cavaliere d'eta
di 45 anni in circa ; possiede a meraviglia le lingue Italiana 7 Francese e Latina. Egli 6 stato in Polonia in congiuntura dell'elettione dell'odierno re Giovanni III da
dove poi venue a questo Congresso. E uomo versato
nelle lettere et 6 di singolare capacity.
II signore di Stratmann e it terzo ambasciatore plenipotentiario Cesareo ; egli e suddito del signor duca di
Neoburg e suo Cancelliere negli stati di Bergh e di
Juliers. Stante la sua grande attivita, it signor duca
suddetto gli procure questo impiego , nel quale da saggio
di molto sapere e di prudenza non ordinaria. Avra da
50 anni d'eta, parla la lingua Latina molto bene ed
destro nei maneggi politici.
Il signor conte d'Estrades, cavaliere degli Ordini del
re christianissimo e suo primo plenipotentiario ed ambasciatore , gode di una prospera decrepita, poiche non
lontano dagli 80 anni, e si vede forte e vigoroso oltre
ogni credere. Questo signore ha col suo lungo e fedele
servizio meritata la confidenza ed amore del suo re
dalla cui magnificenza n'ha riportato it carico di maresciallo di Francia e l'onore del governo di Mastrich e di
Donckercken 7 oltre la qualit y di vice-re delle Indie.
MilitO S. Eccellenza con molto grido in Italia ed ha per
lungo tempo vissuto in Olanda ove state ambasciatore
del suo signore con le sue dolcissime maniere si captive
tutti gli animi di queue provincie. Passe poi in Inghilterra , et ivi progettO et ultimo la compra di Donckercken , avendo lasciato in ogni luogo di se medesimo
un'ottima fama. Insomma nei maneggi avuti ha pienamente sodisfatto ai proprii talenti et alla fiducia ch'aveva
in lui ii suo re.
Monsieur Colbert de Croisy, secondo ambasciatore
200
EEN ITALIAANSCIIE REISBESCHRIJVING
plenipotentiario Francese , e fratello di Mr. Colbert , ministro e segretario di stato in Francia ; egli e dotato di
gran capacity e ne ha dato molte prove in diverse intendenze delle provincie dentro it regno e nei maneggi
fuori di esso , come in Inghilterra , ove concluse la lega
tra quel re e la Francia contro 1'Olanda ; fu similmente
ambasciatore al Congresso d'Aquisgrano ; ha notizia di
piii. lingue , fervid() nell'operare , ed 6 provveduto di
accortezza e d'abilita per riuscire in qualsisia negozio ,
benche arduo.
Il signor conte d'Avaux , terzo ambasciatore plenipotentiario Francese , 6 di eta di 36 anni , ed alle qualita,
del tempo corrispondono pienamente quelle dell'animo.
Dal posto di maestro delle richieste in Parigi passO a
Venezia , ove esercitO con molta lode la carica d'ambasciatore ; fu poi destinato a questo Congresso , ove ha
acquistato la stima e l'amore di ogni rappresentante.
Parla diverse lingue ed e uomo molto accorto e sagace.
Il signor marchese D. Paolo Spinola d'Oria , marchese
de los Balbages e duca del sesto , e it primo ambasciatore plenipotentiario per S. W A. Cattolica. Della sua
ability sl nel comando delle armi come nel maneggio
dei negozii , puô giudicarsi dalla molta prudenza , con
cui ha essercitato per due volte it governo di Milano ed
altre cariche , oltre quella dell'ambasceria alla Corte di
Vienna , avendo sempre fatta spiccare una singolare vigilanza non disgiunta dalla prudenza e dall'accortezza , the
l'hanno data a conoscere per un capacissimo ministro.
Opera della sua destrezza e la lega presente dell'Allemagna tutta con la Spagna e 1'Olanda contro la Francia
e la Svezia. Aggiungasi a queste doti di somma ability
le principali della bona, dei suoi costumi e d'una splendidezza eguale alla sua nascita et al suo ministero.
E persona di talento et e di molto credito non solo
appresso it suo re , ma ancora appresso le nazioni
straniere.
Il signor D. Pietro Ronquillo, secondo ambasciatore
plenipotentiario per la Spagna , e cavaliere di molta letteratura, ed ha dato a conoscere it suo talento in tutte
le Corti del Settentrione , ove e state in qualit y d'inviato
DER NEDERLANDEN (1677-1678).
201
straordinario del suo re per lungo tempo. Ha gran
notizia degli interessi dei principi e molta eloquenza,
che fa spiccare maggiormente colla molteplicita delle
lingue , che possiede , e parla francamente. E uomo
dotto , disinvolto , cortese , affabile nel tratto , attivo e
destro nel negozio , e generoso sino alla prodigality.
Il signor Giovanni Battista Christia , terzo ambasciatore
plenipotentiario per la Spagna , reggente del Consiglio
reale di Fiandra in Madrid , e persona di letteratura.
Egli gode un posto nel Consiglio privato di Fiandra , et
ama la ritiratezza ; applica a' studii di sua professione ,
nei quali e singolarmente versato.
Il conte d'Oxestiern , primo ambasciatore plenipotentiario di Svezia , 6 cavaliere d'un name e d'un merito
molto conosciuto ; e dotato di molta scienza e parla
diverse lingue molto elegantemente. E s'e fatto considerare per l'abilita nella Corte di Vienna , ove fu ambasciatore per ii suo re. Ha notizia delle cose del
mondo , ed e capacessimo di qualsivoglia gran maneggio.
Il signor D'Olivecrans , secondo ambasciatore plenipotenziario Svedese , e uomo letterato e di molta abilith;
e ritirato e melanconico di sua natura , e s'occupa ne'
studs.
Il signor conte Antonio d'Oldenburg e cavaliere degli
Ordini di Danimarca , ed in questo Congresso ha la
quality di primo ambasciatore plenipotentiario di quel re.
Alla nobilta del suo regio sangue vanno congiunte la
bellezza del corpo , e la generosit y dell'animo ; corrisponde
egli a tale favore della natura con la fortuna d'esser
splendido , generoso e magnifico. E cavaliere di grande
tratto, di molto brio e di qualit y adorabili. Ha notizia
di molte nazioni, avendo viaggiato . e possedendo diverse
lingue.
Il signore Kevegh , secondo ambasciatore plenipotentiario Danese, e persona che ha viaggiato assai ; e cortese
nel tratto e nella conversazione molto galante. E dotato
di prudenza e di ability , avendo dato a conoscere l'una
e l'altra in diverse negoziazioni , e principalmente in Inghilterra e in Olanda, ov'e stato inviato straordinario del
suo re.
202
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
Il signore Petokom, inviato straordinario di Danimarca,
e persona di gran maneggio e di molta abilita ; ed in
lui confidano interamente i suddetti duoi ambasciatori.
Il signor D. Odick , ambasciatore plenipotentiario de'
Stati Generali delle Provincie Unite , e signore qualificato , essendo della Casa. di Nassau; perO ancora non
s'e lasciato vedere in questo Congresso, ne da not e stato
conosciuto.
Il signore di Bewerningh , secondo ambasciatore straordinario de' Stati Generali , e personaggio di consumata
prudenza e capacita ; s'e trovato in 14 negoziazioni O
di pace , 6 di tregue , 6 di lega, e Japer tutto ha lasciato un gran concetto della sua abilita e destrezza. E
stato ambasciatore in Francia ed in Inghilterra , e porta
ii vanto di essere it pia accorto ed it migliore ministro ,
die abbia la republica di Olanda.
Il signore Van Haren, terzo ambasciatore plenipotenziario delli Stati Generali , e della provincia di Gronninguen. Egli e dotato di molta abilita ; e stato ambasciatore in Svezia , ed e in motto credito per lo maneggio
dei publici affari.
I signori di Somnitz e Blaspiel sono ambasciatori plenipotentiart di S. A. Elettore di Brandemburgo ; tutti due
savii , letterati e di talento. Sono stati impiegati in
negoziazioni importantissirne da S. A. E. , appresso della
quale godono l'onore di essere del numero dei suoi consiglieri di stato.
Il signor principe Palatino del Reno ha per suo inviato in questo Congresso it signor Ezzeechielle Spanhelm , persona di gran letteratura e sagacita. Ha notizia
delle lingue Greca e Latina , possiede la Francese , e
l'Italiana molto bene ; e di quest'ultima 6 si amatore the
merith di essere ammesso fra gli Accademici della Crusca
in Firenze. E stato governatore dell'unico figlio di S.
A. E.; ha viaggiato ed ha un'intiera cognizione dei
costumi delle genti e degli interessi dei principi. Ha
dato alla lute un libro De praestantia et usu numismatum,
ch'e pieno di eloquenza e d'erudizione. E stato dal principe suo signore impiegato in molte ardue negoziazioni ,
e fa potentemente amato dalli gia Cardinali Pallavicino
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
203
e Bona. La sua dottrina gli conciliO la stima non solo
del Sere. G. duca Ferdinand° e del signore Cosimo II ,
cui dedicO ii suo libro , ma ancora dei primi letterati
del secolo.
Per parte del Seen°. signor duca Carlo di Lorena
sono inviati a questo congresso it signor presidente Canon,
et it signore Scherischampens , persone di merito singolare. Il primo 6 stato alle Corti di Polonia e dell'Imperatore coll'occasione di promuovere in quella ii suo
padrone a quella Corona , e nell'altra a concluders it
matrimonio di S. A. S. colla vedova regina di Polonia,
sorella di S. M. Cesarea. Egli 6 soggetto di molta ability e destrezza , ed in molte negoziazioni dei suoi principi ha dato saggio di prudenza e di accortezza singolare.
Inviato per la Casa Serena. di Brunswick e di Luneburgo e it signore Muller, che non era al Congresso.
Ministro del Serum. Principe e vescovo d'Osnapruck e
it signore Ratti , persona che Bode l'intera confidenza di
S. A. , di cui e primo ministro. Ha molta capacit y nel
negozio , et e di genio galante e splendido.
Ministro di Mons. vescovo d'Argentina e it signore
Ducker, gentiluomo di Westfalia e che con molta fede
ha seguitato it partito del suo signore ; e uomo che ha
ability , tratto sincero si nel negozio , come nella conversazione.
I1 signor duca di Hanover ha per suo ministro it
signore di Villiers , che non era al Congresso nel tempo
della nostra dimora e che ci fu predicato essere in molta
considerazione appresso it suo signore.
Il numero di ministri cosi cospicui, la diversit y del
posto , che ciascheduno occupa conforme la qualit y dei
principi da essi rappresentati , cause alcuni torbidi per
raggione de' trattamenti e delle visite , alli quali si rimedic') mediante la prudenza e destrezza di Mons. nunzio
se non in tutto , almeno nella maggior parte , dove la
durezza irraggionevole cede alla raggione ed alla convenienza. La comparsa del signor conte Chinscki caggionO
le prime difficult y , e questo ministro non riceve , ne pots
fare le sue visite publiche ai Francesi ; et it signore
Stratmann comparso nel Congresso prima dell'altro, benche
204
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJYING
ricevesse la visita dai medesimi Francesi, ad ogni modo
non gli fu permesso it poterla restituire. Onde amareggiati gli animi dalle due parti , questi due ministri
sfuggirono sempre l'occasioni di pratticare con gli altri e
s'astennero dall'intervenire alle publiche conversazioni. II
motivo fu, che avendo questi due ambasciatori Imperiali
ricevute le visite da Svezzesi e Danesi prima di quelle
de' Francesi, pretesero questi nella restituzione delle visite
essere agli altri preferiti. I mediatori Inglesi scoprirono
le pretensioni dei Francesi e procurarono , che a questi
immediatamente dopo li mediatori si restituissero le visite
dai Cesarei , tanto pit the non erano per ancora comparsi nel Congresso i ministri di Spagna. Gl'Imperiali
non vollero in conto alcuno legarsi con parola , ma dando
risposte generali e civili stimarono bene a non impegnarsi
precisamente a coca alcuna di positivo. Li Francesi all'incontro non vollero fidarsi nemmeno di qualche intenzione data Toro di certa soddisfazione , 81 che alli signor
conte Chinscki e Stratmann fu levato dai Francesi it
commodo di render loro la visita.
Comparve poi it signor marchese de los Balbaces , et
alla sua venuta si pose in public() tutta l'ambasciata
Spagnuola, e nel farsi le visite da questi ministri non vi
fu contrast° alcuno , mentre i Francesi non facendo difficola di lasciare it primo luogo ai mediatori et ai Cesarei , le visite si restituirono collo stesso ordine , con
che furono ricevute , ed i Francesi furono visitati immediatamente dopo grImperiali.
Sovragiunse in appresso Mons. vescovo di Gurgg , e
come che ii Francesi e Spagnuoli erano gia publici ,
cosi vi fu gran difficulta per regolare le visite di questo
prelato , che prima di partecipare it suo arrivo ai ministri
del Congresso visite incognito gli ambasciatori Spagnuoli,
asserendo doversi tal civilta ai mediatori , che erano ministri di una Casa , che era la stessa , che quella del suo
signore. Postosi poi S. Eccellenza in publico fu risoluto
(mediante la destrezza del mediatore pontificio) che le
visite tanto nel riceverle quanto nel renderle si osservasse l'ordine dell'ambasciate , si che avendo i Francesi
prevenuti gli Spagnuoli , quelli visitorno e furono visitati
DER NEDERLANDEN
(1 67 7 —1 618).
2:15
i primi , senza che punto si pregiudicassero all'antiche
pretensioni degli altri.
Si promosse qualche pratica per mettere in commercio
gli altri due ambasciatori Imperiali ; ma proposti diversi
ripieghi , non fu possibile it sortirne l'effetto desiderata,
benche si fussero contentati i Francesi , che H suddetti
due ambasciatori scrivessero un viglietto ai signori mediatori col partecipar loro the si mettevano unitamente con
Mons. vescovo di Gurgg in publico ; ma incontratesi difficolta nel concepirlo bisogno abbandonare it negozio , e
Mons. vescovo riceve , e restitul senza la comparsa dei
suoi colleghi le visite.
Il signor conte Antonio d'Oldenburgo non ha mai potuto fare it suo ingresso publico in Nimega , perche si
Sono fatte gagliarde opposizioni dagl'Imperiali , che vogliono essere visitati anche prima dei mediatori , asserendo essersi praticato lo stesso in Munster, e che se
bene in Colonia fusse introdotta questa formalita per
onorare la mediazione dei principi promotore della pace,
ad ogni modo non poter quella esser mai di pregiudizio
alle loro prerogative , tanto pill che dai ministri Cesarei
non era stata ne approvata , ne praticata in alcun modo.
L'impegno di queste Eccellenze fu cosi fervid() e risoluto , che tutte tre unite si portorono al signor ambasciatore d'Hiieg , cui espressero non potere in conto alcuno
permettere , che si visitassero prima di loro i mediatori
Inglesi , e che lo pregav ano a voler operare die it signor
conte Antonio suddetto si mettesse in publico e li visitasse prima d'ogni altro. E ciO fu replicato prudentemente , non essere ora it tempo d'irritar gli animi d 'alcuno e di sfuggire gl'impegni , non avendo bisogno li
collegati di farsi un inimico si potente , come e l'Inghilterra. A questa difficolta, non andava disgiunta la
pretensione de' Svedesi , i quali si lasciarono intendere
di non voler cedere ad alcuno , ne tampoco ai Francesi,
anchorche collegati. Onde la novita ed it numero delle
difficolta , che giornalmente nascevano , open') si , che
restO incognito questo ministro nel tempo che dimore
nel Congresso.
Restava ancora qualche difficulta tra gli ambasciatori
206
EENE ITALIA.ANSCHE REISBESCHRLIVE\G
di Brandemburgo e i Francesi, perche questi non vollero
ne dare la mano dritta , ne it titolo d'Eccellenza al second()
ministro di quells rappresentanza Elettorale. Onde questi
due signori , trattati da ogni altro ministro col titolo ed
onore d'ambasciatori, non si sono veduti coi Francesi.
Quelli delli Stati delle Provincie Unite hanno qualche
competenza con li Brandemburghesi , che pretendono di
non lover cedere a quelli , ma con un onesto mezzo ter.
mine amichevolmente si tolse ogni difficulta , mentre in
occasiop e di publica visita ora gli uni , ora gli altri si
Sono assentati per quel giorno dal Congress°, ed hanno
promesso reciprocamente , che chi restava visitasse e
ricevesse la visita. E cosi nessuna delle parti ha pregiudicato alla propria pretensione.
L'inviato d'Argentina non 6 stato mai riconosciuto
dagl'Imperiali e cosi non e stato considerato per ministro
publico dagli altri collegati. Li Francesi Phanno trattato e procurato , che fosse riconosciuto ; ma lino adesso
ogni tentativo 6 riuscito vano e frustratoria ogni diligenza.
(Ili ambasciatori trattano di tra di loro differentemente.
Il capo dell'ambasciata Imperiale e Spagnuola non da
la mano ne in casa propria , ne nella sua carozza, ai
suoi colleghi, ne alcuno di questi signori restituisce la
visita agli inviati et ad altri ministri di qualsivoglia
principe.
I Francesi poi pratticano altrimenti, poiche nelle visite
principali e reciproche tra di loro si trattano egualmente ;
e quando vanno in corpo a fare una visita , entrano tutti
tre nella carrozza del capo dell'ambasciata , e questi da
a' colleghi la mano , e sedono essi conforme I'ordine
loro. Nella formalita, della visita poi it capo precede
agli altri due et espone it complimento od it negotio.
Nelle conferenze principali poi it capo della rappresentanza precede ai colleghi, solamente quando si entra
nella stanza dell'audienza , e si pone nel primo luogo
anche nella propria casa , quando sono in conferenza,.
Terminata questa, ogn'uno ripiglia it suo posto , ed it
capo tratto con gli altri ambasciatori egualmente, cedendo
loro it primo luogo.
I collegati de' Spagnuoli ed Olandesi si radunano due
DER XEDERLANDEN
(1 67 7 —1678).
201
volte la settimana nella Casa publica della citth, e pi.gliano i luoghi confusamente , penile li Danesi pretendono di non cedere a' Spagnuoli, i quali col non opporsi
alle pretensions di quelli, l'hanno in una certa maniera
authorizzata. I Francesi e Svedesi poi vanno a trovarsi
reciprocamente in Casa ora degli uni , ora degli altri ,
quando occorre di conferire qualche negozio , ne si raddunano in terzo luogo , per sfuggire ogni disputa e per
non mettere in contingenza le case che pretendono i
primi risolvere a vantaggio.
Usano alcuni ambasciatori di rendere la visita agli inviati et a' cavalieri privati. Coss pratticano Mons. nunzio ,
ii capo dell'ambasciata Francese , li mediatori Inglesi et
altri; eccettuatine perO gl'Imperiali e Spagnuoli, che Sono
Si rigorosi nel mantenere it loro posto , che non hanno
volute ne meno visitare it ministro del signor duca di
Lorena , quale , oltre la qualita di cognate di Cesare , ha,
quella di essere principe sovrano e d'una Casa si cospicua. Li due Francesi , cive li signori Colbert e d'Avaux ,
rendono ancor essi la visita agli inviati, ma in quello
riguarda i cavalieri privati non si conformano col signor
maresciallo d'Estrades, che rende cortesemente la visita
ad ogn'uno.
Gl'Imperiali hanno un segretario dell'ambasciata; questi
formano i dispacci, e tutti tre gli ambasciatori li sottoscrivono. I Francesi applicano alla spedizione delle lettere
una settimana per uno , e similmente tutti le firmano.
Li Danesi hanno un segretario regio e pratticano quel
tanto , che fanno gl'Imperiali ; cosi quei d'Olanda. Del
resto tutti gli altri rappresentanti spediseono i dispacci,
dovo averli conferiti insieme e sottoscritti. Il signor
marchese de los Balbaces perO solo spedisce le lettere,
ne e obligato a mostrarle ai colleghi, i quali non hanno
la prerogativa di sottoscriverle.
Questa 6 quel tanto abbiamo potuto raccogliere in
ordine al cerimoniale , che si prattica in questo Congresso. Or: la stato , in cui trovassimo la
negoziazione della pace nel punto , che qui comparissimo ,
e raccontaremo in che maniera si sia continuata sino al
giorno , che ne partissimo.
208
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
Capitassimo in Nimega alli 30 Ottobre dell'anno scorso,
e parevano le core assai disposte e vicine alla conclusione della pace. S'asseriva quasi che concluso l'accordo
tra Francesi ed Olandesi, e gia H punti principali erano
accordati tra le parti, eccettuatine alcuni concernenti al
commercio , i quali perO si credeva non dovessero intorbidare la stipulazione del contratto. Gl'Imperiali e li
Spagnuoli con gli altri collegati cominciarono a dubitare ,
che gli Olandesi potessero venire alla pace colla Francia
e separarsi da loro , e tanto s'innoltrarono in questa
sospetto, che mal sodisfatti degl'Inglesi pensarono li
Spagnuoli di romperla con 1'Inghilterra , pigliando it
pretesto da un certo discorso risentito, che tenne quel
re con it marchese di Borgomaniero , inviato del signor
duca di Villa Termosa in principio e poi del re Cattolico in quella Corte , e che aveva parlato con ardenza
contro it principe d'Oranges, biasimando S. A. che avesse
levato l'assedio a Carlo re, quasi prima che l'investisse.
Di questo progetto si parlO dai ministri Spagnoli in Anversa , ove si resero it signor duca governatore di Fiandra,
it signor marchese de los Balbaces , it marchese de la
Fuentes e I). Emanuele de Lyra. Si discussero ancora
in questa conferenza le urgenze dei Paesi Bassi , e si
consultorono le ultime determinazioni circa la pace in
ordine al concedere quelle piazze , che pretendevano di
ritenere i Francesi. La rottura fu creduta inopportune,
e riconosciuta l'impotenza della monarchia e la debolezza delle proprie forze , che non ammettevano risoluzioni cosi vigorose , si determinO di procurare in ogni
modo la pace e di non perdere qualsisia buona congiuntura , purche si presentasse col minor discapito dell'onore
e dell'utilita del re Cattolico. E cosi si disciolse questa
conferenza.
Nel maneggio del trattato di pace tra Francesi et
Olandesi s'era dal re d'Ingliilterra promesso ai primi ,
che non si maritarebbe la principessa Maria sua nipote
al principe d'Oranges, se prima non si fusse publicata
la pace. E si come gli Olandesi non volevano in conto
alcuno permettere , che piit, s'innoltrassero i Francesi con
le loro conquiste nei Paesi Bassi Spagnuoli ; cosi it re
DER NEDERLANDEN
209
(1677-1678).
d'Inghilterra aveva ottenuto dai Francesi , che in Fiandra
non si sarebbe innovata cosa alcuna. Colla dilazione
del matrimonio della suddetta principessa pretendevano i
Francesi di astringere 1'Oranges alla pace , avendo procurato di far persuadere per diverse vie a S. A. , di
quanto utile gli sarebbero queste nozze , per mezzo delle
quali unendosi ai di lui interessi 1'Inghilterra poteva
egli fermamente stabilirsi nelle sue cariche ed av vantaggiarsi sempre pia nelle cose e tenere in freno ii Stati
Generali. Non poteronsi perO differire le suddette nozze ,
poiche i nemici dei Francesi cominciarono in Inghilterra
a essaggerare la troppa gran potenza di questa nazione
et a commuovere i popoli male inclinati per altro ai
Francesi, contro i quali erano animati maggiormente da
molto tempo per opera degli Olandesi che ii sollecitavano a soccorrere la loro propria religione , la quale
(dicevano essi) abolita nelle Provincie Unite dalla potenza
Francese avrebbe pericolato in Inghilterra assieme coll'autorita del Parlamento , per abbattere ii quale quel re di
genio Francese et il duca di Yorck , sospettato cattolico ,
facevano ogni sforzo per conciliarsi il re di Francia con
speranza di riportarne a suo tempo validi soccorsi , a'
quali doveva poi forzatamente soccombere ii Parlamento.
Questi e simili discorsi seminati reiteratamente ed a'
tempi proporzionati commossero gli animi del popolo
d'Inghilterra , a segno che ii re medesimo , per non soggiacere alla violenza di quella gente , fu (per cosi dire)
forzato a mostrarsi affezionato alla religione protestante
ed alle soddisfattioni del suo Parlamento, e desiderare
di collegarsi cogli Olandesi per opponersi ai Francesi,
chiamando perciô a Londra ii principe d'Oranges , sollecitando e concludendo Ii sponsali del medesimo con la
principessa Maria primogenita del primo letto del signor
duca di Yorck , come segue nel fine del mese di Novembre con tutta la pompa dovuta e proporzionata alla
grandezza dei principi sposi.
Questa allegrezza fu accompagnata da un'altra non inferiore , poiche quasi ne' stessi giorni ii duca di Yorck
si vide padre di un figlio maschio , che desiderato lungo
tempo della famiglia reale e da' popoli prometteva assiBijdr. en Meded. XXXVI.
14
210
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJYING
curata la successione di quells in quel trono , ma questa
consolazione fu ben tosto amareggiata , mentre dopo brevissimi giorni di vita morl ii bambino e porte via ogni
concepita speranza.
Teel tempo , che it principe d'Oranges si trattenne in
Londra , continue furono le conferenze , che questi ebbe
con quel re , col suocero e col Consiglio reale ; et ogni
pensiero finalmente non era che di pace , e tendevano li
consigli al riposo della Christiania per esseguirli fu
risoluto di presentare ai Francesi un progetto d'aggiustamento , col quale speravano restituire la pace all'Europa.
Ma non aggradito da alcuno degli interessati ii progetto
d'Inghilterra, si rinvigorirono le azioni militari, ed adirata la Francia per la sollecita conclusione del matrimonio dell'Oranges, comincie di lontano a tentare l'impresa di Mons, piazza considerabile per la fortezza delle
mura e per essere capitale dell'Anonia. Onde cercarano
prima stringerla con la presa del castello di Bossu, seguita
negli ultimi giorni di Novembre ed abbandonato vilmente
dal commandante Olandese , e colla vigorosa sorpresa fatta
nei primi giorni di Decembre dal maresciallo d'Humieres
del forte di S. Gueillbrin , che importantissimo per 10
sito fu vigorosamente forzato a rendersi in pochi giorni
nonostante la rigidezza della stagione , che assisteva con
l'aiuto dci ghiacci , e delle molte acque gli assediati, impedendo agli assalitori l'avvicinarsi alle mura. Nello
stesso tempo le armi Francesi non riposavano in Alsazia,,
poiche fatte passare le truppe nella Brisgovia in cinque
giorni di continuo assalto fu forzato Friburg , posto vantaggioso ai Francesi per la vicinanza di Brisach e per
le contribuzioni. La sollecitudine , con cui operarono le
armi Francesi, non lasciO che potesse precorrere l'avviso
degli assedii a quello della resa delle sudette piazze, e
da tali perdite restarono intimoriti ii collegati e raddoppiate le diligenze per impedire qualche altro progresso
che potessero tentare in Fiandra in Francesi.
In questo mentre sopragiunse l'avviso della resa di
Stettino alle armi di Brandemburgo. Onde si minorO nei
collegati it dispiacere , e ripigliarono coraggio , sperando
de potersi valere in Fiandra delle truppe, che sin allora
DER NEDERLANDEN (1677-1678). 211
erano state impiegate in Pomerania. Ma questa speranza,
ben tosto svanl, mentre verso la meta di Gennaio ultimo
scorso fu vigorosamente dal Iiiinigmarck ripresa l'isola di
Rugen, e scacciati da essa interamente i Danesi con
disfatta di tutto l'esercito. E le vicende della sorte favorevole or all'una, or all'altra parte variavano lo stato
degli affari , ed impedivano l'avvanzamento dei negoziati
di pace in Nimega.
Mentre die la guerra al dispetto del rigore dell'inverno horridissimo ardeva in ogni parte , si spedl a Parigi
a Home del duca di Yorck il mylord Duras con il progetto di pace tra Francesi e Spagnoli. Conteneva questo
distinte le frontiere che si dovevano stabilire tra l'una e
l'altra nazione nei Paesi Bassi, lasciandosi a' Francesi
(oltre la Contea di Borgogna) le piazze di Cambrais , St.
Omer, Hive, Buchain e Douais ; per la frontiera de'
Spagnuoli assegnavansi Carlo re 1), Ath , Oudenards e
Courtrais, ed a questi rendevasi tutto l'altro paese , conquistato in Fiandra e ceduto per lo trattato di Aquisgran° , e ciO in ricompensa della cessione della Borgogna,
aggiungendovi pure la restituzione di ciO occupavasi da
Francesi nella Sicilia e della Lorena al duca. All'Imperatore si lasciava la liberta, di ritenersi Filisburg e
lasciare Friburg , o ripigliarsi questo rilasciando l'altro.
E per quell ° spettava agli Olandesi, si restituiva a questi
Mastrich. Parve al Christianissimo tal progetto troppo
avvantaggioso ai Collegati, e che non gli convenisse
ricevere da altri quella legge , che a lui come vincitore
apparteneva il dare ; asserendo anche i Francesi , che
era contro l'onore e la gloria del Christianissimo l'abba,ndonare all'altrui discrezione la Svezia e gli altri suoi
collegati, dei quali non si faceva menzione nel progetto
d'Inghilterra. A' Spagnuoli pure non piacque , parendogli poco ricompensata la cessione della Borgogna. Onde
questo progetto di pace diede moto a' pia vigorosi pensieri di guerra. Li Francesi spedirono in Piemonte il
4) Charleroi.
212
EENE ITALIAANSCHE REISBESCIIRLIVING
Cardinale d'Estrees , per obligare quel governo a facilitargli
it passaggio ne' stati di Milano , per introdurre una
guerra diversiva in Italia ; pass) poi ii medesimo Cardinale in Baviera , e con promesse procurO d'obligare
quell'elettore a dichiararsi per Francia et a dipartirsi
dally sua constante neutralit y osservata sin allora eon
applauso universale.
Dall'altra parte concedutasi da Spagnuoli la piazza
d'Ostenda agli Inglesi, stabilirono con essi la lega per
opponersi alli sforzi dei Francesi , le armi dei quali
stavano prorate per muoversi. Onde pretesero li ministri
d'Inghilterra di obligare il. Brittanico a formare una
lega con gli Olandesi e di prepararsi alle armi per
sostenere it progetto , e per astringere i renitenti
alla pace. A pena fu proposta la lega da Milord
Ossery all'Oranges , che venne accettata e confermata
da' Stati Generali ; e le condizioni furono , che l'una e
l'altra parte metterebbe in mare 80 vascelli , e terrebbe
pronti a diffesa commune 30 m. uomini. Chiedeva inoltre
1'Inglese , e per sua sicurezza , e per lo sbarco , la Brile ,
piazza in Olanda , e Flessinguen in Zelanda. Ma questo
negoziato non ebbe effetto , incontratasi difficult y ne' Stati
Generali ; et it re si contend), che 1'Oranges entrasse
mallevadore della loro fede. Li Spagnuoli et Olandesi
si maneggiarono talmente in Inghilterra , che li ministri
di quest) regno non solo erano portati alla guerra, ma
li religionarii et it Parlamento ancora vi si mostrarono
inclinatissimi ; laonde sollecitato it Brittanico dagli uni e
dagli altri , s'indusse a intimare l'assemblea del Parlamento per li 25 di Gennaro , ch'era stata sin dall'anno
passato differita alli 15 d'Aprile.
Facendosi passi cosi veloci da tutte le parti , erano
ridotte le cose alla continuazione di una ostinatissima
guerra , tuttavia con reiterati corrieri e con continui negoziati si procurava d'indurre it Cristianissimo ad accettare
it progetto. Ma inutile riuscl ogni tentativo , mentre S.
M. piu risoluta che mai a sostenere l'impegno minaccie
di partire per Lorena , per di la poi passare in Fian.dra ,
non lasciando per) nello stesso tempo di dar intentione ,
che non intraprenderebbe azione alcuna per tutto it mese
DER NEDERLANDEN (1
6 7 7— 167 8).
213
di Febraro , volendo donare al publico bene d'Europa
tutto questo tempo che gli era prezioso , mentre teneva
otiose le armi sue vittoriose. Questo viaggio perO fu
differito sotto varii pretesti , ne fu intrapreso se non nello
stesso giorno, che si convocO it Parlamento in Londra.
Questo s'unl nel giorno accennato ; ma ii re non v'intervenne , avendo fatto sapere alle Camere raddunate non
essere in stato di poter loro discorrere delle materie , per
le quali s'era intimata l'assemblea e che non erano per
ancora disposte , e che perO ne differiva l'unione alli 7
del futuro Febraro. Questa dilazione fu fatta per dar
tempo a' negoziati e per preparare per via di mediatori
di ridurre i Francesi a desistere delle loro pretensioni.
Si proposero varii espedienti , tra' quali quello d'una
sospensione d'armi , di cui sin nei mesi passati se n'era
discorso. I Spagnuoli la bramavano , et it re di Francia
l'accordava per tutto it Decembre del corrente anno , con
condizione pere , che potessero nel tempo ehe s'aspettava
da Madrid la confermatione continuare le azzioni militari ,
promettendo poi , che capitata quella si restituirebbe l'acquistato. Li Spagnuoli non stimarono bene d'accettarla
con una condizione si pericolosa , oltre che gli Imperiali
protestarono non potere ne meno sentir discorrerne a
causa dell'impossibilita, d'acquarterare le loro truppe , che
avrebbe bisognato ricoverare ne' paesi ereditarii di Cesare ,
it che non volevasi fare in conto alcuno. CiO nonostante
fu rinnovata la proposizione della tregua , ma con poca
speranza di buon esito , poiche strepitando it Parlamento
in Inghilterra ed incontrandosi in ognuno difficolta ,. fu
pill tosto ascoltata che considerata l'istanza.
Benche in questo Congresso poco si fosse trattato delle
cose correnti , aspettandosi qui cosi bene che altrove le
nuove d'Inghilterra e da Francia , ad ogni modo gli ambasciatori Francesi tentarono di fare qualche proposizione
d'aggiustamento a' Spagnuoli, ad oggetto di tentare la
conclusione degli accordi senza la mediazione Inglese; ne
fu fatta l'apertura con Beverninghen , ambasciatore Olandese , che sentita la proposizione, ricusO di portarla a'
Spagnuoli. Consisteva questi , che it re Christianissimo
voleva oltre it contenuto nel progetto d'Inghilterra Char-
214
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
lemont, Valenciennes e Tornay,, ed offerivasi in contracambio della prima piazza Dinant , spettante al vescovo
di Liege , con condizione ne sborsassero i Spagnoli it
prezzo a questo prelato. Offerivasi in oltre it cambio
d'alcune castellanie per accommodare (dicevano essi) li
confini , parlavano poi in confuso di leghe e d'accordi e
di molte altre cose strepitose. Mr. Colbert ne diede pure
qualche motivo al marchese Spinola , che destramente
schermendosi disse non sapere cosa alcuna del progetto
Inglese che non cummunicato ai ministri di Spagna in
Londra non era giunto alla sua notizia ; ed aggiunse
parergli strano , che si concedesse ai Francesi la Franca
Contea , mentre l'anno passato non si contradiceva che
fusse lasciata neutrale. Onde si perde affatto dai ministri di Francia la Speranza di fare piii alcun fruttuoso
tentativo.
Intanto 1'Oranges , convocati i ministri dei principi
residenti all'llaya , manifesto loro l'operato per la pace
nel tempo del suo soggiorno in Londra e de che aveva
fatto , perche si mandasse in Francia un progetto di
accord°, espresse loro la sostanza di esso , ma non voile
darne copia astretto (diceva egli) a tenerlo segreto. Il
ministro di Spagna non vi fu presente , perche avendo
notizia , che nel progetto si concedeva ai Francesi la
Franca Contea , non voile colla sua presenza authorizzare
in una certa maniera quello che non poteva bastantemente
oppugnare colle rimostranze e colle proteste. Nell'istesso
tempo li Stati Generali alla Haya diedero parte ai ministri dei principi collegati, introdotti nell'assemblea dei
medesimi , della lega concertata coll'Inghilterra , tacendo
perO le condizioni di essa ed accennando solamente che
dovendosi dalla republica mantenere grosse armate in
mare ed eserciti in terra, non potevasi per l'avvenire da
questi sborsare a' principi loro signori quelle somme di
denaro gia accordate e che ad use migliore restavano
destinate.
Venuto it giorno Belli 7 di Febraro , it re Ohristianissimo s'incamine verso la Lorena con la regina e con
tutta la Corte a piccole giornate ; le truppe ebbero ordine
di star pronte , ed ogni cosa in quel regno disponevasi
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
215
per principiare una nuova campagna. In Londra hello
stesso giorno s'unO it Parlamento, ove entrO S. M. B.
cone cerimonie accostumate e rappresente con aggiustate
parole alle due Camere avere egli (in ordine alle promesse date ai suoi sudditi sin nell'ultima assemblea del
Parlamento di voler incontrare le loro soddisfazioni) conclusa con gli Olandesi una lega per la conservazione
della Fiandra ; che trattandosi d'impegnarsi in una guerra
dispendiosa , bisognava pensare al modo di far denari
per sostenerla , poichê non sarebbe per essere di reputazione del regno l'abbandonarne la continuazione per
mancanza di mezzi; che perO si assicurava, che dal
Parlamento si sarebbe diligentemente provveduto a tutto ,
affinche avessero le armi Inglesi la gloria di rendere la
pace ai principi cristiani et it riposo all'Europa. Soggiungeva anche aver egli impiegate tutte le sue diligenze
et ogni suo studio per stabilire fra i principi una sicura
pace , conoscendo di quanta utilit y doveva essere questa
al suo regno , che godeva di tanti vantaggi nel tempo
che li vicini gemevano afflitti dalle miserie della guerra ;
ma che ogni sua fatica era riuscita infruttuosa ed essere
impossibile presentemente di conseguire it riposo per le
vie dei trattati , e perciO doversi ricorrere a quelle della
forza. A quest'effetto aver egli richiamato le sue truppe
di Francia e considerato , che soddisfacendosi interamente
dagli Olandesi ai patti concertati nella lega contratta non
poteva egli far di meno di non comparire armato con
una Hotta di mare minore di 90 navi e con 1111 esercito
almeno di 40 m. uomini; promettere egli che li sussidii
da destinarsi sarebbero impiegati con ogni maggiore accuratezza in sostentamento deil'armate ; aver egli senza
risparmio del suo erario fatto fabbricare alcune navi maggiori dell'ordinario , risarcita la Hotta dell'Indie , provvedutala di maggazzeni e d'artiglierie ; aver egli collo storso
di piit di 200 m. lire sterline assicurate le colonie piit
lontane ed applicato alle necessit y dell'isole vicine per
liberarle da ogni insult°, con aver anche repressa la
ribellione nell'isola Virginia, e ricusato d'entrare in
guerra cogli Algerini , nonostante che non fusse in stato
di fare tante spese , essendo in qualche strettezza per la
216
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
dote data ally principessa Maria sua nepote , il matrimonio della quale col principe d'Oranges aveva egli sollecitato per incontrare le sodisfattioni dei suoi sudditi e
per mostrare , che voleva omninamente impegnarsi con
quel principe, ne permettere mai che fusse abbattuto.
Finl poi S. M. il discorso con dire essere le presenti
contingenze le piii. importanti , che fussero state da lungo
tempo in questo regno , e che meritavono le pit vigorose
riflessioni per prendere quelle misure , che si stimarebbero
pit'. convenienti.
Il giorno seguente le due Camere per mezzo dei deputati principali resero umilissime grazie a S. M. della
protezione avuta della religione protestante col provvedere
la nipote sua d'uno sposo principe dell'istessa loco religione , e rinnovarono le proteste pit umili d'ossequio , e
pia risolute di voler aderire con la dovuta ubbidienza a'
voleri di S. M. Presentarono per parte della Camera
bassa alli XI dello stesso mese di Febraro un memoriale , che conteneva la seguente rimostranza.
Cive che la Camera bassa unita in Parlamento rendeva
di nuovo umilissime grazie a S. M. della cura , che si
era presa per la conservazione della religione protestante
mediante il matrimonio della principessa Maria di Yorck
col principe d'Oranges , e per la lega gia concertata con
questo principe e con gli Olandesi; che supplicavasi S.
M. a non voler ammettere altra conclusione di pace che
quella era stata stabilita a' Pirenei , poiche questa limitando ai Francesi la Toro dominazione, venivano i regni
di S. M. B. e dell'Europa tutta bastantemente assicurati.
Soggiungevasi poi , che nei trattati e nelle leghe da farsi
con altri principi si dovevano questi obligare a non
deporre le armi , sino a tanto che il re Christianissimo
si contentasse di stare al suddetto trattato dei Pirenei ,
che ció si sarebbe ottenuto facilmente , bandendosi il
commercio colla Francia , e che percie si compiacesse
S. M. di dar gli ordini opportuni , accib le manifatture e
le merci di Francia non entrassero in Ingbilterra , e che
si vendessero prontamente dentro un certo tempo da assegnarsi quelle che si trovavano nel regno , e che finalmente non fusse permesso ai vascelli Francesi di acco.
DER NEDERLAN DEN ( 1
677-1678).
217
starsi ai porti di S. M. , la quale era supplicata a promuovere quelle leg') e ch'essa avrebbe stiniato piu proprie,
assicurandola , che it suo popolo non avrebbe punto mancato di affetto e d'assistenza. Terminava poi it memoriale con una reiterate promessa de' necessarii sussidii e
con un augurio di felicissimi successi per la persona di
S. M., che in ricevendo la scrittura rispose , che consideratone it contenuto avrebbe in appresso notificati i
suoi sentiments, che furono risentiti e generosi. Disse
S. M., che restava meravigliata, che la Camera bassa
prendeva l'assunto di replicare sola , quando it regio discorso era indirizzato ancora alla Camera alta , it di cui
parere e consenso dovevasi ricercare , quando si trattava
di una causa comune. Che dal suo canto aveva incontrato le soddisfazioni del Parlamento , con concludere la
lega con l'Olanda , che fu instantemente richiesta da
questa sin nel mese scorso di Maggio per reprimere la
potenza Francese , ma che adesso , non parlandosi punto
di sussidii offerti per mantenimento delParmate , conosceva si facevano nuove instanze e si fraponevano dilazioni perniciose per perdersi it tempo in parole inutili et
in negoziati infruttuosi. Che la lega fatta coll'Olanda
era stata approvata da principi , in favore de' quail era
stata stabilita , e che restava molto offeso in vedere la
Camera bassa sempre piu contumace in volersi usurpare
le prerogative reali , non ostante le rimostranze fattane
da lui sin nel Parlamento dell'anno passato , e che finalmente le proposizioni contenuto nel memoriale non erano
proprie , se prima non si considerava la forma di provvedere con numero sufficiente di vascelli e di truppe con
gli assegnamenti proporzionati del denaro. Terminava
poi la regia risposta , che S. M. nonostante le proposizioni irragionevoli della Camera bassa voleva abbondare
in bonta verso it suo Parlamento, col ripetere le sue
intenzioni gia notificate it giorno 7 del corrente mese ,
assicurando , ch'egli non si sarebbe mai stancato di fare
la guerra , sino a tanto non si fusse restituita alla Christianity una pace stabile e sicura , ogni volta non mancassero a lui le sussistenze necessarie e si provvedessero
le armate a proporzione dell'urgenza di simile intrapresa.
218
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
Benche restasse mortificata la Camera bassa della regia
rimostranza , ad ogni modo ostinata propose di replicare
con un nuovo memoriale. Ma nel giorno 14 propostasi
questa materia , it partito regio con la superiorit y di 40
voti deluxe l'instanza degli altri , che volevano perdere it
tempo in parole ed in altercazioni inutili. Consideratasi
poi la quality dell'armamento marittimo e dell'esercito
terrestre , vi fu chi propose nelle adunanze dei due
giorni seguenti , che si dovessero assegnare per le spese
70 m. lire sterlinc per ciaschedun mese ; altri dissero
40 m. et altri 100 m. La multiplicity dei pareri partori
la irresoluzione , onde si nominarono commissarii, con ingiunger loro , che si facesse un calcolo esatto della spesa
necessaria e che se ne riportasse la relazione alla Camera, per poi pensare all'assegnamento del denaro.
Tutto it mese di Febraro si pass() in consulte dal Parlamento in Londra , ove era capitato it signor di Romigny,
inviato del re di Francia. Intanto le truppe Francesi
posero in timore le piazze Spagnuole in Fiandra , ed in
Alsazia similmente osservavansi marciare gli eserciti sotto
it comando del maresciallo di Crequis. La diversit y di
queste marcie rendeva incerto it prognostic° in ordine ai
fini del re di Fran cia , che fingendo di voler tentare l'assedio di Charlemont con un grosso di gente spinta da
Mastrich a quella volta, improvvisamente si avvicinb al
Brabante e fece investire nei primi giorni di Marzo de.,
Mons. di Chamilly,, governatore d'Oudenarde , Gand la
capitale della Fiandra. Comparve S. M. Christianissima
al Campo alli 4; e alli 9 si rese padrone della piazza,
e la citadella fu sottomessa alli 12 , senza che li Spagnoli e collegati ammassati nelle vicinanze di Brugges e
di Ostenda si movessero a soccorrerla.
Il signor di Godolfin fece piii viaggi in Olanda, per
ultimare la lega tra it re di Inghilterra suo signore e la
Spagna e le Provincie Unite. Ed i Francesi in Londra
operarono cosi bene , che in pochi giorni si vidde mutata
la faccia delle cose in quella Corte; poiche entrata grandissima diffidenza fra it re e la Camera bassa e nata
gran disunione tra questa e la Camera alta , si consumb
molt() tempo poi in conferenze infruttuose , ed insorsero
DER NEDERLANDEN (1
6 77-1678).
219
difficolta grandissime per ritrovare ii denaro , senza l'assignamento del quale non fu mai possibile l'astringere S.
M. B. a dichiarare la guerra ai Francesi ; anche non si
sa se per atto dei Francesi o per motivi particolari della
republica Olandese , che entre in diffidenza tale col principe d'Oranges , che la provincia di Frisia non voile sottoscrivere un trattato di lega diffensiva coll'Inghiltarra ,
pigliandone it pretesto che non sapeva , chi s'intendeva
sotto it nome di „inimici interni", contro dei quali ancora
voleva l'Inglese che si obbligassero li Stati. Di qui poi
si risolsero questi d'inviare una deputazione al re di
Francia , che ricevutala a Gand fu fama, che con essa
cola si prendessero le risoluzioni dell'accordo , che poi
segul tra S. M. e l'Olanda.
Nel Congresso capitavano di giorno in giorno queste
nuove ; e divisi erano gli animi , mentre altri tenevano
per sicura la pace , perchê l'Inghilterra differiva la dichiarazione della guerra , et altri giudicavano quella impossibile , stante che l'Inglese mal soddisfatto di Francia
non avrebbe perduta una si buona occasione per vendicarsene. Capite in questo mentre una copia del trattato
segreto stipulato tra l'Inghelterra e gli Stati Gen erali ,
dal quale ogni ministro restO oltremodo offeso , poiche in
quella scrittura contenevansi molti capitoli , la sostanza
dei quali era che li contrahenti s'obligavano d'astringere
colla forza le due Corone ad accettare it progetto gia
publicato dal Brittanico , e di volere , che le conquiste di
Sicilia restassero ai Francesi , come per sicurezza dell'aggiustamento tra le Corone del Nort. Proponevano inoltre ,
che tra principi guerreggianti si facesse una tregua per
3 mesi, nel qual tempo tanto l'Inglese , quanta li Stati
Generali s'obligavano d'astringere i Francesi e li Spagnuoli ad accettare le condizioni di pace gia proposte.
Ed insomma gli articoli erano concepiti con termini poco
civili per le parti, le quali se ne dolsero altamente con
it signore de Beverninghen, plenipotentiario et ambasciatore d'Olanda , che solo della rappresentanza Olandese
si ritrove in quei giorni nel Congresso.
Si fu dunque da' collegati in colloquii principali espresso
it torto , che li Stati Generali avevano in volere si mala-
220
EENE ITALIAINSCHE REISBESCHRIJVING
mente ricompensare it merit° , che s'erano acquistato l'armi
de' collegati per preservare la republics Olandese dall'ultima pericolo , e die non toccava a questa l'arbitrare cosi
dispoticamente della volonta , dell'onore , e de' stati altrui ;
che pareva duro ad ognuno , che quella parte ch'era
debitrice della sua essistenza a tanti principi , pagasse
con tal ingratitudine un beneficio si grande e si sensibile. Non nege Beverninghen la lega con l'Inghilterra,
ma disse , che al foglio publicato non dovevasi prestar fede
e che a lui stesso erano ignote le capitulazioni del trattato , quali non avrebbero tralasciato di communicare a'
collegati ogni volta , che da' Stati Generali ne fusse a
lui trasmessa la notizia; poter egli assicurarli , che simili
negoziati non avevano altro oggetto che del publico bene ,
e che in Canto non si facevano publici , in quanto che la
segretezza in simili rincontri partoriva fruttuosi gli effetti.
Questo sagace ministro si scusb in questa forma e replicO
modestamente a tutti i collegati , i quali perO restarono
poco soddisfatti dell'Inghilterra e delli Stati Generali.
Ma di ciO non se ne palesO maggior disgusto , poiche
le imprese del re di Francia tenevano in sospeso gli
animi di tutti , tie davano luogo che si applicassero a
nutrire querele private. Sbrigatosi it Cristianissimo da
Gaud, investl la citta d'Ipri , ed accostatovi it cannone ,
questa si rese con una capitolazione onorevole , et alli 25
dello stesso mese di Marzo S. M. ne prese it possesso.
All'ora it re d'Inghilterra , sollecitato da' suoi popoli e
da collegati a opporsi alle vittorie di Francia , fu pregato
a dichiarare la guerra , per salvare ii restante delli Paesi
Bassi. Onde S. M. B. , per contribuire alle soddisfazioni
di tutti , mandO sotto la condotta del signor duca di
Montmuth 1000 uomini delle sue guardie a munire la
citta di Brugges e la forte piazza d'Ostenda che per le
recenti conquiste dei Francesi erano divenute frontiere ed
in conseguenza piit esposte all'incursione dei nemici.
Il re di Francia , terminate si gloriosamente questa sua
scorsa , ritornossene a Parigi , lasciate ben munite le
piazze e trasmesso in Alsazia un grosso staccamento di
gente, per resistere agli Imperiali e per sostenere le sue
conquiste.
DER NEDERLA NDEN (1617-1678).
221
Intanto it Parlamento d'Inghilterra aveva assignato alcune impositioni , per cavar ii denaro , e faceva instanza ,
che si richiamassero da Nimega i plenipotentiarii Inglesi ,
e da Francia le truppe della loro nazione. In questo
punto fu data la pretesa soddisfazione ai Parlamentarii ,
e benche si volesse in Londra la guerra contro i Francesi ,
ad ogni modo non vi si indusse mai quel re a dichiararla.
Tutti i negoziati di pace in questi giorni si maneggiavano all'Haya, cooperandoci con ogni vigore gli Stati
Generali.
11 governatore di Fiandra esibi un progetto di pace ,
non lasciandosi da ciascheduno nelle presenti incertezze
di pensare alla guerra ; cosi i Circoli dell'Imperio meditavano d'assicurarsi con una grossa levata di gente ; ed
a tal effetto Mons. vescovo di Gurgg , ministro Cesareo,
del Congresso passe ad una conferenza in Colonia. I
Stati Generali avevano publicata l'imposizione del ducentesimo denaro ; et i Francesi , temendo , che l'Inghilterra
si dichiarasse loro nemica , abbandonarono Messina con
le altre conquiste in Sicilia , per potere unire l'armata
marittima ed opporsi alle flotte dell'Inghilterra. Non si
prendeva perO di mira tra i preparamenti militari it negozio , e l'Inghilterra stessa differiva it dichiararsi anche
alla considerazione del ministro Spagnuolo in quella Corte ,
poiche i trattati, che si maneggiavano all' Haya , erano
non disgiunti dally Speranza di un ottimo successo. Oltre
di ciO gli Spagnoli bramavano ii riposo per l'impotenza
della monarchia, e per non avere it modo di salvare it
restante dei Paesi Bassi. Gli Olandesi ancora nutrivano
i medesimi sentimenti a causa della scarsezza del denaro,
che non potevasi piu riscuotere facilmente dai popoli.
Ed infine ognuno sospirava la pace, per esimersi da tante
spese e per liberare i proprii stati dalle gravezze , e per
sollevarli dalle perdite causate loro da si misera ed infelice guerra.
In questo stato erano le cose nei priori giorni di Aprile;
et alli 14 dello stesso fu dai ministri Francesi presentato
al mediatore pontificio un foglio , che conteneva nella
seguente forma le risolute intenzioni del re Christianissimo circa la pace. Mons. nunzio lo riceve , e parteci-
22
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHR IJVING
pollo ai collegati cattolici, ma l'Inglese asserl di non
potere accettarlo senza prima averne consultato it suo re.
Ecco it tenore del foglio :
„Conditions aux quelles le roy tres Chrestien vent biers
faire la paix.
La fithic lite, avec la quelle Sa Majeste tres-Chrestienne
s'attache inviolablement a l'observation de ses Alliances,
l'a portO a n'entendre jamais a aucunes propositions de
paix , que la satisfaction pleine et entiere du roy de
Suede n'y soit comprise ; aussi luy a-t-elle este positivement promise par le roy de la Grande Bretagne , comme
se faisant fort en ce poinct pour luy et pour les Estats
Generaux , elle fait encore aujourdhuy le 1 er article
qu'elle demande, et sans lequel elle ne pourroit conclurre sur touts les autres.
Comme l'interest du due de Gottorp est attache h
celuy de la Suede, qui fait partie du traitte de Coppenhauguen , dont sa ditte Majeste a este guarent a
cette Couronne, elle desire , qu'il soit compris de mesme
dans le traitte a des conditions dont it puisse demeurer
satisfait.
A l'esgard du prince et eveque de Strasbourg, la ditte
Majeste s'attache formellement a la restitution de ce
prince dans ses estats , biens , honneurs , et prerogatives ,
tant pour luy que pour toute sa maison , et particulierement pour le prince Guilliaume de Furstenberg son frere ,
dont la liberte doit faire un des premiers poincts de
la paix.
Pour ce qui touche l'Empire , comme Sa Majeste tres
Chrestienne demeure constante dans les mesmes sentiments , qu'elle a temoigne pour son repos , qu'elle l'a
veu trouble avec peine et qu'elle s'est trouve contraincte
avec douleur d'y porter la guerre , elle ne change Tien
aux declarations publiques , qu'elle a faites tant de fois,
qu'elle insistoit seulement sur le retablissement des traittez
de Westphalie dans tons leurs poincts, et qu'ils servissent
encore une fois pour rendre la paix a 1'Allemagne. C'est
ce qui fait qu'elle offre l'alternative ou de remettre Fribourg et que Philipsbourg luy soit remis , ou de garder
Fribourg et que Philipsbourg demeure a l'Empereur ,
DER NEDERLANDEN (1
67 7-16 78).
228
sans changer rien dans tout le reste a ce qui est Porte
dans les Bits traittez.
Pour l'Espagne, comme son interest paroist le plus
grand dans cette guerre , et que l'Angleterre , la Hollande et les Estats voisins de la Flandre ont tesmoigne
desirer davantage , qu'il restast a cette Couronne line
frontiere aux Pays-Bas capable de fermer cette Barriere ,
Tells croyent si importante a leur repos , Sa Majeste
tres Chrestienne a bien voulu accorder par l'entremise
du roy de la Grande Bretagne les moyens de l'establir.
C'est dans cette veue , ainsi quelle s'en est desia, expliquee a ce prince , qu'elle a offert et quelle offre encore
de remettre a l'Espagne les places suivantes:
Premierement,
La place de Charleroy.
Limbourg et ses dependances.
Binch et sa prevoste.
Aeth et sa Chastellanie.
Oudenaerde et sa Chastellanie.
Courtray et sa Chastellanie a la reserve de la verge
de Menin.
Gand et toutes ses dependances.
Et St. Gilain , mail dont les fortifications seroyent
rasees.
Pour tant des places si importantes et fortifiees par
ses coins avec tant de depence , elle demande en exchange
que l'Espagne luy cede de ce qu'elle occupe par les
mimes dans cette derniere guerre :
La Franche Conte entiere.
La ville de Valenciennes et ses dependances.
Bouchain et ses dependances.
Conde et ses dependances.
Cambray et le Cambresis.
Aire , St. Omer et leurs dependances.
La yule d'Ipres et sa Chastellanie.
Les lieux de Waruick , et de Varneton sur la Lis.
Popetingen , Bailleul, et Cassel avec leurs dependances.
Bauay et Maubeuge avec leurs dependances.
En 1111 mot , toutes les places et pays dont elle est en
'224
EENE ITALIA.AXSCLIE ItEISBESCHRIJVING
possession , a l'exception de celles qui sont marquees cy
dessus, qu'elle veudroit bien remettre.
La ville de Charlemont, on en eschange celle de
Dinant aux choix du roy Catholique , a condition qu'il
se chargera d'obtenir de l'Ovesque de Liege la cession
le Dinant, et le consentement de 1'Empereur et de
1'Empire.
En cette sorte la frontiere d'Espagne aux Pays-Bas
seroit d'oresnavant a commencer de la mer a la Meuse ,
Nieuport, Dixmude , Courtray , Oudenaerde , Ath , Mons ,
Charleroy,, et Namur; et cette Barriere , sur laquelle on
insiste depuis si longtemps , seroit appuyê par des places,
dont la fortification a coute a Sa Majeste des millions ,
et qu'y la privoiroient de l'avantage , qu'elle a en jusqu'a
cette heure d'avoir des postes si avances et si importans ,
jusques aux portes de Bruxelles.
A l'esgard des Estats Generaux outre la satisfaction
que Sa Majeste leur donne par les articles qui regardent
l'Espagne , elle vent bien encore remettre Mastricht et
leur accorder le traitte de commerce en la forme qu'il a
este projette.
Et pour achever de donner le dernier tesmoignage des
ses intentions pour la pair, quelque raison qu'elle puisse
avoir de demeurer en possession de la Lorraine , elle
trouve bon d'y faire rentrer le prince Charles sous l'une
des deux alternatives , dont elle luy laisse le choix.
La premiere seroit de le restablir conformement aux
articles portez dans le traitte des Pyrenees sans rien
changer ny alterer dans aucun.
La seconde de luy remettre generalement tour ses
estats , a l'exception de la ville de Nancy, qui demeureroit a Sa Majeste en toute souverainete , et du chemin,
qui a este convenu par le traitte de 1661 , pour passer
de ses frontiêres en Alsace et de ceux , qui seroient
necessaires pour passer de France a Nancy , et de Nancy
a Metz , Brisach , et France Comte; h condition toutes
foil que pour se dedommager de la ditte ville de Nancy,
la ditte Majeste luy remettroit celle de Toni considerable
par sa situation , et pour sa grandeur et plus encore pour
son evesche.
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
225
Sa Majeste demande encore , que Longwick et sa prevoste lui soit cedee , mais avec l'offre qu'elle fait en
mesme temps de recompenser le dit prince de Lorraine
d'une autre prevoste de pareil valeur dans les trois
eveschez. Comme Marsal luy a este cede par un traite
particulier,, it ne fait plus auiourd'huy pantie de la Lorraine, ainsi ii n'entre point dans cette restitution.
Ces conditions sont celles , qui peuvent et doivent
former le plan de la paix generale et dont Sa Majestë
s'est expliquee depuis long temps au roy de la Grande
Bretagne , comme le dernier poinct , auquel elle a ptt
se relAcher,, et sur lequel ses ennemis peuvent choisir
de la paix ou de la guerre. Et elle ne pretend pas aussi ,
qu'elles l'engagent au de la, du dixieme du mois de May,
parce qu'il ne seroit pas juste , que ses ennemis les
regardassent comme un party qu'il seroit toujiours libre
d'accepter quelques nouvelles pertes qu'ils eussent faites ,
et qu'ils se prevalussent de cette confiance pour faire
durer la guerre".
Per la curiosit y , che si ha di vedere le core in fonte
si e inserito qui it contenuto del suddetto foglio nella
forma e lingua , con che fu presentato ai signori mediatori , e che tradotto in italiano force incontrera gradimento in quelli , alle mani dei quali capitera questo
nostro Piano , che e solamente stato da not formato per
ridurci a memoria quelle cose , che abbiamo veduto ed
osservato nei nostri viaggi. . ..... 1).
Dio voglia, che le proposizioni fatte dal re vittorioso
sodisfaccino alli collegati e che li portino alla pace.
L'universale necessity fa sperare , che questi siano per
acconsentirvi, se perO Iddio giustissimo giudice e vendicatore dei peccati del Christianesimo si compiacera d'usame misericordia , col ritirare i flagelli dell'ira, sua e
concedere all'Europa dopo si lunga agitazione di guerra
una calma di tranquillissima pace.
4) Volgt (pag. 537-544) de Italiaansche vertaling van het voorafgaande diplomatieke stuk.
15
Bijdr. en Meded XXXVI.
226
EENI", 1TALIA.ANSCHE REISBESCHRIIVING
1678 April 17.
A di 17 detto Domenica. Con li signori conte di
Chimburgo , Colubrat e Mayersheim ci mettessimo in
camino , dopo aver sentita la S. Messa nella capella di
Mons. nunzio , nella di cui casa assieme co' suddetti
signori pranzassimo. Licenziatici not da S.S. iiima . e da
tutti di sua casa, montassimo in carrozza ed uscissimo
di Nimega a mezzo giorno , favoriti con due carrozze a
6 cavalli dalli signori conte Casoni , canonico Pinchiari
et altri sino alli termini della neutralita , due miglia lontani dalla citta. Quivi rinnovati Ii nostri abbracciamenti
ci licenziassimo da suddetti signori , che ci accompagnavano , et entrati nei nostri cocchii a vettura con gli altri
signori di nostra compagnia , e poste le nostre robbe
sopra due carrette che ci seguitavano , c'iiicaminassimo
verso Cleves, ove giungessimo felicemente a 4 ore dopo
it mezzogiorno , avendo passato prima la terra di Cranenburg°
(p 545).
BULAGEN.
VRIJGELEIDEN VOOR DE GEBROEDERS DE
Bovio.
a. Y an den nuncius Bevilacqua.
1677 November 5.
Aloysius Bevilaqua , Dei et Apostolicae Sedis gratia
patriarca Alexandrinus et SS. D. N. D. Innocentii divina
providentia papae XI ad tractatus pacis nuncius extraordinarius mediator.
Cum nobilissimi viri dd. abbas Guido , et eques Julius
fratres de Boviis Bononienses , familiares nostri dilectissimi , Amstolodanum versus aliasque Unitarum Provinciarum civitates proficiscantur,, omnes et quoscumque provinciarum , urbium , locorum et copiarum praefectos, ac
duces caeteros , item quibus praesentes exhibebuntur,, ex
animo rogamus , ut eisdem libenter aditum ac transitum
DER NEDERLANDEN
(107-1678).
221
permittant , opemque , ac favorem opportunum impertiantur , propensam in nobis officiorum vices ad similes
occasiones experturi. In quorum fidem praesentes litteras
nostra manu subscriptas et nostro sigillo munitas dedimus
ex aula nostrae solitae residentiae Noviomagi , hac die
quinta mensis Novembris 1677.
A. Bevilacqua , patriarcha Alexandrinus.
Io Prosper Lucidus , prothon. apostolicus.
b.
Van den Franschen gezant D'Estrades.
1677 November 5.
Le comte Destrades , mareschal de France , chevalier
des Ordres du roy,, viceroy de l'Amerique , gouverneur
des villes et citadelle de Dunkerques , Maastricht, duche
de Limbourg , et places en dependantes , premier ambassadeur plenipotentiaire pour le traitte de paix a
Nimegue ,
Nous ordonnons a tour ceux qui sont sous nos ordres
et requerons tons autres de laisser seurement et librement
passer et repasser Mrs. l'abbe Guido et le chevallier
Bovii , gentilhommes de Monsieur le nonce , qui vont en
Hollande et Flandre avec trois valets leurs harder et
equipage , sans qu'il leur soft faict aucun empeschement.
Faict a Nimegue le 5 Novembre 1677. Le present passeport valable pour deux mois.
Le mareschal Destrades.
Par Monseigneur: Lefevre.
c.
Van den Spaanschen gezant Ronquillo.
1677 November 5.
Don Pedro Ronquillo , cavallero del Orden de Alcantara del Consexo real de Castilla y Indias de Su Magesdad Cattolica y su embassador plenipotenciario Para
la paz general etc.,
Havendome repressentado S. D. fr. Jullio Bovii, cavallero del Orden de St. Juan y el senor abad Guido Bovii,
228
EENE ITA_LIAINSCHE REISBESCHRIJVING
naturales de Bolonia , que dessean passar a Flandes con
un criado y su bagase, y pedidome les de passaporte
para haverlo con mayor seguridad , he venido en farseles ,
como per el tenor de la pressente seles doy,, suplicando
a los senores governadores de provincias y villas, magistrados , comandantes y otros qualesqunque officiales de
guerra y justicia sugetas a Su Magesdad y a los que non
lo son , pido no les pongan impedimente alguno en su
viase assi a la yda, come a la buelta antes lesden todo
el favor y ayuda que pidieren y subieren menen , para
lo qual seles he mandado despachar firmado de mi man°
sellado con el sello de mi armas y repentado de Don
Francisco de Hrbina , cavallero de l'orden de San Jago
del consexo de Su Magesdad su secretario y de la embasada y plenipotencia, en el congresso de Nimega. Fecho
en decha villa , a 5 de Novembre 1677.
Don Pedro Ronquillo.
Por aussilio del senor secretario : Juan Antonio Navarro.
d. Van den keizerlijken gezant Kbinsky.
1678 April 14.
Nos Franciscus Udalricus , S. Romani Imperii comes
Khinsky a Chinitz et Tettau , dominus in Clumetz , S.
Caesareae Majestatis consiliarius , intimus camerarius ,
regius locumtenens , provincialis Curiae regiae assessor,
Appellationum praeses , aulae regiae in regno Bohemiae
haereditarius praefectus , necnon legatus extraordinarius
et plenipotentiarius ad generales pacis tractatus , noturn
testatumque facimus , quod cum praesentium exhibitores,
Illssmus. D. Julius Bovius , eques Ordinis S. Joannis
ilierosolymitani , et Revmus. D. abbas Guido Bovius Viennam in Austria , exteras Provincias visitandi causa , tendere velint , ideo ab omnibus decenter requirimus , ut
eosdem cum famulis et sarcinis libere et secure transire
permittant illosque omni humanitatis et officii genere prosequantur. Id ipsum omni data occasione , prout par est,
demereri conabimur. In quorum fidem praesentes hasce
DER NEDERLANDEN
(1677-1678).
229
mane rostra subscriptas sigillo nostro firmari iussimus.
Dabantur Noviomagi 14 Aprilis anni 1678.
Franciscus Uldaricus comes Khinsky.
e. Van den Franschen gezant D'Estrades.
1678 April 12.
Le cornte Destrades , mareschal de France , chevalier
des Ordres du roy , viceroy de l'Amerique gouverneur
des villes et citadelle de Dunkerque , Maestricht, duche
de Limbourg , et places en dependantes , premier ambassadeur plenipotentiaire pour le traitte de paix a Nimegue ,
Nous ordonnons a tous ceux qui soot sous nos ordres
et requerons tons autres de laisser seurement et librement
passer Mrs. l'abbe et le chevalier Bovii , gentilshommes
de la cour de Monsieur le nonce Bevilacqua , qui partent
de cette ville pour alter a Cologne , avec leurs valets ,
chevaux , armes , bagage et equipage , sans qu'il leur soit
faict aucun empeschement. Faict a Nimegue , le 12
Avril 1678.
Le mareschal Destrades.
Par Monseigneur : Lefevre.
f. Van den nuntius Bevilacqua.
1678 April 14.
Aloysius Bevilacqua , Dei et S. Sedis Apostolicae gratia
patriarcha Alexandrinus , S. Romanae Rotae decanus S.
D. N. Innocentii divina providentia papae XI ad tractatus pacis nuntius extraordinarius et mediator , omnibus
et singulis praesentes nostras litteras visuris salutem in
Domino etc.
Cum DD. abbas Guido de Boviis et Julius eques
Hyerosolimitanus pariter de Boviis fratres , viri nobilissimi
Bononienses, itineris nostri socii , et familiares dilectissimi , Viennam , et inde Italiam versus proficisci intendant , Nos hisce eosdem comitari volentes , omnes urbium , locorum et copiarum praefectos ac duces caeterosque , quibus hae patentes exhibebuntur,, requirimus et
230
EENE ITALIAANSCHE REISBESCHRIJVING
rogamus , ut praedictis dominis una cum famulis , rebus et
sarcinis liberum aditum ac transitum permittant opemque
ac favorem opportunum impertiantur,, promptam in Nobis
officiorum vicem ad similes occasiones experturi. Datum
Noviomagi ex aedibus nostris , hac die 14 Aprilis 1678.
A. Bevilacqua , patriarcha Alexandrinus.
Reg. io : Prosper Lucidus , proton. apost. secretaries.
Alle zes oorspronkelijk : a—c ingelascht na p. 158;
d en e na p. 472; f na p. 474 van het hs.
NASCHRIFT.
Het Bestuur van bet Historisch Genootschap ziet zich
tot zijn groot leedwezen verplicht merle te deelen , dat
Dr. Brom door ongesteldheid verhinderd was geweest
gevolg te geven aan zijn in de Inleiding te kennen
gegeven voornemen, om hier ter plaatse een korte samenvatting in het Nederlandsch van den inhoud der reisbeschrijving van de gebroeders De Bovio te geven.
Sedert dien heeft de flood van den geleerden bewerker
ook aan diens plan , om nog het volgende jaar zijn belofte
in te lossen , alle mogelijkheid ontnomen.
EEN UTRECHTSCH PAMFLET UIT DEN
LEYCESTERSCHEN TIJD,
MEDEGEDEELD DOOR
DR. MR.
S. MULLER Fz.
In het begin van 1585 was het onrustig te Nijmegen.
De katholieke burgerij had in het laatst van het vorige
jaar om eene kerk gevraagd , waarin zij volgens den
religievrede haren godsdienst zou kunnen uitoefenen ; de
stadhouder , graaf van Nieuwenaar,, had het toen noodig
gevonden het garnizoen te vermeerderen. Dat was echter
olie in het vuur geweest : de burgerij had den eisch
gesteld , dat het garnizoen zou vertrekken en dat zij ,
evenals 's-Hertogenbosch , ,,haer stadt zelve bewaeren"
zou. De stadhouder had toen beproefd eenige „belhamers" nit de stad te verwijderen ; maar dit was hem
mislukt en sedert stonden de twee partijen gewapend
tegenover elkaar. Ten slotte gelukte het aan de katholieken echter het garnizoen te verjagen , toen veranderden
zij wet en raad en brachten er katholieken in , plunderden
de huizen hunner tegenpartij en zetten de predikanten
gevangen. Zij beweerden neutraal te willen zijn ; maar
het eind was , dat zij zich 15 April met den hertog van
Parma verzoenden 1).
De zaak was natuurlijk ernstig en zij maakte ook veel
`I) Bor, Nederl. oorloglieii. 20e bock. fol. rivs,
232
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
gerucht in den lande. Een burger van Utrecht, die er
ook van hoorde , dacht bij het overwegen van de katholieke samenzwering dan ook dadelijk aan niets minder
dan aan de Parijsche Bloedbruiloft. llij nam dus de
zaak au grand serieux en schreef een vertoog, dat de
eerlijke bedoeling had, om zijne goede vaderstad te bewaren voor oproeren en voor de gruwelen , die er bij
behoorden. Het stuk, dat hierna volgt 1), heeft het uiterlijk
van een pamflet ; mar het is dit toch niet, want de
slimmigheidjes , die onze auteur bedacht heeft en naivelijk
mededeelt, om de gevreesde rampen in zijne vaderstad
te voorkomen , zouden als ze in druk waren medegedeeld , natuurlijk terstond hare werking gemist hebben.
Het opstel, dat de schrijver niet onderteekende , was
gericht aan de Utrechtsche Staten en den Magistraat;
het was dus zonder twgel bestemd om, zoodra Leycesters
vertrek de baan voor de reactie geeffend had , in circulatie gebracht te worden en aldus in het geheim de uitwerking te doen , die de schrijver van zijne planners
verwachtte 2).
Brie pijlen had hij op zijn boog, die het gevreesde
oproer te Utrecht moesten bezweren. In de eerste plaats
stelde hij voor, om 1200 a 1600 waardgelders aan te
nemen , vier compagnieen , die de wacht zouden betrekken
en de rust handhaven. Wjj kennen de Utrechtsche waardgelders van 1618 bij name ; hier worden ze ons in
levenden lijve voorgesteld : het zouden ,,ambochtsgesellen
ende ander gemeen volck (zijn), sonderlinge schippers ,
1) Het handschrift berust , door schenking van den beer baron van
Hardenbroek, in het Utrechtsche stadsarchief; het komt mij echter
niet onwaarschijnlijk voor, dat het afkomstig is uit de letterkast der
Staten.
2) Het stuk is blijkbaar wat jonger dan 1585, daar (le auteur het
voorgevallene te Nijmegen aanduidt als „eertijdts" geschied. De vermelding van de klepperwacht, die in October 1587 ingesteld blijkt te
zimn, brengt het zelfs tot even na den Leycesterschen tijd, hetgeen de
door den schrijver aanbevolen hervormingen in aristocratischen geest
verklaart.
ITIT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD.
233
timmerlieden ende diergelijcken, best ter handt ende
getrou wesende", Beene soldaten dus , maar Utrechtsche
handwerkslieden , die door dezen dienst het geld zouden
verdienen , um bun huishuur of hun turf en „wintervlees"
te betalen. Het wesen der in den laatsten tijd dikwijls
gepleegde diefstallen zou „den warom heeten te wesen"
van hunne aanneming; maar de bedoeling was zeer bepaaldelijk het voorkomen van een oproer , zooals dit
onlangs reeds eenmaal ook te Utrecht was voorgekomen.
De waardgelders zouden staan onder bevel van kwartierof wijkmeesters, en in den eed zijn van de Burgemeesters ; ook eenige bekende „belhamels ofte roepers"
dacht men bij het corps als officieren aan te stellen, om
die zoodoende „beter in devotie ende dwanck te houden".
De waardgelders zouden de wacht betrekken op de wallen
en ook als nachtwakers rondgaan in plaats van de zestien
kleppers ; ook de dagwacht der burgers , die volgens bet
ideaal der Nijmegenaars „de stadt selve bewaerde", zou
blijkbaar vervallen : immers zij deed geheel hetzelfde als
de waardgelders zouden doen. Nu en dan zou men de
waardgelders ook gebruiken, om de omstreken der stad
in rust te houden ; bepaaldelijk de aangestelde „belhamels" dacht men aldus van de hand te zenden , als
er in de stad iets gebeurde „daer sy beter wyet van als
naby dienden te wesen". „Dit is een secret", zegt de
auteur met een gewichtig gezicht ,omme in tijdt ende
wylen den sieenden vleespot een weinig te schuimen".
Het tweede plan sloot zich bij het eerste onmiddellijk
aan. Er waren te Utrecht acht vendels van 400 man,
under bevel van de acht burgerhoplieden , ,,over dewelcke
mijn heeren somtijdts weinig geboets schenen te hebben"
en die dan ook sedert hunne aanstelling in 1573 bij elk
verzet tegen den magistraat eene eerste rol gespeeld
hadden. Deze burgerwacht nu wenschte onze auteur
geheel te hervormen. Men moest ze „gevoeglick tot
veranderinge brengen" en ze vervangen door Brie schutterijen van slechts 300 man, en wel „van de principaele
ende gequalificherste, eedel ende oneedel weesende",
— lieden van rang dus, nit den adel en de patricische
burgerij, men hoopte , dat ook eenige leden der Staten
234
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
zich zouden aansluiten. Dit voorname keurcorps zou des
nachts de wacht }louden op het stadhuis en in de stadspoorten , en ook de ronde doen op de vesten. Zij zouden
staan onder kapiteins , zoo mogelijk uit den magistraat ,
en onder „gheen overheit als de twee borgemesteren",
m. a. w. de burgerhoplieden zouden moeten verdwijnen.
De schutterijen zouden ook privilegien hebben , zooals
in andere steden , vrijdom van imposten en eigene
schuttersdoelens.
Ten derde gaf onze auteur in overweging , dat de
rnagistraat zich „een weinich gelieve te refformeren".
Herziet u zelven ! riep hij het stedelijk bestuur toe ,
zooals later Minister Modderman , maar met vrij wat
minder autoriteit , integendeel onder bescheiden protest,
„daermede niet te willen misseggen". De twee Burgemeesters zouden de grootste macht in het stedelijk bestuur behouden. De twaalf schepenen , de raadslieden
der Burgemeesters , moesten jaren achtereen gecontinueerd worden , om hun allengs meer ervaring van het
bestuur te doen krijgen. De vier en twintig raadsleden
moesten gekozen worden , zoowel uit de gilder als nit
den adel en de renteniers. De regeering zou voortaan
„door de gansche stadt" (op voordracht van de buurten)
gekozen worden, zeker in herinnering aan het oude Utrechtsche gebruik , dat , zoodra de stall zich in 1577 bij den
opstand aangesloten had , aanstonds weder populair was
geworden bij de burgerij en gedurig besproken werd.
Van deze drie hervormingen verwachtte onze auteur
alles goeds. Daarbij gaf hij nog enkele wenken over de
aanstelling van het personeel van het stedelijk bestuur.
De stedelijke ambtenaren moesten alien uit de burgerij
gekozen worden ; men zou geleerde rectoren en praeceptoren aanstellen ; de dienaars van justitie mochten „gheen
lichtmissen , dronckarts ende diergelijcke menschen van
quaden leven" zijn ; alle regeerders behoorden vrome
mannen te wezen , die goede correspondentie hielden met
de kerkbesturen.
Zoo waren de plannen van onzen Utrechtschen burger.
Niet zeer bijzonder, zal men meenen. Inderdaad, zoo is
ook mijn gevoelen ; het is begrijpelijk , dat het ontwerp
UIT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD. 235
in zijn tad niet veel indruk gemaakt blijkt te hebben.
Ook is het niet om de plannen zelven, dat ik het opstel
de eer van den druk heb waardig gekeurd ; veel opmerkelijker schijnt mij het kijkje , dat het ons gunt op
de zienswijze en op de idealen van de Utrechtsche
burgerij van het laatst der zestiende eeuw. Ten einde U
dit te betoogen , wil ik U even den man voorstellen.
Zijn naam ken ik niet het is wel onmogelijk hem op
te sporen. Maar die naam doet er ook eigenlijk niet
toe : het is voldoende , dat wij de physionomie kennen
van 's mans geest want zeker was hij er een uit honderden. Hij was een burgerman , gemoedelijk en braaf,
voorstander van gematigdheid en zeer afkeerig van partijschap, ook wat bang. Een kerkelijk man , overtuigd
Calvinist : zijn opstel is vol met citaten nit den Bijbel.
Maar daarnaast staan weinig minder talrijke citaten uit
de klassieken : hij was dus toch geen man uit de lagere
klassen , waarin het Calvinisme van ouds zijne kracht
zocht, maar een zoon van het humanisme, maar allerminst
een geleerde, zooals zijne bijzonder slordige spelling bewijst. Verder geen onaardige man , uit de school der
Rederijkers , die Meld van spreekwoorden , die hij niet
ongeschikt te pas bracht, — ook slim, al zijn zijne vondsten
niet zeer bijzonder. Geen partijman dus , geen man van
zeer geprononceerde richting: Calvinist en humanist, Calvinist en toch in de praktijk geen demokraat : een middenman goed staal van de publieke opinie waarin de
Durchschnitt-menschen den toon aangeven.
Wat leert ons nu deze niet onaardige , maar ordinaire
burger omtrent de denkbeelden en de wenschen van de
Utrechtsche burgerij van het laatst der zestiende eeuw.
Allereerst over den godsdienst. Eene goede verstandhouding met het bestuur der Gereformeerde kerk is van
het allerhoogste belang ; de predikanten moeten in eere
gehouden worden. Maar het is dan ook hun plicht de
burgerij te leeren , „hoe straffbaer dengene zijn, die
tegens huere eygen natuierlicke heeren opstaen ofte
eenige moetwil aenrichten, daer sulcx is een gheschaeffde
brugge ende effenen toepadt thaeren ruyne, van gelycken
deenige middel tot het volbrengen onser vyanden loose
236
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
ende boose aenslagen". Van de katholieken heeft onze
man een zeer beslisten afkeer. Tot zijn leedwezen is er
te Utrecht „menichte van Paus- ende Spaensgesinde",
„papouwen", die „openbaeriyck derven publiceeren , dat
huerlieder haen , daer zij geweldieh op snorcken , hier
oock seer balde coninck wesen sal", ja zelfs „wel stoutelyck wed(d)en ende gelt darop uutleggen , dat men eerlange wel ander liedekens als salmen singen sal ende
ter misse moeten gaen". Door het bezoeken hunner talrijke bijscholen „lopen de goede lieden blyndelinge in
de gracht", en hunne kinderen worden „also verleit ende
geinfecktert, ghelijck off zij in der misse, Jesewijtse ende
Paouselycke leeringe opgetogen waren". Niet ten onrechte is dan ook het (blijkbaar Caivinistische) gemeen
zeer op hen gebeten. ; en gelukkig „staen sy (dus) meest
in sorge omme teniger tat overvallen ende galls bedorven
te worden , midts 't gemene voick altijdts over hunlieden
crijt , wanner datter let is te quicken".
Naast den godsdienst is de tweede steunpilaar van een
goed regiment de geleerdheid en de studie der klassieken.
Goede en geleerde rectoren en praeceptoren behooren de
jeugd „van jonx op in alle vrye consten ende loffelycke
seeden (te) instruieren ende laten exerceeren". Geleerde
schepenen moeten de rechtspraak zuiveren en verheffen ;
ook de stedelijke ambtenaren behooren achtbare en geleerde mannen , „in den rechten wel gevarseert", te zijn;
„waerdoor, wesende hun acten ende brieven fraei ofte
geleerdelyck gedaen , mijn heeren alomme tot een crone
ende sieraet der stadt ser (sullen) werden gepresen".
Verbetering in dit opzicht is zeer noodig , want thans
„siet men deseive , geheel contrary, bespotten ende verachten doer sodanige cleyn (s)cientie ende onhervarentheit" der ambtenaren ; en inderdaad, de ongeleerdheid der
stedelijke secretarissen ontlokte ook aan een Utrechtschen
tijdgenoot van onzen auteur, den veel fijneren Aernout
van Buchell , bittere woorden.
Over de inrichting van het stedelijk bestuur heeft onze
auteur, waardige spruit van de middeleeuwsche Utrechtenaars , die alien persoonlijk deelnamen aan het stedelijk
bestuur, zeer preciese voorstellingen. Hij gaat uit van
tTIT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD. 237
het bekende rijmpje, — beurtelings op alle Nederlandsche
steden toegepast, — dat er moeten zijn : twee alien ,
twaalf mallen en vier en twintig niemendallen. Maar dit
voorschrift behaagt hem toch niet geheel. Inderdaad
moeten de twee Burgemeesters , de „alien", de macht in
handen houden en den toon blijven geven in het stedelijk
bestuur. Naast hen troonen echter de twaalf schepenen,
die volgens het oude regeeringsplan der Oostenrijksche
regeering, de Burgemeesters „dagelicx in alle voorvallende
saecken met raet ende daet assisteren". Men kieze dus
geene mallen , allerminst : inteendeel
o.
geleerde mannen ,
die door bevestiging in hun ambt allengs ook de noodige
ervaring verkrijgen. Ook moeten het onbesproken mannen
zijn , niet geldzuchtig (de eisch is welsprekend !), van
wie men ook geene rechtsweigering mag verwachten.
Naast deze voortreffelijke mannen nemen de leden van
den Raad in des schrijvers voorstelling blijkbaar een
veel bescheidener plaatsje in. Zij zijn niet de bestuurders
der stad : ook te -Utrecht zijn het nog altijd de Burgemeesters en de schepenen , die de lakens uitgeven.
Laten de raadslieden dus eenvoudige , maar geachte en
populaire mannen zijn, bij voorkeur „van ouden stammen
ofte geslachte". Zeker zullen er ook leden van de smalle
gemeente in den raad opgenomen worden ; maar zij , die
niet veel van de zaken verstaan , zullen daar den toon
niet aangeven : de leden van den adel en de renteniers ,
die met hen zitten, zullen hun met hull beter inzicht de
noodige leiding wel geven. — De ontvanger der belastingen zij „om verscheiden consideration", „yemant van
qualiteyt , die dient uut lieffde , zonder bate". Aldus
zullen de belastingen , streng maar „met de beleefste
middelen, die men bedencken can", geexecuteerd, zonder
bezwaar betaald worden. Een aristocratisch regime dus ,
waar de voorname lieden en de geleerden den toon aangeven. Bovendien behooren allen , „die rich ridderlick ,
mannelick ofte andersins uutnemende vromelick hebben
geemploieert en Baer dlandt ofte stadt door weldaden
aen gehouden soude mogen wesen", „gerecompensert te
worden", ten einde „alle hooge, cloecke ende excusiete
fraeie geesten te moveren , sulx na te doen ofte yet
238
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
a-nders , tot gemeene welvaeren dienstich zijnde , voorts
te brengen".
Het verschil der standen is (men ziet het reeds uit
het bovenstaande) in de denkbeelden van onzen auteur
sterk geaccentueerd. Bovenaan in de Utrechtsche hierarchie staan de leden der Staten-vergadering, die blijkbaar
reeds thans , nog geen tien jaren na hun optreden als
souvereinen van het land , als de hoogste waardigheidsbekleeders erkend worden. Vermakelijk is het te hooren,
hoe onze auteur ,,eenyge van de notabelste der stadt"
wil doen opstoken, om „mijn heeren aen te houden ende,
als uut haer selven , met requeste te versoecken ende
soliciteren", om leden van de nieuwe schutterij te worden.
Zelfs in den Raad , die toch een veel minder deftig college is , nog volstrekt niet , zooals de latere vroedschapscolleges , ebenbiirtig met de Staten-colleges , moeten de
voorname lieden den toon aangeven. En ook de schutterijen moeten gevuld worden met personen uit de voornaamste standen en alzoo strekken ,,tot sieraet ende eere
van een seer heerlicken provintialen stadt, ghelijck dese".
Zoo oordeelt deze Utrechtsche burger, blijkbaar opgevoed in den eerbied voor zijne meerderen. En toch, deze
burgerman is een demokraat wij vernamen, hoe hij verlangt, dat het stedelijk bestuur voortaan weder zal gekozen
worden „door de gansche stadt". Maar Welk een demokraat ! Zijn hoogste doel is altijd, om de burgerij stil
te houden en eventueele oploopen te bedwingen. „Wie
sal dan denghene wesen , die yets soude connen ofte
derven attenteren", roept hij eenmaal triompheerend uit ,
,,ghemerckt niemanden gelegentheyt en heeft eenen voet
scheeff te setten, dat men niet en soude weeten te
beletten". Maar hij vergeet zich dan, want niet dit is
het doel van zijn. schrijven ; integendeel wil hij „ de
ghemeente onderdanigh makers met goeder heerten sonder
dwanck". Hij hoort het dan ook nog te beleven , dat
zijne Utrechtenaars , die thans overal „muitemalcers" gescholden worden, eenmaal (als weleer, zegt hij naievelijk!)
een goeden naam zullen verkrijgen bij keizers en koningen,
en dat men (hoort den rederijker !) den naam der loffelijke stall van Uut-recht zal kunnen veranderen tot In-recht !
MT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD.
230
Maar hoe streeft onze man dit fraaie doel na ? Wij
hoorden reeds, hoe hij de belhamels (de „roepers") hoopt
van de baan te krijgen , als zij gevaarlijk worden. Wij
hoorden ook , hoe de predikanten moeten medewerken ,
door van den kansel te leeren, dat oproer de weg is tot
den ondergang der stall. Maar het stedelijk bestuur zelf
moet ook medewerken door ijverig te zijn in een systeem
van flikfooien der burgerij, die de macht in handen heeft
en zoet gehouden moet worden. De leden der Statenvergadering moeten zich veel vertoonen in de bijeenkomsten der schutterij, als er „yets te raetslagen valdt" :
dit zal ,,sonderlinge vrienschap ende lieffde verorsaecken".
De Burgemeesters moeten de waardgelders persoonlijk
betalen , zich nu en dan eens onder hen vertoonen en
hen „temet eens bescencken , dat ghen quaet doen can ,
om bemindt te weten by goede gesellen , die gherne
drincken". De raden moeten ,,haer by een yegelyck ,
sonder aenschouwen van rijck ofte aerm , fameriael ende
vriendtlyck dragen", maar toch tevens 's nachts bij beurten
op het stadhuis zij n , om de schutters te controleeren ,
„quansuis om se in order te houden". Aldus zullen de
bestuurders „de herten des volcx met zoo grooten lieffde
thunwaert verbinden , als men soude mogen wenschen",
en ook — hierop komt het ten slotte aan — ,, een pat
bereiden tegens datter eenige lasten (belastingen) opcomen
mochten". De burgerij zal dan ponden (Vlaamsch) geven
in plaats van de daalders , die men vraagt , en men zal
dan zelfs ,,buiten alle achterdencken van oproer donwillige
(kunnen) compelleeren".
Met deze ordinaire kunstmiddeltjes zou dus de Utrechtsche
burgerij, als zij hare oude middeleeuwsche rechten teruggekregen had, zoet gehouden moeten worden ! Wij vernemen bet met verbazing , en wij vragen ons of , of ook
de middeleeuwsche stadsbesturen , de middeleeuwsche
kracht-menschen, de turbulente leden der machtige gilden
aldus hebben gevleid en geaaid ? Wij weten het niet ;
zeker heeft het Leycestersche bestuur, teen het te Utrecht
de teugels in handen had , de zaken anders opgevat.
Maar toen na het vertrek van den landvoogd de aristocratische regeering opnieuw het heft in handen nam ,
240
Ef:N" UTRECHTSCH PAMFLET
heeft zij zeker spoedig gevoeld , hoe wankel , zelfs na
eene halve eeuw van krachtig Oostenrijksch bestuur,
toch hare zetels nog stonden , zoodra de cleyne luyden
zich , onder de pressie van hun star geloof, weer
begonnen te roeren. In 1618 grepen zij te hunner verdediging aanstonds het oude middel aan, dat onze burger
dertig jaren vroeger had aanbevolen : de aanneming van
waardgelders , van een eigen legertje , waarmede ook de
Nijmeegsche katholieken van 1585 denkelijk wel genoegen
genomen zouden hebben. En toen prins Maurits, na den
troep ontbonden te hebben , den triomf der Calvinistischdemocratische partij ging bezegelen, greep hjj weder een
middel aan , dat onze burger in zijn vertoog aanbevolen
had : hij verving de roerige burgerhoplieden door eene
schutterij naar Hollandsch model , en in plaats van wet
en raad , door „de gansche stadt" gekozen , zooals onze
burger-democraat gewenscht had , voerde hij eene vroedschap in , een gesloten aristocratisch college , waarin hij
zelf de leden benoemde. Het yolk profiteerde niets van
deze overwinning : het had ook toen niets meer to zeggen
en het werd ook niet eens meer geaaid.
S. M.
JONSTICH VERTOOCH ENDE ADMONITIEN VOOR MIJN EDELE
HEEREN MUNE HEEREN, DE STATEN ENDE MAGESTRATEN
DER STADT UTRECHT, DIENENDE TER WAERSCHOUWINGE VAN
EENIGE PERICKELEN , DIE HAER ED. SOUDE MOGEN OOVER-
gelijck eertijdts tot Nimwegen is geschiet 1), alwaer
dat haer de overicheit ghans niet en liet beweegen doort
drigeu, lasteren ende mormereren van eenige bitter RoomsCatelycken , dewelcke , effen zooals hens gelijcken , eertijdts , weinich voor den Paryse bruiloft , die van der
reliesie braverden , seggende dat er eerlange wel ander
liedekens als salmen singen ende ter misse gaen souden
moeten , dervende (alsoo oock onse papouwen hier merle
VALLEN,
'1) Nam. in 1585. Zie daarover de Inleiding.
UIT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD.
241
al doen) wel stoutelyck wed(d)en ende gelt darop uutleggen , dat sulex haest gesehieden sat
Omme waerjegens te versien , oock mijn Ed. heeren
(onder dwelnemen van dezelve gesprooken) in huer behoorlicke respeckt ende outoriteit te stabilieren ende
meintineren , eensamentlycken te mogen prevenieeren
sulck ofte diergelijcke diffamie ende moetwillicheit , als
Haer Ed. vant gemeen puepel (wesende al wat tamulteues) over een tijt leden is worden aengedaen, tvervolch
van desen eenichsins te passe comen soude mogen.
1. Als in den eersten , dat men seeker ambochtsgesellen ende ander gemeen volck (zonderlinge van schippers,
timmerlieden ende diergelijcken , best ter handt ende
getrou wesende) by maniere van waergeldt aennemen
sal. Dewelcke in vier deelen gereparteert ende onder
wijckmesters , conestabels ofte andre offetsieren gesteldt
zijnde , sweren sullen myne heeren de Borgemesters met
de stadt hou ende trou te zjjn , omme in alle occurentie
ende swaricheiden, tsy op het trommel off clocken-geslach
ofte anders waerteken , thueren bijstandt met lijff ende
leeven gereet te wesen. Als wanner zy verschynen sullen
in voile wapen , zooals men haer setten ende ordoneren
mach , ter plaetsen vant ren.devoes , dat een yeder sal
werden gedesingneert , te weten op eenige bruggen ,
hoecken van straten ende elders bequaem , daer zy dan
niet van daen en moeten gaen nochte niemant laten
paseren sonder tsheeren bevel , maer ketens ende slachboomen te houden.
Sullen oock nue rechtevoort ten acht dagen ofte eei l
-der,naotvhisdrnauwcthebop
de wallen ende vesten , allenelijck onderscheiden , daer
men nu met gansche compangien oft gebuerten optreckt,
zylieden dan in seecker suffisant getal uut elck quartier
gaen sullen, om gheen deel van der stadt (daer bywylen
niet weinich ongevals aff comen can) sonder volck oft
onbeset te laten.
Item moesten oock (na gelegentheit) in alle hooftstraeten sentenelle houden , ende van 'savondts metten
donckeren tot smorgens van deen tot dander (elck in zijn
Bijdr. en Meded. XXXVI. 16
242
EEN UTRECHTSCH PIMFLET
quaertier) ommegaen, ten minsten 2 ofte 3 sterck, tgeboefte
van der straet te houden , doende midtsdien ock het
offitie van de cleppers , door wie 's nachts oock de jegenwordige borgerronde gheen sonderlinge proffijt en geschiet
jegens alderhande ongemack , dat men dickwils siet ceebueren , soe en laten oock darom niet de dieven in ''de
huysen te breken, vermidts gheen tijt en mancqueert voor
ende na tpasseren derselve , dat zeer lichtelijck can
werden gebetert , alsoo ten dele heeten sal den warom
van desen te wesen.
Daertoe verscheiden. manieren (gelijck in Londen ,
Parijs , Lisbona ende ander poopuluese steeden geschiet)
sulle werden geobserveert , te weeten : hoe sich een
yegelick heeft te dragen , wanneer latter yet is te doen
ende men hoort roepen : „Sta sta ! Keer keen ! ofte : Stop
stop van sheeren weegen", etc. Op weick gerucht alle
man (daerontrent woenende) uutcomen sal, hebbende een
halve pieck , hellebaert ofte halsgewer in der han.dt, als
wanneer een yegelyck , weesende by geval op strate,
moet blyven staen sonder van der platsen te gaen , op
seker peene , te verbueren tot voordel derghenen , die
se bevynt contrarierende , zoowel yeller huys daer hem
niet een manspersoon (ofte , gheen daer wesende , de
vrowe , meit ofte yemant antlers) met lycht op strate en
presenteert , als die sich van daer by ter selve tijt was
sal hebben getransporteert , denweicken midtsdien ende
sonderlinge denghenen , die niet en is (ge)kent ofte men
loopende bevindt , als den rechtschuldigen opgehouden. ,
aengetast ende in gevanckenisse gebracht sal werden.
Tot desen haer terstondt voegen sullen alien de voorseyde wargeltslieden ofte besolde wacht (alsoo men deselve
noemen mach), bysonder alst roemoer is in hun geveste
ofte zoo na dat sijt hooren cunnen.
Waervoor men haer met seker tracktement versien
ende gewillich houden sal , tsy dan a 10 ofte 12 stuvers
ter wecke , des by haer te lichter wert om doene , vermidts loch nu meestal omsunst waken 1), ende hiermede
1) Zie de ordonnantie voor de dagwacht d.d. 7 Febr. 1578 (V. d.
Water, Plac.b. III p. 584) : elk burger moet waken.
UIT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD.
243
vast, deen zijn huyshur, dander hun wintervlees , torff
ende diergelijcke winnen sullen. Als tegen wanneer, ende
naerdatte magestraten jaerlicx zijn verset 1), men deser
betalinge (neffens het renoveren van horen eet aen de
Borgemesteren in der tijt) hoeft voer hoeft doen sal, soo
om alle frauden te beletten als verscheiden redenen
meer, die hierna werden genarreert.
Twelck gerekent zijnde elck op twee gulden ter maendt,
wesende 24 gulden jaerlicx voer 1200 personen , compt
I 28.800, die byna geheel ofte mestendel , naer dat mijn
heeren belieft, te vynden zijn uut de jegenwordige contrubuitien 2), mitsgaders van denghenen , zoo noch meer
wachtvry gemackt werden sullen , tvelck gecalqueleert ,
deen myn dander meer, a 6-5 ofte 4 stuvers ter wecke ,
jegens sestienhondert personen opt hoochste , compt int
jaer f 24.960 ofte tmynste , te veten tot vier stuvers
gerekent , belopt 16.640 gulden.
Daerby gevoecht tghene de voorseyde cleppers (die
milts desen sestien sullen zijn) winnen met hun sestienen,
elck ontrent tweehonder(t) gulden , facit 3200 gulden.
Dewelcke ten minsten dobbel uut de huysen (van Jaen
zy die halen moege 3)) werden gevordert ; ende en can
ock nietmant reffuseren , ten aensien van de goede versekerheit ende geruchticheit , die door desen geschiden
sal , erge noch 3200 gulden.
De reste , als te weeten 5760 gulden , ende watter
boven de voorseyde 28.800 gulden noch meer verheist
(wort), zoo om alle gemeen offitsieren , als rotmesters ,
1) Nam. op '1 October.
2) Nam. van de wachtvrijen. (Zie de aangehaalde ordonnantie van
'1578 art. 2.)
3) De zestien kleppers werden bezoldigd door de huizen en hooibergen in het kwartier. („De Raidt heeft de acht borgerhopluyden
gecommitteert ende geauctoriseert , om elcx in heur quartier aen te
nemen bequame persoonen tot wachters met de clep, om toe te sien
voor brant , dieverye ende andere inconvenienten, ende d'selve te
doen betalen by de huysen ende berghen , in hoerluyder quartier
staende". Resol. rand 23 Oct. 1587.)
244
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
voerders , banierdragers ende andere , die men hooger
moet gasgieren, mede te contenteren, genoch can worden
geformeert by de vijff collegien ofte canosyen met die
van S. Catrynen, Servaes, Oudtwijck, Angnieten, Wittevrouwen ende andre buns gelijcke , rijcke provens hebbende , dewelcke sonder dit ofte eenich ander expedient
(dienende thaerder assurantie) meest in sorge staen, omme
teniger tijt overvallen ende gans bedorven te worden,
midts tgemene volck altijdts over hunlieden crijt, wanner
latter iet is te quicken. Soo en gelden zy althans oock
vel minder niet tot de presente wacht, daer voerwaer
luttel op wert gepast ende noodtshalven inne dient versien met beter ordere , alsoe hierdoer geschieden can alle
man ten besten zonder merckelyck beswaren , deshalven
myne heeren dit aldus goet souden heeren in werk te
stellen.
Itam soe en behoeft men dan meer de vier maeyoors
ofte wachtmesters 1) niet , gemerckt de voorseyde conestabels , quartier- ofte wijckmesters (hoe men deselve
noemen wil) dit offitie mede bewaren ende haer tracktement van 300 gulden jarlicx ondtfangen souden , ende
maken hun werck tenemael van dach ende nacht omme
te gaen, poorten ende wachten te besoecken, merquerende
medt alder nersticheit , watter allenthalven passeert.
Hiertoe self's mede die voorgemelde wachtmesters ofte
eenige van dien, dewelcke min heeren tot sulcx bequaem
vynden , moge(n) worden geemploieert , ende byaldien zy,
alsoeck dander beveelslieden, yedtwas vernamen, hoerden
ofte saegen , de stadt ende myne heeren magestraten te
nae . gaende , sullen gehouden weesen Haer Ed. tselve
getrouwelyck aen te dienen ende na alle vermogen helpen
contravenieeren.
Daeromme zylieden al cloecke , vroome ende ervaren
mannen, oeck goede patrioten wesen moeten, om dewelcke
te becomen aen den cuer van veele, dier na staen sullen,
niet en sal gebrecken , overmidts soo redelicken soldie
1) De wacht stond volgens de aangehaalde ordonnantie op de dagwacht van 7 Febr. 1578 onder vier hoplieden of bevelhebbers.
UIT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD.
245
wert gegheven. Sonder dat dengenen , die eenich merckelyck debvor doen in ofte buiten synen dienst, streckende
tot stadts-beste , bevonden werden gedan te hebben,
niet en sullen blyven ongerecompenseert, tsy met eenige
meerderen staet ofte ander gentelesse, sulex mijn heeren
naer exigentie ende merite der saecken bevynden sullen
te behoeren ende requireren. Onder welcke , te weeten
de voornoemde gemeen offitsieren, men ock soude mogen
toelaten eenige van de meste belhamels ofte roepers ,
wesende anders vroem ende getrow, om beter in devotie
ende dwanck te houden.
Sullen oock weesen verobligeert, tsy met partyen ofte
gehele companien , in de omleggende plaetsen garnesoen
te houden , ende oock elders daert de Ed. heeren belieft
moeten gaen, midts soelange soldaedts-gasie ondtfangende.
Ende dit is merle een secret (hoewel heeten sal dese
mar gelijck andere in waergelt zijn), omme in tijdt ende
wylen den sieenden vleispot een weinich te schuimen ,
alsoe onder 't decksel van dien bequaemelyck geschieden
sal mogen , alst den noet verheist ofte yedts vorhanden
is , daer zy beter wyet van als naby dienen te wesen.
Midts welcken ende tghene hierna meer wert gedemonstreert , alleene niet en sal cesseren de bovengemelde
oproer ofte wederwillicheit der borgerie , maer oock werden verhoet tghene is geseidt , beroerende die van Nimwegen, dewelcke heur heeren magestraten met alien goede
patriotten ende soldaten ter stadt uutgejaecht ende den
vyant ingelaten hebben 1).
2. Ten tweeden dat men de acht vendelen borgers
(over dewelcke mijn heeren somtijdts weinich geboets
schynen te hebben) op volgende wyse verminderen ende
reduceren sal.
Namentlyck van ontrent drieduisent tweehondert , soe
men die rechtevoert sterck acht , op negenhondert van
de principaele ende gequalificherste , eedel ende oneedel
weesende , ende soeveele mogelyck de gemene saecke
'1) Zie de Inleiding.
246
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
toegedaen, bysonder hunlieder cappeteinen , zijnde selffs
oeck van der magestraete , alst eenichsins te passe
comen sal.
Dewelcke nergens dan opt stadthuys ende in der
poorten waecken, mitsgaders de ronde zoo binnen als op
de vesten doen sullen , ende rich in tyde van noot aen
de Platse , Nue ende elders na onder gewoonte vynden
laten.
Wanneer oeck dander gemene borgerie , zijnde onder
deese noch de voorgaende niet begreepen, haer int gewer
sullen presenteren , elck Baer hun wonplatse is , sonder
van daen te gaen , soelange haer van sheere(n) wegen
anders wert bevolen, tot wiens gheboden zy alien staen ,
deshalven haer gheen overheit als de twee Borgemesteren
(deene boven ende dander int benedendel der stadt) sal
worden gegheven , neffens eenige tiende , twintichste ,
vertichste ofte vijftichste mannen , om te moge weeten ,
wie dat zy in alien gevallen hebben te volgen.
Ende opdat de voorseyde besolde waeckers, meest
zijnde lieden , die hun broet metter handt winnen , te
myn verletten, mogen dese ghebuierswyse by wynterdach,
alst vroech doncker is , de avontronde tot 9 ofte 10
uwieren elck in hun geveste bewares , omme soelange
de straeten vry te houden.
Pat sulex een geringe saecke wert , doordien tselve,
van huys tot hays geteldt , nauwelicx ten drie wecken
eens thueren toere commen sal , ende denghenen , die
self's daertoe niet vasseren en can , ofte gheen manvolck
by huys en hebben 1) ofte yemant anders daertoe ghebruicke mogen.
Soe en sal ock alsdan niemant , behalven de wacht ,
naer sonneschijn met eenich gewer sonder lanterne gaen
moeten, op verbuerte van tselve ende daertoe het opperste
cleet.
Itum omme de gemelde acht vendelen des te gevoech-
1) Het H.S. lascht hier ten onrechte in : „ofte", hetgeen bij abuis
is blijveri stain nit: ,hoer dienaers ofte yernant anders'', hetgeen doorgohaald is.
UIT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD. 247
licker tot veranderinge te brengen , sullen in forme van
drie schutteryen werden gesteldt , met soedanige order
ende prevelesie als ander steden bebben ; oeck een ofte
meer doelens daertoe versien ende versorgen worden ,
omme haer mette busse, handt- ende voetboge te mogen
exerseren , ende voerts te doen tgene dartoe sulex in
voortyden by de prince van den lande is geinstituvert.
Alles streckende tot sieraet ende eere van een seer
heerlicken provintialen stadt, ghelijck dese voer ende nae
is vermaert ; waertoe dan oock de heeren Staten , bethonende Haer Ed, beleftheit ende cortesie, eenige vryheden
van imposten ende ander benefitien na gelegenheit sullen
verleenen.
Oeck mogen deselve , voer soeveele hierbinnen resideren , merle in dese comfrerye weeten , omme , aisser
eenige byeencomste ofte yets te raetslagen valdt, present
te zijn ende alle goede intellieentie daermede te houden,
dwelck geschiedende sonderlinge vrienschap ende lieffde
verorsaecken sal.
Waertoe wel eenyge van de notabelste der stadt opgemaeckt connen werden , die mijn heeren daeromme
aenhouden ende , als uut haer selven , met requeste versoecken ende soliciteren sullen.
Ende zijnde dit in manieren voorseyt ten wercke gesteldt , wie sal denghenen wesen , die yets soude connen
ofte dorven attenteren, dat dlandt ende stadt ofte magestraten prejudicabel ende in werderwille zijn mochte ,
ghemerckt niemanden gelegentheyt en heeft , eenen voet
scheeff te setten (by maniere van spreken), dat men doer
middel van desen niet en soude weeten ofte connen
beletten ?
Te meer zoe alle nacht een uutten raet opt stadthuys
wyl blyven (quansuis) om de schutterye in order te
houden , twelck lychtelyck is te doene , midts niet dan
alle 24 dagen eens hare buert sal wesen , ende noch
onnodich wert, zijnde den hopman van der magestraeten
als vooren gereputee(r)t.
Behalven dat mijn heeren Borgemesteren, als opperste
cornels , haer oeck aldaer inschelijcx by dander wachten
(tot meerder ondtsach) altemet eens verthoenen sullen,
248
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
ende deselve temet beschencken , dat mede Olen quaet
doen can , om bemindt te wesen by goede gesellen , die
gheene drincken. Waerdoer, ende doende de betalinge
aen de vorgemelde soldeniers in eygene persoon , de
herten des volcx met zoo grooten lieffde thunwae(r)t
verbinden sal, als men soude mogen wenschen.
3. Ten derden, omme noch met meerder vruchten dit
alles te effecktuieren ende U.Ed. comandement de ghementen uut goeder heerten (oeck Bonder de vorseyde
dvanck) onderdanich te waken , eensamelick dese lofflycke stadts naem Ut- In-recht te mogen verwandelen ,
ofte restoureeren den goeden naem, wardoer zy by keyser
ende coningen eertijdts hooch is gepresen , itum langer
gheene muitemakers (gelijck derselve inwonders alomme
werden geheeten) te weesen , soe sullen mijn beeren
gelieven , haer, elck in synen stadt mitsghaders derselve
offitien , een weinich te refformeren , als hierna (doch
onder protestatie van daermede niet te willen misseggen
nochte eenige wangonste te beghan) cortelycken wert
ghetracktee(r)t ende gediscorree(r)t.
Booven alle dat Haer Ed. blijcken laten oprechte amatuers der gherechticheit (te) zijn, waeraen meest is gelegen,
zooals den propheet Michea cap. 3 v. 1 ende 2 1) verclaert, desgelijcx den wijtberomden keyser Justinianus ,
in zijn Autentica, seggende : Justicia est virtus praecipua ,
aliorum domina , per quam reguntur omnia , sine qua
f actum est nihil 2) derhalven het betrachten van dien
sonderlingh vereist , ende mitsdien , herstellende derselve
magestraeten , nodich is , dat het spreckwoort van twee
alien , twalff mallen ende, vier en twintich nietmendallen
ten deele, maer niet geheel en zy warachtich.
1) Micha. III 1.
2) Wellicht eene vrije reproductie van Auth. 73. — Volgt in het
handschrift, maar doorgeschrapt : „Twelck alsoo in seeker verse, by Syner
Exc. heer wader hoochloffelicker memorie , olim ghepronontieert , mede
wert gecomfirmeert, alsoo Justitie et Pietas de sterckten der vorsten
zijn ende banden van alle landen". Welk gedicht bedoeld is en wanneer
prins Willem dit kan hebben aangehaald, blijkt niet,
MT DEN LEYCESTERSCHEN T1JD. 249
Comende dan tot de 2 eerste fyne(?), datteselve, wesende
myne heeren Borgemesteren , door Hun Ed. treffelyck
verstandt ende dapper gequalificheerde vromicheit ende
lieffde tot de gemente ende tvaderlandt den voorseyden
naem waerlyck moegen voeren in de vreese Godes.
Daerby nemende twaleff ghelijcke of ten minsten vroome,
gheleerde ende (heel contrarie tvorseyde beduiden) wyse
schepenen, nae Jetros raet 1) de ghiericheit hatende,
warrachtich ende Bonder alle infamie ofte merckelick opseggen. Ende deese en behoeven niet , gelijck nu dickwils geschiet , met een jaer verlaten te wesen , maer
behoerden (als zy getrowelyck haer beroepen nacomen)
ettelycke jaren gecontiniwert te worden, omme bequaemer
te mogen sijn , behalven tadministreeren van de justitie ,
de heeren Borgemesteren dagelicx in alle voorval(1)ende
saecken met raet ende daet te assisteren.
Dan wat belanget de vier en twyntich raden (die men
verquant heit niemendallen) can bestaen sonder de hoechste
tytelen voorseyt , alsoe maer welgeachte , eersame , dischrete ende vredtsaeme lieden van ouder stammen ofte
geslachte ende lieffgetal onder tvolck zijn. Mogen daerom
door de gansche stadt , tsy opt voorstellen der ghebuieren
ofte antlers, na ouden gebruicke worden gecooren , zoewel
uut allederleye ambochten , neeringen ofte ghilden , als
van renteniers ende eedellieden , om beeter alle saecken
in der poletsyen te beleyden ende vastgaen , wanner hen
yets voorcompt , dat zy qualyck verstaen mochten , waernemende de wysemans spruecke : dat het berow seer
naby volcht den lychtverdigen raet.
Sullen haer daeromme by een yegelyck , sonder aenschouwen van rijck ofte aerm , fameriael ende vriendtlyck dragen ; oick dickwils in dero byeencomste ende
geselschap voegen , omme alsoe beter hunne medeborgers
herten te wynnen , ende een pat bereiden tegens latter
eenige lasten 2) opcomen mochten , dewelcke weesende
1) Exodus XVIII vs. 24.
2) Nam. belastingen.
250
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
gheconsenteert ende gepubliceert , mosten sonder veranderinge , mutatie ofte wederroepen stricktelyck werden
geexecuteert , doch met de beleefste middelen tegens den
onvermogenden , die men bedencken can. Tot colectie
ende ondfanck van dewelcke , mitsamen alle ander penningen , die uut de gemente exterordinaris moeten gehaelt
zijn , om verscheiden considiratien nodich is , by yemant
van qualiteyt bedient te werden uut lieffde zonder bate.
Door dese zoe ghevoechlycken ende dischreete maniere
van prociduieren de(n) lieden (weetende datter toch moet
wesen gegheven) sulcken benoegen , ja welgevalle geschieden sal, dat zy in platse van daelders 1), die men
niet en heft weeten te becomen, sonder dificulteit gherne
meer ponden 2) gheven sullen, zoo can men dan oock buiten
alle achterdencken van oproer donwillige compelleeren.
Waerinne allenelyck client geconsidireert , dat den eesel
(daraff de fabele leert) niet en werde overladen, alsoo dat
by onder den last moet blyven leggen ofte genoodtdruckt
wert tpack tenemael van sich te werpen , ghedenckende
wat Tiberius , vermaent zijnde om tvolc nieue schattinge
te doen gheven , seide : een poet herder scheert , maer
pluckt niet.
(4.) Voorts mosten alle stadtsoffisien, waerdoor by wylen
murmeratie onder de gemente coompt, werden gegheven
aen eerlycke borgers ende borgerskynderen , wesende
ock de relige toegedaen , voornamelycken alst poertiers ,
schrijvers ofte diergelijcke (daeraen is gelegen) weeten
soude. Onder dewelcke niet en sijn de geringste der
Ed. Heeren secretarisen, die sonderlinge expert ende deligent ock in den rechten wel gevarsee(r)t behooren te zijn ,
ende daertoe ghedienstich pertye saecken te expedieren.
waerdoor (ende wesende hun acten ende brieven fraei
ofte geleerdelyck gedaen) mijn heeren alomme tot een
crone ende sieraet der stadt ser werden gepresen , des
1) Het is mij niet gebleken, op welke mislukte belasting deze toespeling doelt.
2) Nam. ponden Vlaamsch (= f 6.—).
MT DEN LEYCESTERSCHEN TIJD.
251
men geheel contrary deselve bespotten ende verachten
siet door soedaniger cleyn (s)cientie ende onhervarentheit 1) , behalven dat pertye met sulcx geintresseert ende
verachtert werden.
(5.) Tot welcken eynde , ende om in toecomenden tyde
van gheleerde mannen versien te moge wesen , soe sal
men de juecht van jonex op daertoe ende in alle vrye
consten ende loffelijcke seeden instriueren ende laten
exerceren , waertoe sonderlinge requireert , (dat) de stadt
werde versorcht met hoochvermaerde , prestant(e) ende
eloquente rectores, praeceptoris ende magistris ofte schoolmesteren , levende in de vrese des Heeren.
Soe sullen ock mijn Ed. Heeren (opdat , gelijck een
oprechte overheit toestaet, Sorge draegen dat haer onderdanen werde belet blyndelingc te lopen in de gracht)
affschaffen alle byschoolen (die hier vele zijn) , daer de
goede lieden kynderen als door het quaet saet , dat in
den acker by nacht werde gesaeit , alsoo verleit ende
geinfecktert werden , ghelijck off zy in der misse , Jesewijtse ende Paouselycke leeringe (o)pgetogen waren.
(6.) Ende voor zooveele aengaet de proqueruers, duerwarders , letterdienaers ende meer andere , derwelcke
offitie is de justitie te dienen , en molten voor alle gheen
lichtmissen , dronckarts ofte diergelycke menschen van
quade levee zijn , midts door sulcx niet alleene een yeller
ten recht hebbende te doen seer verachtert , maer oeck
de justitie selver versmaet ende dienvolgende de ghansche
magestraet in cleynachtinge gheraecken. Daer men anders
deselve ondtsiet ende eert , zoowel door den minsten bootie
(vroom ende eerlick wesende) , als den person , van Wien
dat se gesonden zijn , daerher tgemeen spreckwoort synen
oorspronck schijnt te hebben , diekterende : Effen zoo de
nester is, alsoo poet den knecht bereidt.
(7.) Derhalven ende ten aensien hem de Hoochste Maje-
'1) Yergelijk met deze klacht : Buchell's Diarium ad 4597 kp. 447)
252
EEN UTRECHTSCH PAMFLET
steyt nergens op aerden naerder nochte claerder en representeert, als in zijn heilyge justitie (Psalmo 82 1), ende Paralipominum 19 2) ), dat oeck derselffs amptlieden, onder dewelcke MEd. (neffens alle vrome justisieren) merle begrepen
sijt , de hoochste dingniteyt ende reputatie meriteren, als
hebbende soodanich gheweldt van den Alderhoochsten
Sapientie 6 3) ; daeromme zy oeck het beldt Godts wert
vergeleken , zeer wel ackorderende met S. Augustynus ,
spud Senecam in Ludo 4) : Pietate et justitia principes
dei sent 5).
Waeromme boven alle hoochnodich is denghenen , die
wel sal regeren , hem selven daerinne met sulcken ernst
ende graviteyt te draegen, dat zy der vroomen hert ende
betrouwen tot haer, ende den boosen (volgende des
heiligen Appostels leere) een vrees ende schricken aenb rengen mochten.
Tweick alleen in recht ende gerechticheyt te handthaven , mitsgaders elck na verdiensten te laten wedervaren
bestaet , Bonder eenige effecktie alsoo den vroomen keiser
Antonius 6) zeide niet te willen gehengen , misprysende
ock groote vreedtheit ofte te veel bermhertich zijn , midts
beide van den rechten wech wijcken. Waeruut blijckt ,
hoe middelmaete best ende gheen dinck ter werelt schadelicker en is , als pertischap dragen in den raet , met
weigeringe van justitie , waerdoor veel groote heeren niet
allenelyck en hebben verloren hun outhoriteyt ende alle
commendement over hun onderdanen , maer oeck zijn
gefrustree(r)t van haer getrouste dienaers ende vrienden.
1) Psalm LXXXII vs. 1-8.
2) 2 Kronijken. XIX vs. 4-11.
3) Sapientia Salomonis. VI vs. 3, 4.
4) Wellicht in Augustinus' bespreking van de echtheid van Seneca's
Octavia?
5) Volgt in het handschrift, maar doorgeschrapt „Daer in contrarie na
zijn verclaeren de landen ende republicken , daer sulcx niet en wert
voorgestaen nochte gemeintineert , enckel bloedige moertcuilen zijn".
6) Waarschijnlijk wordt M. Aurelius Antoninus bedoeld ; het citaat
is echter in zijne werken niet teruggevonden.
tIT DEN LEYCESTER8CAEN TIJD.
253
Tplach by den Romeinen , Lacedemoniensen , Persen
ende ander te weesen een lofflyck gebruick , niet alleen
te straffen het quaet , maer oock Omen duecht te laten
onbeloont , waerdoor, behalven dat sulcx is streckende
thoerder eewyge prijs ende gloorie , sylieden ock meest
vercregen hoer welvaert ende vicktiorie. Weshalven naer
dit exempel te ghedencken zijn dengheenen , daer dlandt
ofte stadt door weldaden aen gehouden soude moge(n)
wesen , om alle hooge , cloecke ende excusiete fraeie
geesten , zyende hoe denghenen , die sick ridderlick mannelick ofte andersins uutnemende vromelyck hebben gheemploieert , werden gerecompensert , te moveren sulcx na
te doen , oft moge(n) werden verweckt yet anders , tot
gemeene welvaeren dienstelyck zijnde, voorts te brengen.
(8.) Eindelycken, om niet te vergheten, dat boven alle
dinck behoirt te werden gesocht , ende opdat Godts loll
verbreidt ende den septer zijns rijcx midden onder ons
gevesticht, ock U.Ed. regeringe te verspoediger wesen ende
blyven mochte , sal deselve nodich wesen te houden goede
corespondentie met der kercken riggemendt , versorgende
dat alle saecken daer wel ende ordentlyck toegaen.
Vornamelyck dat de predicanten ende dienaers haer
sonderlinge bevlitigen , om de ghemente in eendracht ende
gehorsamheit tegens hun overheit te onderhouden , ghelijck
al tselve rechte kynderen des gelooffs toestaet , voor seeker
wesende , dat zy dit achtervolgende van den Almogenden
gesegent , Bonder vrese vandt mordadich swert des Verdervers , onder huere eygen natuierlicke heeren in vrede
levee sullen. Met vermaninghe , hoe straffbaer dengene
zijn, die tegens deselve opstaen ofte eenige moetwil aenrichten , daer sulcx is een gheschaeffde brugge ende
effenen toepadt thaeren ruyne , van gelijcke deenige middel
tot het volbrengen onder vyanden loose ende boose aenslagen , dewelcke midtsdien ende door negligentie (wesende
recht suster van Dischordia) haer vermeeten , welhaest
ende al veel eerder dan men geloven mochte , solde connen
doen appereren. Ghelijck zy hun door een deel vindicatieve Paus- ende Spaensgesinde (die hierbinnen menichte
werden gheacht te zijn) dickwils verhooren laeten , dervende
X54
tlIN UTRECHTSCH P.A.3iFIAT.
wel openbaerlyck publiceeren , dat huerlieder haen (daer
zy geweldich op snorcken) hier oeck seer balde coninck
weesen sal, hetweicke al niet en is sonder dangier, byaldien (des Gode verhoeden moet) doorloge naerden ende
over de reviere quaem. Waerop by tyde sal dienen
ghelet, aleer het zy te laet ofte dattet hiermede gaet
alst die van Nimwegen dede 1), hebbende gheen troue
advertentie nochte warschouwinge geacht , daerover schijndt
alsoo met huer heeft moete(n) wesen; inschegelijcx den
moort van Parijs , alwaer den Admirael met sooveel vrome
heeren eylas (mede dickwils waeren vermaent voor haer
te lien) om den hall gecomen is , aen dewelcke zy haer
wel hadde(n) mogen spiegelen. Ghedenckende hoe den
phropet Ezechiel cap. 33 2) seyt: Wie tgeblaes der trompetten hoort ende sich daermede niet en laet warschouwen ,
dies bloet op zijn hooft come, ist saecke dat hy vast
swell werde ghedoot ; daervooren den Almogenden de goede
inwoonders deser stadt ende alle menschen behoeden moet ,
alsoe wel schijnt Zen genadige toeversicht ende wille te
sijn , door zoo bequamen gemackelycken rechtverdigen
ende eerlycken opportuniteyt , alsser midts desen Wert
geoffereert.
Allen dvelck , mitsghaders dat hieraen dependeert,
wesende ten deele aen eenich van den uwen mondelinge
verclaert, myne heeren (onder corecktie ende bet weeten
van deselve) ghelieven sal int goede te verstaen , als
coomende uut getrouwer herten van denghenen , die niet
liever en sage dan alle saecken wel gaen, willende hem
midts deesen oock houden voor geliebereert van zijn
plichtige schult, waermede hy sich selven vynt verobligeert te moeten preadverteren tgroot ongeluck , datter
oogenschynelick voorhanden is , werdende sulcx op deen
ofte dander maniere na U.Ed. hooge wijsheit ende vaderlycke sorge , die deselve tot stadt ende landt zijn dragende ,
haest niet versien ofte geremedieert.
Dit doende etc.
'I) Zie hierover de Inleiding.
2) Ezechiel. XXXIII 4.
REKENINGEN VAN POMPEjUS OCCO AAN
KONING CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN ,
1520--1523,
MEDEGEDEELD DOOR
G. W. KERNKAMP.
Op den 22sten Mei 1914 bood de stad Amsterdam
aan Koning Christiaan IX en Koningin Alexandra van
Denemarken, die in gezelschap van Koningin Wilhelmina
en Prins Hendrik der Nederlanden een bezoek aan
Nederland's hoofdstad brachten , een galavoorstelling in
den Stadsschouwburg aan. Een van de levende beelden,
die bij deze gelegenheid werden vertoond , stelde een
danspartij voor, na afloop van een maaltijd , dien de
Amsterdamsche bankier Pompejus Occo to zijnen huize
gaf ter eere van zijn gast Koning Christiaan II van
Denemarken , op een der laatste dagen van Augustus
1521. De geheele magistraat van Amsterdam was bij
dit feest ten huize van Pompejus Occo tegenwoordig ,
maar grooter luister nog werd eraan bijgezet door de
aanwezigheid van veertig der „schoonste maechden van
der stat", die tot twee uren in den nacht bleven dansen
en vervolgens door stads-dienaars met toortsen naar huis
werden geleid.
Occo bewoonde een statig huis , „het Paradjjs" genaamd, in de Kalverstraat — op de plaats, waar tegen-
256
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
woordig het Poolsche Koffiehuis staat -- dat van achteren
met een steiger op het Rokin uitkwam. Van dien steiger
had Christiaan II op den middag, die aan de danspartij
voorafging, het steekspel te water kunnen gadeslaan ,
dat door het gilde der binnenlandsvaarders te zijner eere
werd vertoond 1).
De gala-voorstelling op 22 Mei 1914 heeft den naam
van Pompejus Occo aan velen, die hem nog nooit hoorden
noemen , bekend gemaakt. Voor de historici behoefde
hij geen onbekende te zijn; in de geschiedenis der betrekkingen van Christiaan II met de Nederlanden speelt
hij een rol van zekere beteekenis.
Het geslacht Occo is van Oostfrieschen oorsprong ; de
familienaam Occo zal de verlatiniseering zijn van den
Frieschen voornaam Ocke ; Pompejus Occo heette eigenlijk
Poppe Ockesz , maar noemde zich Poppo , Poppius en
ten slotte Pompejus Occo , welke laatste naam in de
rekeningen , die hierma worden uitgegeven , tot Pompius
wordt verknoeid. Volgens Ter Gouw heette de steeg
naast zijn huis in de Kalverstraat de Popiussteeg (later
herdoopt tot Papenbroeksteeg) en werd Occo „in de
wandeling" Popius genoemd.
Pompejus Occo — wij kiezen den naam , die het best
past voor dezen vriend van het humanisme — was vermoedelijk de eerste van zijn geslacht , die zich in de
Nederlanden, en wel te Amsterdam vestigde , waarschijnlijk in het einde der vijftiende of het begin der
zestiende eeuw. Zen geboortejaar is onbekend; hij overleed in November 1537 te Amsterdam. Hij dreef daar
groothandel, oefende tevens het bankiersbedrijf uit, stond
in betrekking met de Fugger's 2), leende geld aan de
1) Ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam IV blz. 49; Bern. J.
M. de Bont , Het geslacht Occo en het gebouw van Barmhartigheid blz. 9.
2) „Factoir van de nacie van de Focker" noemt de regeering van
Amsterdam hem in een schrijven aan Frederik I van Denemarken, d.d.
16 Maart 1525: zie Kernkamp , Skandinavische archivalia blz. 258.
Het woord „nacie", dat volgens het Wdbk. der Nederl. taal ook de
beteekenis: corporatie , gild , veem heeft, moet hier zijn gebruikt in
de beteekenis: huis, firma.
CHRISTIA.A.N II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 257
Landvoogdes der Nederlandsche gewesten , aan de stad
Amsterdam , ook aan Koning Christiaan II van Denemarken , van wien hij de „factor" of agent was. Behalve in
de zakenwereld was hij ook een bekende figuur in den
kring der humanisten ; zijn huis stond steeds voor hen
open hij had een vermaarde bibliotheek , o. a. een aantal
manuscripten en brieven van Agricola, die hij vermoedelijk
zal hebben gekregen van zijn oom, den geneesheer Adolf
Occo, den vertrouwden vriend van Agricola en den erfgenaam van diens letterkundige nalatenschap. Ondanks
zijne humanistische neigingen bleef hij een geloovig
Katholiek , was kerkmeester van de Heilige Stede, later
van de Nieuwe Kerk , en in 1519 overman van 't Kruisgild , dat in de Nieuwe Kerk gefundeerd was ter eere
van God , Maria en alle heiligen. De geleerde Alardus
prees in een lofdicht na zijn flood niet alleen zijne verdiensten voor de wetenschap, maar ook zijne vroomheid
met name zijne zorgen voor de versiering van de Heilige
Stede.
Voor den Oostfries bleef de toegang tot de stedelijke
regeeringsambten gesloten ; maar de kinderen van den
rijken Amsterdamschen bankier werden in de stedelijke
aristocratie opgenomen. Zane dochter Katrijn huwde
met Dirck Schaep, heer van Batesteyn , zijne dochter
Balichgen met host Sijbrantz. Buyek ; zijn zoon Sijbrant,
evenals zijn vader „een lief hebber der geleerdheid en
voorstander der geleerden", klom op tot de hoogste sport
van de ladder der stedelijke ambten en behoorde met
zijn zwager Joost Buyck tot het kleine kringetje van
burgemeesters en oudburgemeesters, dat sinds het midden
der zestiende eeuw alle macht to Amsterdam in handen
had. Sijbrant Occo stond als geleerde in briefwisseling
met mannen als Viglius en Joannes Secundus ; Alva en
Don Frederik waren gedurende hun verblijf to Amsterdam
zijne gasten 1).
1) Het voorgaande naar : Pontanus , .Rerum el urbis 4 nistelodamensium
Historia blz. 241 —244 ; Wagenaar, Amsterdam III blz. 199 ; Ter Gouw,
'17
Bijdr. en Meded. XXXVI. 258
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO IAN KONING
De rekeningen van Pompejus Occo aan Christiaan II
van Denemarken , die thans worden uitgegeven , loopen
over de jaren 1520-1523. Doch reeds vO6r 1520 was
Occo de geldschieter en factor van den Deenschen
Koning , zooals terstond blijkt uit den eersten post der
eerste rekening. Over de betrekkingen tusschen beiden
v6Or 1520 is mij zoo goed als niets bekend geworden ;
zij zullen wel van denzelfden aard geweest zijn, als die,
welke uit de hierna volgende rekeningen blijken. Aileen
worde hier herinnerd aan het bericht , dat Christiaan II,
toen hij omstreeks 1517 allerlei maatregelen nam om
Kopenhagen tot een groote koopstad te maken , niet alleen
tot de Fugger's de uitnoodiging richtte er een filiaal te
vestigen , maar ook Pompejus Occo heeft willen overhalen
zijne woonplaats daarheen te verleggen ; geen van beiden
heeft echter aan het verzoek gehoor gegeven 1).
Amsterdam IV blz. 48; Bern. J. M. de Bont , t. a. p. blz. VI 9 vlg.;
Elias , De Vroedschap van Amsterdam I blz. XXXV, XXXVI, 66 ,116 ;
Brouwer Ancher en Breen , De doleantie van een deel der burgerij
van Amsterdam tegen den Magistraat dier stad in 1564 en 1565, in
Bijdr. en Mededeel. XXIV , over Joost Buyck en Sijbrant Occo passim;
H. E. J. M. van der Velden , Rodolphus Agricola blz. 18, 21, 22,
130-133.
1) Vgl. Behrmann , Kong Christian den Andens Historie blz. 224,
en Anmaerkninger og Dokunzenter til Christian den Andens Historie
blz. 145-147 ; verder Allen , De tre nordiske Rigers Historic II blz.
270-272. — Occo heeft ook diensten bewezen bij het sluiten der overeenkomst van 22 Februari '1520 , betreffende de uitbetaling van den
bruidsschat van Christiaan's echtgenoote; hij werd althans naar aanleiding daarvan met een geschenk vereerd : zie Altmeyer,, Histoire des
relations commerciales et diplomatiques des Pays-Bas avec le Nord
de l'Europe pendant le XVIe siCcle blz. 64 , noot 2. Over den datum
van het straks genoemde verdrag, die dikwijls verkeerd wordt aan-,
gegeven , vgl. Allen , De rebus Christiani secundi exsulis comrnentatio
blz. 48, noot ; zijn vermoeden wordt tot zekerheid door den tekst van
het verdrag — bij Ijssel de Schepper,, Lotgevallen van Christiern II
en Isabella van Oostenrijk, blz. XIX der Bijlagen — waar men als
datum leest 22 Februari 1519 „na tscriven shoofs van Brabant", dus
22 Februari 1520.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 259
Op 12 Juni 1523 sloot Occo de laatste onzer rekeningen
af, waarbij hij schoone lei maakte zes weken vroeger,
op den 1 sten Mei , was Christiaan II als balling te Veere
geland. De uit zijn rijk verdreven vorst zal vermoedelijk
voortaan minder crediet hebben gehad bij zijn Amsterdamschen bankier 1). 'loch verbrak deze niet geheel zijne
betrekkingen met Christiaan IL Door berniddeling van
Occo liet de Koning geld toekomen 2) aan Sigbrit — over
wie straks meer hoewel hij aan de Landvoogdes
Margaretha had verklaard, niets meer met Sigbrit uitstaande te hebben 3). Maar het duurde niet lang, of alle
geldmiddelen van Christiaan waren uitgeput en hij moest
1) Reeds vOOr Christiaan's vlucht uit Denemarken had Pompejus
Occo verzocht , dat de Koning hem „nicht mer (wolde) belasten ader
beswaren, gelt an eme tho vorschrivende , wente he heeft klare rekenschop gemaket tho Herman Wilmessen" [den later te noemen broeder
van Sigbrit]. Aldus schrijft Dr. Alexander Kyngorne aan Christiaan II,
d.d. Amsterdam, 17 Februari 1523. Uit den verderen inhoud van
dezen brief — gedrukt bij Allen , Breve og Aktstykker til Oplysning
af Christiern den Andens og Frederik den Forstes Historie blz. 35 —
zou men alleiden , dat Occo met Landvoogdes Margaretha moeilijkheden
heeft gehad wegens zijne verhouding tot Christiaan II en voortaan
alleen met haar goedvinden in 's Konings dienst wil blijven ; daarom
moet Christiaan II aan de Landvoogdes een verzoek daartoe richten.
Occo zelf schijnt zich niet aan 's Konings dienst te willen onttrekken ;
dien indruk heeft Alexander Kyngorne althans gekregen ; hij schrijft
immers aan Christiaan II: „Pompeus is juwer genaden truwe dener,,
alsze ick mercken kan in allem handel".
2) C. F. Allen , Breve og Aktstykker etc. blz. 349 , noot 1, haalt
de volgende passage aan uit een brief van Christiaan II aan Herman
Willemsz. van Januari 4525 : „Up den anderen artykell , Sybrecht
belangende , geven Ire Ron. W. [Christiaan II] ter antwort , dat se sick
alsnu een jaer verleden voer die durchluchtichste hoechgebaerne
furstynne vrouw Margriete , Ertzhertzoichgynne etc. gedachter Sybrecht
Bans und all ontslaegen hebben und hebben sick hoerre bysheer nyet
aengenomen , noch oich en willen, anders dan Ire lion. W. nu kortlich
dem ersamen Pompeius Occo bevaelen hebben". l)it laatste moet wel
beteekenen , dat Christiaan II door bemiddeling van Pompejus Occo
geld liet toekomen aan Sigbrit.
3) Zie deze verklaring bij Allen , Breve og Aktstykker etc. blz. 72.
260
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
met zijn gezin van de genade van zijn zwager Karel V
leven ; dan hoort men ook niet meer van zijne betrekkingen
met den Amsterdamschen bankier. Daarentegen schijnt
Christiaan's opvolger op den troon van Denemarken , zijn.
oom Frederik van Holstein , als Koning Frederik I in
financieele zaken gebruik te hebben gemaakt van de
diensten van Pompejus Occo; deze onthaalt althans in
November 1532 te zijnen huize gezanten van Koning
Frederik 1).
De eerste onzer rekeningen , „rekeninge A", loopt
over het tijdvak 27 April 1520-30 November 1521; de
tweede , „rekeninge B", verreweg de belangrijkste , die
de uitgaven bevat , door Occo voor Christiaan II gedaan
tijden.s diens verblijf in de Nederlanden. in 1521, loopt over
het tijdvak 28 Juni tot begin September 1521 ; daar de
eerste rekening 30 November 1521 eindigt , is dus de
rekening van de uitgaven , gedurende Christiaan's reis
gedaan , blijkbaar opzettelijk afzonderlijk gehouden. De
derde , n rekeninge C", loopt over November 1521—
December 1522, de vierde eindelijk , „rekeninge D",
over December 1522-12 Juni 1523.
Wat den vorm der rekeningen betreft, deze verschilt
niet veel van then van een gewoon huishoudboekje : alle
posten van uitgaaf -worden achtereenvolgens opgesomd ,
en aan het slot der rekening wordt dan vermeld , hoeveel Occo nog te vorderen heeft of schuldig is gebleven.
Schuldig gebleven : want tegenover zijne uitgaven staan
ontvangsten ; tot tweemalen toe , resp. op 12 September
1520 en in Augustus 1521, heeft hij van den rentmeester
van Karel V f 50.000 ontvangen, als afbetaling op de
250.000 goudguldens of f 350.000, die aan Christiaan II,
bij ziju huwelijk met Isabella , een jongere zuster van
Karel V, als bruidsschat waren beloofd ; voor dien was
1) Hapke , Niederlandische Akten und Urkunden zur Geschichte der
Hanse und zur Deutschen Seegeschichte I blz. 79; zie ook aldaar blz.
157, noot 5, en blz. 218 —220. Vgl. verder Ter Gouw,, Amsterdam IV
biz. 216.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 261
reeds f 100.000 betaald de rest is Karel V schuldig
gebleven ; Christiaan heeft later — in 1531 , bij zijn
beroemden tocht naar Utrecht en Holland voor de
verrekening gezorgd !
Behalve deze f 100.000 had Occo nog f 8000 ontvangen om daarmede de onkosten te betalen , die te
Rome gemaakt moesten worden om voor Jorgen Skodborg
de confirmatie te verkrijgen van zijne verkiezing tot
aartsbisschop van Lund , waarover straks meer. Tegenover deze ontvangst nu van f 108.000 verrekent hij al
zijne uitgaven. Van renteberekening der voorgeschoten
of ontvangen sommen is geen sprake ; alleen verneemt
men uit de rekeningen , dat Occo's vrouw van Koning
Christiaan 100 goudguldens ten geschenke kreeg, en dat
Occo zelf, bij de definitieve afrekening, een streep mocht
halen door een bedrag van 1000 goudguldens , dat hij
toen aan Christiaan II schuldig bleef. Wanneer Occo
niet gezorgd heeft , dat in de door hem in rekening
gebrachte uitgaven ook winst voor hem zelf school ,
zouden deze 1000 goudguldens de eenige som uitmaken,
die hij aan zijn financieren voor Christiaan II in de jaren
1520-1523 heeft verdiend geen hoog bedrag , maar
men neme daarbij in aanmerking , dat Christiaan II gewoon1jk bij hem in voorschot was.
Overigens had Occo wel aanspraak kunnen maken op
een hooger belooning , omdat de diensten , die hij aan
zijn koninklijken client bewees , hem zelfs ruim drie
rnaanden gevangenschap op den hall hebben gehaald !
Uit een van de posten der derde rekening blijkt , dat
hij in 1522 op last van Christiaan II naar Dordrecht
reisde om daar bij de Landvoogdes „ein deel gelds tho
afbetaling alweer van een gedeelte van den
maenen"
1) Allen, De tre nordiske Rigers Historie III' blz. 95-110 verhaalt
uitvoerig , wat er te doen is geweest over de uitbetaling van dezen
bruidsschat. Uit rekening A blijkt , welke groote fooien door of vanwege
Christiaan II moesten worden gegeven aan de „kern int hoff", die hem
van -dienst konden zijn om aan zijn geld te komen , nl, niet minder
dan f 10.000,
262
REKENINGEN VAN PoMPEJUS OCCO AAN KONING
bruidsschat — en daar den Eden Augustus 1) werd gevangen
genomen tegelijk met Anton van Metz, een kamerheer en
vertrouwden dienaar van Christiaan II, die herhaaldelijk
met zendingen naar de Nederlanden werd belast en den
Koning ook later in zone ballingschap vergezelde. Van
Dordrecht werden zij naar bet slot van Vilvoirde gebracht
destijds een staatsgevangenis 2) — waar zij tot den
1 7 den November d. v. opgesloten bleven. De reden hiervan
was het volgende. In het voorjaar van 1522 was een
gezantschap uit de Nederlanden naar Kopenhagen vertrokken om to klagen over een verhooging van den
Sonttol en de groote bezwaren , die de Nederlandsche
scheepvaart op de Oostzee ondervond ; de schippers , die
den verhoogden tol niet wilden betalen , moesten te
Kopenhagen — destjjds was daar het tolkantoor gevestigd,
niet te Helseneur blijven liggen ; sommigen hunner
werden gedwongen in 's Konings dienst te treden voor
het transport van troepen en krijgsbenoodigdheden naar
Zweden ; een deel van de bemanning werd geprest om
te dienen aan board der Deensche oorlogsschepen. De
Nederlandsche gezanten werden in Denemarken uiterst
onaangenaam ontvangen ; men vermoedde bovendien dat
zij hunne rein naar Kopenhagen opzettelijk over Lubeck
hadden genomen om de Liibeckers tegen Denemarken op
te stoken. Ten slotte werd hun Been verlof gegeven om
te vertrekken en moesten zij onvrijwillig in Denemarken
blijven. Toen de Landvoogdes Margaretha nu bericht had
gekregen van de behandeling, die haren gezanten werd
aangedaan , liet zij als maatregel van weerwraak Anton
van Metz en Pompejus Occo gevangen nemen. Dit had
echter niet ten gevolge , dat de Nederlandsche gezanten
Misschien is deze datum onjuist vgl. mijn aanteekening bij dezen
post in de rekening.
2) Ook Sigbrit heeft daar later gevangen gezeten zie Hiipke t. a. p.
blz. 27, 57 ; ik houd het althans met Hapke voor zeker, dat met „la
vielle, clue est i Vilevorde" en „la femme daenue audit Villeworde"
Sigbrit aangewezen wordt.
CHRISTIAA.N II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 263
de vrijheid kregen ; eerst tegen het einde van het jaar
1522, vermoedelijk niet voordat hij zekerheid had bekomen,
dat Anton van Metz en Occo uit hunne gevangenschap
in Vilvoirde waren ontslagen, gaf Christiaan IT aan de
gezanten verlof de terugreis naar de Nederlanden aan te
semen 1).
Uit den inhoud der rekeningen blijkt, dat Occo diensten
van zeer uiteenloopenden aard aan den Koning van
Denemarken bewees. Hij staat in rekening met het
bankiershuis der Fugger's en betaalt hun allerlei sommen
terug, die zij aan Christiaan II of zijue dienaren hebben
voorgeschoten. Sommige posten hebben betrekking op
het geld, dat in Rome aan invloedrijke geestelijke heeren
moest worden betaald om confirmatie te krijgen voor een
der gunstelingen van Christiaan II als elect van Lund.
Over dit ambt is in de jaren , waarover onze rekeningen
loopen , heel wat te doen geweest 2). Toen de zetel
in November 1519 was opengevallen , had Christiaan II
bewerkt , dat de eerst door het kapittel aangewezen
opvolger zich terugtrok ten behoove van 's Konings
secretaris Jorgen Skodborg. Diens verkiezing werd echter
niet door Paus Leo X bekrachtigd ; deze reserveerde
het aartsbisdom voor den kardinaal Paolo Emilio dei
Ceci, die daarvan gebruik maakte om zooveel mogelijk
geld of te persen van de andere gegadigden. Jorgen
Skodborg mocht het niet gelukken om de confirmatie te
verkrijgen. Intusschen had Christiaan II met hem en
het kapittel van Lund twist gekregen , omdat hij verlangde , dat het aartsbisdom een deel zijner bezittingen
aan de Kroon zou afstaan. Toen gaf Christiaan zich
moeite om een ander gunsteling op den aartsbisschoppelijken stoel te brengen , nl. Diederik Slagheck, ten wiens
behoeve hij te Rome groote sommen gelds liet uitgeven;
1) Vgl. Allen , De tre nordiske Rigers Historie III' blz. 258-262.
2) Vgl. over het volgende A. Heise, in Danmarks Riges Historie III
blz. 235-237; Allen, Breve og Aktstykker etc. blz. '188-494 en De
tre nordiske Rigers Historie II blz. 254 , III' blz. 68 vlg., 208 vlg.
264
REKENING-EN VAN PONPEJUS OCCO AAN KONING
daardoor kreeg 4 gedaan , dat kardinaal dei Ceci zich
terugtrok en Slagheck door den paus als aartsbisschop
van Lund werd geconfirmeerd. Deze Diederik Slagheck
had een avontuurlijke loopbaan achter zich; zoowel hierover als over zijn uiteinde — hij is in 1522 onthoofd
als zondebok voor het Stockholmsche bloedbad — worde
hier echter niet uitgewijd , omdat dit alles buiten den
inhoud onzer rekeningen volt; wij hebben ons er toe
bepaald datgene te vermelden, dat de op hem betrekking
hebbende posten der rekeningen kan verduidelijken.
Aileen 4 nog medegedeeld , dat hij een beschermeling
en bloedverwant van Sigbrit was en aan haar de gunst
van Christiaan II , Wiens secretaris hij een tijdlang was ,
te danken had.
Overigens bewees Occo aan Christiaan II de diensten
van een „factor" ; hij kocht en verzond voor hem naar
Denemarken : buskruit , ijzer, cement, Goudsche steepen ,
Leidsche klinkers , maar ook Leidsche lakens , fluweel ,
damast, gaud- en zijdenlaken ; verder suiker, kaas en
andere verbruiksartikelen ; hij betaalt reisgeld aan boden,
die van Denemarken komen of daarheen gaan , arbeidsloon voor wat bier te laude ten behoeve van Christiaan II
wordt vervaardigd , en dergelijke posten ; ja , hij zorgt ook
voor de expeditie naar Denemarken van een minnemoer
voor 's Konings jongstgeborene.
Herhaaldelijk wordt bij deze posten vermeld, dat Occo
het geld heeft uitbetaald of de goederen heeft verzonden
„up Doers schriven", „up Sybrich moers schriven", „up
Harmon Wilmzons bevel" of „up her Anthonius bevel".
Met den laatsten is de bovengenoemde Anton of Antoni
van Metz bedoeld. „Harmon Wilmzon" of Herman
Willenisz. 0 is een broer van Sigbrit en dankt aan haar
1) Zie over hem o.a. Allen , De rebus Christiani secundi exsulis
coinmentatio biz. 47, 48; Allen, Breve og Aktstykker etc., blz. 277-280;
Allen, De hie nordiske Rivers Historic V blz. 284 — 286 en A. Heise
in Dan -marks Riges Historic III blz. '156 , 157 ; op de laatstaangeliaalde
plaats A\ ordt nog ten onrechte gezegd , dat Herman Willemsz. later in
CHRISTIAAN II VAN DENEMA.RKEN 7 1520-1523. 265
zijne promotie. In de jaren , waarover ooze rekeningen
loopen , was hij „factor" van Christiaan II in de Nederlanden en had volmacht om allerlei handelszaken en
financieele aangelegenheden van den Koning te besturen ;
hij schijnt zich echter van deze task niet behoorlijk te
hebben gekweten , althans in 1524 kreeg hij moeilijkheden over zijne rekening en verantwoording en bleef
in gebreke deze of te leggen. Ook toen hij in 1525
zich eindelijk van zijne verplichting had gekweten, schijnt
Christiaan II daarover niet geheel tevreden te zijn geweest ; hij liet het er echter bij berusten , misschien ter
wille van Sigbrit 1). Na dit jaar hoort men niet meer van
Herman Willemsz.
Ten slotte „hoer" of ,,Sybrich moer". Eigenlijk heet
zij Syberich — een naam, die op Friesche afkomst west —
Syberich Willems 2) of Willems dochter. Zij moet geboren zijn te Amsterdam , althans daar oorspronkelijk
gewoond hebben , en later naar Bergen , in Noorwegen,
zijn verhuisd. Welk beroep zij daar uitoefende, staat
niet vast ; sours beet het, dat zij een herberg hield, dan
weer, dat zij wafels en ander gebak verkoeht ; ook fruitvrouw wordt zij wel genoemd. Toen Christiaan II nog
kroonprins en stadhouder van Noorwegen was , leerde
hij haar dochter Duveke kennen, die hem trof door hare
schoonheid ; zij werd zijne minnares , en bleef dat ook
nadat hij koning geworden en gehuwd was. De ergernis,
die dit felt bij den Deenschen adel wekte , zal grootendeels toegeschreven moeten worden aan den steeds sterker
wordenden invloed , dien Syberich op Christiaan II uitoefende. De op Duveke gepleegde moord — het is
Amsterdam het burgemeesterschap heeft bekleed, hoewel Allen reeds
de onjuistheid daarvan had aangetoond. — Hij heet dikwijls Herman
Hund, naar het door hem aangenomen wapenmerk (een wolfshond).
1) Allen, Breve og Aktstykker etc. blz. 220, 318 en 319.
2) Zoo schrijft zij h.v. haar naam in een quitantie, afgedrukt bij
Allen, Breve og Aktstykker etc. blz. 5; bij verkorting werd dit Sybrech
of Sibrech : zie het facsimile van hare handteekening in Danmarks
Riges Historie III blz. 156. Ook Sybret en Sybrecht komen voor.
266
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
aithans waarschijnlijk , dat zij vergiftigd werd — had
niet het gewenschte gevolg ; Syberich's invloed werd
voortaan nog grooter, in plaats van minder. Zij werd
de raadsvrouw van den koning in alle regeeringszaken en
bestuurde met name het financie- en het tolwezen van
het rijk 1). De uit edellieden en voorname geestelijken
bestaande koninklijke raad werd geheel verdrongen door
een aehterraad van burgerlijke raadslieden, waarvan Sigbrit — zoo wordt zij altijd in de Deensche geschiedwerken genoemd — de ziel was. Zij versterkte de bij
Christiaan II reeds bestaande neiging om de macht van
adel en geestelijkheid te fnuiken en steun te zoeken bij
den stand der kooplieden ; zij heeft hem een aantal
maatregelen aangeraden , waarvan de strekking was om
de Deensche handel en scheepvaart, ten koste hoofdzakelijk van die der Hanze , met name van Lubeck , te
bevorderen. De naam van „Moder" (spreek uit : moer)
Sigbrit werd niet alleen in geheel Skandinavie , maar in.
geheel Europa bekend ; vreemde regeeringen , die onderhandelingen met Denemarken te voeren hadden , zochten
haar gunst , boden haar geschenken aan.
Het kloeke verstand van deze burgervrouw maakt den
invloed , dien zij uitoefende , begrijpelijk ; maar oak andere
redenen warden ter verklaring hiervoor aangevoerd. Zij
was zeer ervaren in de alchymie en de geneeskunst ; de
beroemde Theophrastus Paracelsus — die een tijdlang
in het Noorden heeft vertoefd en o. a. chef van den
militairen geneeskundigen dienst is geweest bij een der
krijgstochten van Christiaan II tegen de Zweden — kende
en waardeerde haar ; zij schijnt hem een nieuw genees-
1) Zie b.v. de acte van 29 Dec. 1522 (bij Ekdahl, Christiern IP s
Arkiv I biz. 329), waarbij Christiaan II verklaart „das uns unser lybe
besunder Sibrecht Willoms von alien guthern und haben, auch von
allem geld, parschatit, kleynodien und von zollen [und] lastgeldt [von]
schiffen, kauffieuten, einwohnern und auszlendern und sunsten von
alien dem jenigen, szo sy von uns in bevehel und vorwaltung gehabt,
eingenomen und ausgegeben, ein gantz gutte volkommen rechenschafft
furgetragen, angezeigt und uberantwort hat" etc.
CHRISTIliN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 267
middel aan de hand te hebben gedaan. Sigbrit werkte
ook met geheime middelen ; zij zou gezegd hebben , dat
zij van den Koning alles gedaan kon krijgen , zoo hij
slechts niet verder dan 10 mijlen van haar verwijderd
was. Zoo ging zij bij de groote menigte door voor een
heks , die den Koning betooverd had ; allerlei verhalen
deden de rondte over de potjes en pannetjes , waarin zij
alchymistische proeven deed en over de flesschen, waarin
zij allerlei booze geesten gevangen hield 1).
In de jaren , waarover ooze rekeningen loopen, stond
Sigbrit op het toppunt van hare macht. Uit die rekeningen blijkt dan ook, dat zij de financien van Christiaan
II bestuurt ; „up Sybrich moers schriven" betaalt Pompejus
Occo geld aan de Fugger's of doet hij allerlei inkoopen.
Zelfs komt er in de eerste rekening een post voor, die
er aan herinnert , dat Sigbrit de geneeskunde beoefende ;
op 5 October 1521 betaalde Pompejus Occo ruim 52
gulden aan „Claes in die Kat 2)" voor „viel materialia
thot de appoteka , dar Sybrech Wilms umb schreef" ;
zoowel het bedrag als de bewoordingen van den post
duiden aan , dat Sigbrit uit Amsterdam een heele bezending geneesmiddelen liet komen , niet alleen voor
eigen gebruik.
Zooals reeds werd gezegd , heeft Pompejus Occo de
uitgaven , door hem voor Christiaan II gedaan gedurende
I) Over Sigbrit zij hier slechts verwezen haar Allen , De ire norcliske
Rigers Historie I biz. 490-492, II blz. 297 — 301, 327-336 en Danniarks
Riges Historie III biz. 156-157. In het Nederlandsch kan men over
haar raadplegen : A. N. J. Fabius , »Sigbritte Willemsz., eene Amsterdamsche vrouw in het Noorden« , in het 45s te Jaarverslag van het
Kan. Oudheidk. Genootschap te Amsterdam.
,,Claes,"
de apotheker „in de Kat", wordt , in verband met
2)
Christiaan II van Denemarken genoemd in de Thesauriers-rekening
van Amsterdam 4532, fol. XXXV v°, waar men leest : „Claes In de
Kat voor sekere specerie , gepresenteert Christiern , Coninck van Denemarcken" etc. (mededeeling van Mr. Veder,, te Amsterdam op den
post werd ik opmerkzaam geinaakt door Ter Gouw, , Geschiedenis van
..4nisterilant IV blz. 214).
268
REKEN1NGEN VAN POMPERTS OCCO AAN KONING
diens eerste verbly in de Nederlanden, in 1521, afzonderlijk gehouden in de tweede rekening.
Het Joel van deze reis was niet alleen zooals
door sommige Nederlandsche geschiedschrijvers wordt
bericht — om weder uitbetaling van een deel van den
bruidsschat te krijgen. Christiaan II kwam hoofdzakelijk
voor politieke doeleinden hierheen : tot dusverre was de
hertog van Holstein door den bisschop van Lubeck met
zijn land beleend; Christiaan wist nu van zijn zwager
Keizer Karel V te verkrijgen , dat voortaan de hertog
van Holstein de leenman zou zijn van den Koning van.
Denemarken. Verder kreeg Christiaan Hamburg en verschillende bezittingen in het gebied van Lubeck in leen,
verwierf de bekrachtiging van allerlei oude rechten en
vorderingen , die hij tegenover Lubeck kon laten gelden
en bewerkte een verbod van den Keizer aan Lubeck en
de andere Hanzesteden om handel te drijven met Zweden,
zoolang dit in opstand was tegen Denemarken 2). Dit
alles heeft den haat van Lubeck tegen Christiaan II
Diet weinig verscherpt, maar ook lien van zijn oom
Frederik , hertog van Holstein samenspannende met den
ontevreden Deenschen adel en met Lubeck heeft Frederik
van Holstein dan ook in 1523 zijn neef van den troon
van Denemarken verjaagd. Ook heeft Christiaan II in
1521 wederom een gedeelte van den bruidsschat uitbetaald gekregen, nl. f 50.000. Naar het schijnt , is de
21-jarige Karel V bij deze gelegenheid door zijn 40jarigen zwager, die hem zeer imponeerde , verschalkt en
tot allerlei concessies gebracht , die zijne voorname
staatsdienaren zeer afkeurden; teen hij op zijne beurt om
verlaging van den Sonttol vroeg , klopte hij aan doovemansdeur en kreeg van Christiaan II ten antwoord , dat
deze dit niet kon doen buiten voorkennis der Rijksraden !
1) B.v. bij Ter Gouw Geschiedenis van Amsterdam IV blz. 48.
2) Altmeyer,, Histoire des relations comnierciales et diplomatiques
des Pays-Bas avec le Nord de l'Europe pendant le XVIe siëcle
blz. 92, laat ten onrechte Christiaan's reis , wat het politieke doe!
betreft, geheel mislukken.
CItRISTIAAN II VAN DENEMARKEN, 1520-1523. 260
In 1521 kwam Christiaan II onverwacht naar de
Nederlanden, zoodra hij bericht had gekregen, dat Karel V
na afloop van den Rijksdag van Worms zich naar Brussel
had begeven 1). Door zijn overhaast vertrek konden hij
en zijn gevolg zich niet behoorlijk uitrusten voor de
reis ; daaraan is het vermoedelijk toe te schrijven , dat op
Occo's rekening zooveel posten voorkomen voor allerlei
kleedingstukken ten behoeve van de Deensche heeren. Tot
's Konings gevolg behoorden o. a. zijn heraut Hans Jylland ,
zijn kamerheer Anton van Metz, meester Philippe du Pre ,
de geneesheer Alexander Kinghorn of Kyngorne , die ook
diplomatieke diensten bewees , de secretaris Steffen Hopfensteiner, de rijke Kopenhager koopman en gewezen
burgemeester Albert van (loch , die met den Koning
bevriend was en tot zijne raadslieden behoorde , de Duitsche
hoofdman Klaus Hermelinck , die Christiaan op zijne krijgstochten tegen de Zweden gediend had , en Jakob Riinnov,
een jong Deensch edelman , die later als bisschop van
Roskilde een groote rol in de geschiedenis van zijn land
zou spelen.
Over de reis zelve van Christiaan II door de Nederlanden
zullen wij bier niet in bizonderheden treden 2) ; onze
taak is thans slechts , de aandacht te vestigen op enkele
posten uit Occo's rekening over deze reis , die in 't ge-
heel f 36927-8 st. bedraagt.
De overgroote meerderheid der posten bestaat uit:
4) Dit bericht kreeg hij van Pompejus Occo , blijkens een post , dien
men ongeveer aan het einde van de eerste rekening vindt : „Den 28
dach Augusto [4524] betalt den boden , den Olef [vermoedelijk iemand,
die in dienst van Christiaan II stond] and ick nae Denmarken sanden ,
dat de K. Mgt. heer was komen" etc.
2) Door Noord- en Zuid-Nederlandsclie historici , die over de betrekkingen van Christiaan II met de Nederlanden hebben geschreven:
Meerman , Altmeyer,, Willems , Serrure , IJssel de Schepper , is dit
onderwerp nooit naar den eisch behandeld. Wat b.v. IJssel de Schepper
in zijne Lotgevallen van Christiern II etc. blz. 65-7 11 hierover bericht,
is verre van volledig. Het beste en uitvoerigste verhaal vindt men
bij Allen , De tre nordiske Rigers Historie III' blz. 96-126.
.10 REKENING& VAN POMPEJUS OCCO A.IN XONIN(
reiskosten van 's Konings gevolg en dienaren, geschenken
aan muzikanten , zangers , potsenmakers enz. ; aanschaffing
van kleeren en andere benoodigdheden ; voor den Koning
zelf zijn natuurlijk de kostbaarste stollen aangekocht ,
fluweel en satijn, gaud- en zijdenlaken , 72 zwarte
vellen voor zijn tabbaard enz. Wie zich interesseert
voor de studie van realia in het algemeen en van costuum
en kleeding in het bizonder, zal in de rekeningen een
en ander van zijne galling vinden.
Voor de kunstgeschiedenis van belang zijn de volgende
posten 1) :
,,Den beldsnyder von Leyen , de mijn g. h. in erden
konterfeyten snide , de Jorysz Dyrkzon voer mijn heer
bestelt hadde , tho teringe geschenckt , dat he mijn g. h.
volcht had up bevel Herman] Wilmzon . . . . f 12--st. —".
Met den „beldsnyder von Leyen" kan — naar mijn
collega Prof. Vogelsang de vriendelijkheid had mij merle
te deelen — niet zijn bedoeld Nicolaes Gerrit van Leyden,
aan wien men anders het eerst zou willen denken ; juist
onlangs toch is met zekerheid aangetoond 2), dat hij reeds
in 1487 is overleden. Wie dan wel bedoeld is, kan
niet worden uitgemaakt.
Allen vat dezen post zoo op 3), alsof daaruit zou
blijken , dat de bedoelde beeldhouwer een buste van
Christiaan II heeft gemaakt. Ik merk echter op, dat
uit de woorden van de rekening alleen volgt , dat de
beeldhouwer Christiaan II op zijne rein vergezeld had
met de bedoeling een buste van hem te modelleeren ; of de
Koning echter tijd heeft gevonden voor hem te poseeren
en of de buste werkelijk gemaakt is , wordt door de
bewoording van den post in het midden gelaten ; het
1) Hierbij zij echter opgemerkt, dat Allen de rekeningen, die thans
door ons worden uitgegeven, reeds bestudeerd had en verschillende
resultaten ervan verwerkt heeft, zoowel in zijne Breve og Ahtstykker etc.
als in zijne De tre nordiske Rigers Historie.
2) A. B. Maier, Niclaus Gerhaert von Leiden, in Studien zit,.
Deutschen Kunstgeschichte Heft 131.
3) Breve og Aktstykker etc. blz. 210, noot , en De tre nordiske
Rigers Historie HP blz. 105.
CHRISTIAAN II VAN DENEMA.RKEN,
1520-1523. 271
geld wordt alleen uitbetaald „tho teringe". Intusschen
is het zeer goed mogelijk , dat de beeldhouwer zich van
zijne taak heeft kunnen kwijten ; uit het niet voorkomen
op de rekening van een post , waaruit dit uitdrukkelijk
blijkt , mag niet worden afgeleid, dat de buste niet
gemaakt is. Het is bekend , dat Christiaan II op deze
reis geportretteerd is door Albrecht Diirer toch blijkt
dit niet uit de rekening van Pompejus Occo.
Dat ook Quentin Metsijs een portret van Christiaan II
heeft geschilderd , wordt ons bericht door den volgenden
post : „Betalt mester Quintijn die maeler t'Anwerpen
van mijns g. h. ko. ansicht tho conterfeyten, als ick antlers
niet weet . . . f 20 .—" . Deze post komt niet voor in
de tweede rekening , die uitsluitend betrekking heeft op
Christiaan's reis in de Nederlanden , maar in de derde ,
op de maand Februari 1522 misschien is het portret
dus pas na het vertrek van Christiaan gereed gekomen.
Christiaan II heeft ook gebruik gemaakt van zijn verblijf
hier te lande om een aantal Nederlandsche handwerkers
in zijn dienst te nemen. muntgezellen, metselaars, timmq
lieden , smeden , brouwers enz. In de rekening worden
twee personen met name genoemd , die „mijn g. h. de
kunst solen leren vont berchwerk"; uit een andere bron
weten wij , dat Christiaan ook boeken liet koopen , die
over het mijnwezen handelden 2).
1) Deze laatste woorden schijnen te beteekenen : voor zoover ik weet,
d.i. ik meen althans , dat het geld het honorarium was voor het portret.
2) Vgl. Allen , De tre nordiske Rigers Historie III a blz. 104--105,
waar men ook aan andere bronnen ontleende berichten vindt over
stempelsnijders , die opnieuw in dienst van Christiaan II traden , en
over den bouwmeester Henrik van Harlem , die den Koning een
teekening leverde voor een kap , die op den vierkanten zoogen. Bakkerstoren van het slot te Kopenhagen zou worden aangebracht. Ook na
zijne vlucht uit Denemarken bleef Christiaan II belang stellen in het
mijnwezen , voornamelijk in de hoop om daardoor goud te krijgen ; in
1525 zond hij een deskundige naar Schotland om daar een onderzoek
in te stellen naar de aanwezigheid van goud in het gebergte; toen het
rapport gunstig luidde, richtten Nederlandsche kooplieden een compagnie op om de bedoelde mijnen te exploiteeren vgl. Allen , Breve
og Aktstykker etc. blz. 378, 379.
272
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AA.N KONING
Ten slotte is er nog een post, waarop ik hier de aandacht wil vestigen, omdat hij tot dusver niet is opgemerkt, ook door Allen niet. Hij komt voor in de derde
rekening en luidt aldus :
„Den 23 Februarij [1522] reysde ick myt ein dener,
myt Joris Dyrkzon myt sijn 2 deners , nae Brabant,
Mechelln , Gent , Brug , Antwerpen umb die handvesten
ende wylkorn vorsz. tho laeten schriven , als sy den
Kon[i]ng geloft hadden, in somma waren 3 weken uutit,
noch den schryvers tho Gent betalt von de boken tho
schriven" etc.
Hieruit blijkt, dat Christiaan II, vermoedelijk gedurende
zijn verblijf in de Nederlanden in 1521, den wensch had
te kennen gegeven om afschriften te krijgen van de
handvesten en willekeuren van Antwerpen, Brugge, Gent
en Mechelen , en dat deze ook voor hem gernaakt zijn.
De belangstelling van den Koning in de wijze, waarop
in de Nederlanden het stedelijk bestuur en de stedelijke
huishouding waren geregeld , heeft niets bevreemdends.
Door Sigbrit zal hij veel daarover vernomen hebben ;
volgens Allen 1) had hij reeds in zijne vroegere wetten
en verordeningen, vooral in die betreffende het financie-,
handels- en politiewezen , de Nederlanden als model
genomen ; het was te verwachten , dat hij van zijn verblijf
in deze gewesten gebruik zou maken om zich nailer op
de hoogte te stellen van de inrichting van bestuur en
rechtspraak, de regeeringszorg voor handel en nijverheid
en dergelijke onderwerpen.
Na Christiaan's terugkeer van zijne Nederlandsche reis
heeft hij in Denemarken de twee belangrijke wetten nitgevaardigd, die bekend zijn gebleven onder den naam
van de geestelijke wet en de wereldlijke wet , hoewel
noch de eerste uitsluitend over geestelijke, noch de laatste
1) De fre nordiske Rigers HistoriellP biz. 96. — Meursius, Historiae
Danicae libri ties biz. 68-69 gewaagt van den grooten invloed van
Sigbrit op de wetgeving van Christiaan II : „et haec cuncta de Sigbrittae
suae suasu faciebat, quae , in Belgio usitata , in Daniam invehere in
memoriam sui nominis cupiebat".
CHRISTIAAN II VAN DENEIVIARKEN,
1520-1523. 273
uitsluitend over wereldlijke aangelegenheden handelt. De
geestelijke wet , waarvan wij alleen een ontwerp kennen,
moet zijn uitgevaardigd in December 1521 ; de wereldlijke
wet, die hoofdzakelijk het stedelijk bestuur en het bedrijfsleven regelt, is van 6 Januari 1522. Tezarnen vormen
zij het belangrijkste monument van Christiaan's binnenlandsehe regeering.
NVanneer men kennis neemt van den inhoud dezer
wetten , zooals die door Deensche geschiedschrijvers
wordt vermeld 1), treft men eenige heriuneringen aan
Nederlandsche toestanden aan ; zoo werd b.sr. aan het
hoofd van het stedelijk bestuur een schout gesteld. Het
is dan ook zeer waarschijnlijk , dat Christiaan's persoonlijke kennismaking met de Nederlanden van invloed
is geweest op de wetgeving, die bij kort daarna aan
zijn land gaf, en het zal vermoedelijk de moeite loonen,
deze in bizonderheden te bestudeeren , met bet oog op
hetgeen daarin aan de Nederlanden kan zijn ontleend 2).
De afschriften der handvesten en willekeuren van Antwerpen, Brugge, Gent en Mechelen zijn eerst in Februari
of Maart 1522 gemaakt , dus na het uitvaardigen der
genoemde wetten maar gedurende zijn verblijf in de
Nederlanden in 1521 zal Christiaan II zich toch reeds in
hoofdzaken hebben laten onderrichten omtrent de regeling
van bestuur, rechtspraak en bedrijfsleven in de beroemde
Zuid-Nederlandsche steden. De kans om in latere verordeningen van den Koning nog sporen aan te treffen
van zijne kennisneming in detail van de bedoelde keur/1) B.v. door Heise in Danmarks Riges Historie III blz. 238 vlg. en
door Allen in De tre nordiske Rigers Historie III' blz. 14 vlg. ook
bij IJssel de Schepper, Lotgeuallen van Christiern II etc. blz. 75-77.
2) Reeds Altmeyer, Histoire des relations commerciales etc. blz.
84-85 schreef (in 1840) : „Il y aurait un travail curieux a faire , ce
serait d'examiner en detail toute cette legislation et de la comparer
avec celle qui regissait alors les Pays-Bas". — Ik ben echter van
meening, dat Christiaan's wetgeving in veel mindere mate een copie
is, dan Altmeyer vermoedt, blijkens zijne woorden: „II parAit incontestable que Siegebritte , qui etait une femme superieure , avait propose
au roi nos lois liberales d'alors comme un modêle a suivre".
Bijdr. en Meded. XXXVI.
18
274
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONTIsiG
boeken , is niet groot; den 1 3 den April 1523 vluchtte
hij reeds uit Kopenhagen en in zijn laatste regeeringsjaar
zullen de oorlog tegen Lubeck en Gustaaf Wasa en de
samenzwering van adel en geestclijkheid in Jutland met
hertog Frederik van Holstein hem wel zooveel zorgen
gebaard hebben , dat hij aan de wetgeving weinig aandacht meer kan hebben gewijd. Intusschen , het zij
genoeg, hier de aandacht op dit onderwerp te hebben
gevestigd.
Van eenige posten uit de rekeningen , die voor de
politieke geschiedenis belang hebben , zal men de toelichting vinden in de daarbij geplaatste noten. Eveneens
heb ik getracht de in de verschillende posten genoemde
personen — voor zooverre zij althans verondersteld mochten
worden een rol van eenige beteekenis te hebben gespeeld
zooveel mogelijk thuis te brengen.
De rekeningen van Pompejus Occo hebben eenmaal
deel uitgemaakt van de vermaarde „Miinchener Sammlung",
waarvan Allen ons de lotgevallen uitvoerig heeft beschreven
in de inleiding zijner Breve og Aktstykker til Oplysning
af Christiern den Andens og Frederik den Forstes Historie;
zij bestond uit de documenten , die Christiaan II bij zijne
vlucht nit Denemarken medenam, en uit het archief, dat
zich in de jaren zijner ballingschap vormde , en is later
verdeeld tusschen de rijksarchieven te Kopenhagen ,
Kristiania en Stockholm. Occo's rekeningen behooren tot
het verreweg grootste gedeelte , dat naar Kristiania is
gegaan.
Voor eenige jaren zijn deze rekeningen tijdelijk ten
behoeve van Mr. Dr. S. Muller Fzn. in het Utrechtsche
archief gedeponeerd. Het bestuur van het Historisch
Genootschap heeft er toen een afschrift van laten maken,
en verzocht mij , te gelegener tijd zorg te willen dragen
voor een uitgave ervan in de Bijdragen en Mededeelinyen;
van die opdracht heb ik mij thans gekweten.
G. W. K.
OliRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 275
REKENINGEN TAN POMPEIUS OCCO, VON ANNO 1520
UND 1521 ENDE 1522, 1523.
1521.
Rekeninge N°. A.
Jesus Maria 1520. Staet hyrnae wat ick , Pompius
Occo, uuthgeven hebbe von wegen mijns allergenadigesten
hem konings von Danmarken etc.
Den 27 dach in Aprill [1520] rekende ick , Pompius
vorsz. , myt Harmon Wilmzon 1) von wegen mijns g. h.
Konings vorsz. alle ding doet ende tho niet, und ysz all
ding up beyde syden betalt thot up datum, darvon ick hem
ein claer rekeninge geven hebbe nae luyt syner bekantinis.
Den selven dach betalde ick von her Anthonius 2) sael,
de mijn uuth den Haech sandt worde , de somma van
15 st., m[aec]t .......... f. — st. 15.
Den ersten dach in Junio betalde ick den waechmestern von 37 tonna bussenkruyt und von 50 schippont
kesen tho wegen [und von] stalhuyr 3 g. 14 st. , mer
von dat kruyt tho arbeyden 7 st. , mer von dat goet
tschip tho bringen 10 st., mer von garnieren-holt reet 3)
2 gulden, somma m[aec]t ..... . f. 6 st. 11.
Den selven dach koft von komen Lambert up Moers 4)
schriven am ersten 94 pont fijn zuyker, dat pont 4 st.,
noch 100 pont , dat pon[t] 3 1 /2 st., noch 100 pont , dat
pont 3 st., noch 5 pont gelesen naegelen, dat pont 2 sc.
vlems , noch 5 pont folij , dat pont 10 sc., noch 40 pont
kappers 5), dat pont ein st., noch 8 mengelen olyven ,
dat mengel ein stoeter, noch 200 lemonen 6), dat c° 10 st.,
1) Herman Willemsz., de in de inleiding genoemde broeder van Sigbrit.
2) De in de inleiding genoemde kamerheer van Christiaan II , Anton
van Metz.
3) „Garnieren-holt reet" = gereed , klaargemaakt hout om een
scheepslading te „garneeren", d.i. door een bedekking van planked
tegen schade te beveiligen.
4) Moer = Sigbrit.
5) Kapper = bloesemknop van den kapperboom.
6) Lemonen of limoenen = een soort citroenen.
276 REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO ANN KONING
noch 2 mengelen assyen over de kappers 2 st., noch von
2 vortgins 1) 4 st., somma facit in all . f. 89 st. 12 2).
Noch gaff ick Oleff 3) umbdat he verleyt hadde van
ein halff pont tweren 4) 1 112 gulden, mer von ein vaetgen
2 st., noch von 100 legpenn[i]ngen 5 st., mer lange Jan
geven von 2 dage reysens 16 st., noch von schepen tho
witen kesen 10 st., mer von de kesen tho draegen 10
st., mer vracht von 14 tonna sementz 28 st., noch 3 st.
von draegen , mer geven von tonnen thot dit sement
32 st. , mer lange Jan geven VOD. 5 daegen 30 st. arbeytzloen, somma facit. . ..... f. 7 st. 18 5).
Noch betalt Jan Bruyn 6) van de 14 tonna serpent, de
he tho Delft koft hadde , 18 sc. vlaems , mer gaff ick
hem von 20 bedttekten 7), dat stuck 6 sc., noch 20 stick,
dat stick 28 st., somma facit in all . . f. 69 st. 8 8).
[Somma facit 174 gulden 4 st. corrent 9).]
Den 12 Bach Junk 1520 sandt ick per schipper Paul
von Campen an Sybrech Wilmsdochter 12000 Goudske
steen , dat duysent 12 st., ende ein st. vant duysent an
bort tho bringen , mer 5 duysent Leydske klinckars , dat
duysent ein Philippus gulden 10), ende ein st. von voeren
vant dusent. _Her geven van ein half aem malvesey
7 gulden corrent, mer betalt ein kuyper van dat bussenkruyt tho pluggen 11) 6 st., mer von de leste 35 tonna
bussenkruyt tho wegen 14 1/2 st., and 9 1/2 st. von arbeyden , somma facit in all . ...... f. 22 st. 16.
1) „vortgins" vind ik nergens verklaard; misschien = voertjes ,
kleine vrachtjes?
2) Dit moet zijn : f. 88 st. 12.
3) Olef of Olaf komt ook in latere posten voor als iemand , die in
dienst van Christiaan II en Sigbrit staat.
4) Twern = gedubbeld garen.
5) Dit moet zijn : f. 8 st. 6.
6) Blijkens latere posten is Jan Bruyn ook een handelaar in buskruit.
7) Bedttekten = beddetiecten = beddetijken.
8) Moet zijn : f. 96 st. 8. — Heel nauwkeurig rekent Occo niet !
9) Deze „Somma", die ik telkens tusschen [ ] plaats , staat in het
handschrift steeds aan den voet eener bladzijde.
10) Een Philippus gulden gold 25 stuivers.
11) Pluggen = met een pin dichtmaken (nl. van de vaten buskruit).
CHRISTIAAN II VAN DENEIVIARICEN 7
1520-4523. 277
Meer betalt van 4 n1 pannen , de Harmon tho Einekhuysen vor Jurgen Schriver leet maeken , 62 gulden
10 st. mer large Jan geven van teringe , do he de
pannen haelde und Toed 2 gulden, mer van dragen 14 st.
und 2 st. beergelt 1), noch ein st. schuythuyr und 4 st.
von de pannen tho settee, somma facit in all f. 65 st. 11.
Mer betalde ick vracht von de pannen van Einckhuysen hier und ander ongelt und ein half dosijn uurglaese 2) ......... . .
f. 5 st. 121/2.
Mer koft ick von Wem Claes Allertzon dochter 50
schippont kesen voer 1 1/2 c. gulden corrent f. 150 st. —
Den 20 dach in. Augusto betalt wester Hans ilerolt 3)
tho teringe . .......... f. 12 st.
Den selven dach geven wester Otto , mijns g. h. smyt,
up Sybrich Moers schriven, am ersten 40 golden g. 4) 5 st.
thot yser und ander ding tho koepen mer gaff ick hem
6 golden gulden thot sin laeken , noch 6 golden gulden
thot sijn teringe nae Coppenhaven. Mer betalt Wem
Claes Albertzon van yser, dat Otto smyt daer gehalt
hadde 7 tho weten 10c vierkant ysers, 10C platysers, noch
20C ende 13 pont platysers, dat c° voer 32 st., noch von
waechgelt 15 st., somma facit . . . . f. 138 st.
Den selven dach geven umb 1070 ellen kannefasz 5),
dat c° voer 8 1/2 gulden corrent myn ein stoeter, facit
88 f. 16 st. 6), mer geven von 3 dosijn roede vellen
thot kussen, dat dosijn 12 sc. , mer umb 400 boesems
mede tho vegen 7) 4 Philippus gulden , m[aee]t in all
f. 105 st. 12 8).
draaggeld ? Of moet er staan : biergelt ?
1) Beergeld
2) Uurglas = zandlooper , die in een uur leeg loopt.
3) NI. Hans Jylland [= Jutland], een heraut van Christiaan II. De
herauten werden genoemd naar een der Deensche landschappen, waarvan zij het wapen op de borst droegen.
4) Een goudgulden gold 28 stuivers.
5) Kannefasz = kanefas, grof uit hennep vervaardigd linnen.
6) Moet zijn: f. 89 st. 12.
7) Misschien beteekent dit voor 400 bezems, nl. om mede to vegen.
8) Moet zijn: f. 104 st. 12. — Ik staak hiermede het narekenen
van de bedragen. De lezer,, die zich voor de juistheid der „somma's"
mocht interesseeren , is nu voldoende gewaarschuwd!
278
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
Mer gaff ick umb ein besloeten boetge 1), dat gelt in
tho voeren , myt leder gefoedert, m[aec]t . f. 1 st. 10.
[Somma 501 gulden 1/2 st. corrent.]
Den eersten Bach in Septembre geven Lijsbet de ammo,
veer an 2) mijn g. vrowe, tho teringe 3 gulden torrent,
noch 17 st. von hoer kayut tho maeken int schip ,
m[aec]t in all . . . . . . . . . . f. 3 st. 17.
Meer hebbe ick den Fuckers 3) betaelt up Sybrech
Wilms schriven die somma von 500 gouwen gulden, die
mester Paul von Rypen von de Fucker tho Romen
ontfangen had , in[sec]t ...... f. 700 st.
Meer Lucas die boede geven, den wy nae Denmarken
hadde 38 dagen uuth geweest , des daech 8 st., m[aec]t
f. 15 st.
Meer sandt ick juncker Johan von Esens 6), doe he then
Busk lack umb die knechten an tho nemen , up her
Anthonius bevell 300 gouwen gulden, facit . f. 420 st.
Meer betalt von 52 tonna bussenkruyt waechgelt 2
gulden 13 st. , mer geven von voeren 5 st. , mer geven
priemgelt 7) 8 st. , mer von dragen , arbeyden 10 st. ,
somma facit ......... .
f. 3 st. 16.
4) Misschien beteekent „boetge" (bootje) hier: een met een boot
gesloten beurs. Een boot is het middelstuk , tevens slot, van een
halssnoer.
2) „Voer an" = die op reis ging naar.
3) Het bankiershuis der Fugger's.
4) „Mester Poul von Rypen" = Poul Andersen, kanunnik van het
domkapittel te Ribe , heeft vermoedelijk gediend in de koninklijke
kanselarij en werd door Christiaan II voor allerlei diplomatieke zendingen gebruikt; van hem werd gezegd dat hij met Sigbrit wedijverde in
de beoefening der zwarte kunst : Allen , De rebus Christiani II exsulis
commentatio blz. 92 vlg. en Breve og Aktstykker etc. blz. 417, foot 4.
5) Hier is uitgevallen : gezonden hadden.
6) Deze jonker Johan von Esens zal in Oostfriesland thuis gehoord
hebben ; in volgende jaren speelt in de geschiedenis van dat land
Balthasar von Esens, Heer van Harlingerland, een groote rol. — Johan
von Esens zal „then Busk" = te 's-Hertogenbosch troepen hebben
geworven, die Christiaan II voor zijn oorlog tegen de Zweden moest
gebruiken.
7) Priemgeld
preinie, extra helooning voor een schipper.
CHRISTI.A.AN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 279
Den 15 dach in Decembre geven Heinrick , mijns
g. h. k. houtsager, 3 gulden tho teringe , die men hem
tho Coppenhaven an sijn arbeyt kurten sail, mer geven
umb 4 korff rosynen 10 gulden 16 st. , noch 4 pont
muskaten , dat pont 18 sc. , noch 4 pont naegelen , dat
pont 12 sc. , noch umb ein vat dit goet in tho packen
6 st. , somma facit ......... f. 70 st. 7.
Meer betaelt Jan Goertzens zoen van ein reys , de he
in Denmarken dede , und wasz 39 dagen uuth , des
daechs 8 st., facit ....... . . f. 15 st. 4.
Den 5 dach in Octobre betalt Claes in die Kat 1) von
viel materialia thot de appoteka , dar Sybrech Wilms
umb schreeff und ick hoer sandt, na luyt eins zeduls
darby von Claes in die Kat , dar die somma von bef. 52 st. 11.
dracht ............
Den 16 dach in Octobre betalt wachgelt von 48 tonna
bussenkruyt 3 gulden 13 st. und von stalhuyr von kesen,
noch 10 st. von vo[e]ren und 10 st. von arbeyden , mer
umb 10 kornwannen 34 st. , somma facit in all . 1. 6 st. 7.
[Somma facit 1287 gulden 2 st. corrent.]
Den 14 dach in Decembre betaelde ick Albert Gerritzon up Sybrech Moers schriven hondert golden gulden,
de he tho Coppenhaven betalt had . . f. 140 st.
Meer betalde ick Lucas die boede van pin reysz , dat
ick hem in Danmarken sandt an Sybrech Wilms und
mester Jurgen Schotbor[c]h umb bescheyt tho hebben van
dat ertzbiscopdoem 2), darby breven von Romen , noch
darby 3 sticke floels 3), was 54 dagen uuth , des daechs
6 st. , facit . . ......... f. 18 st. 18.
Mer vor uuthgeven umb dat ick voer die vorsz. 3
stick floe! uuthgaff und waren lang 75 ellen , die ellen
2 golden g. , darumb geslaegen 2 swarte engelske vellen
und ein gewast doek , kost tsamen 30 st. , mer darin
gebonden ein halfe pont wit clemtweren 4), kosten 3 gol1) Zie hiervOOr,, blz. 267.
2) Vgl. hiervOOr,, blz. 263.
3) Floel = fluweel.
4) Welk garen met „clemtweren" of „clemgarn" bedoeld wordt, heb
ik nergens kunnen vinden.
280
REKENINGEN VAN POMPEJUS °CC° AA N KONING
den g. , noch ein verndell clemgarn , kost 6 se. , somma
facit in all . .... ....
f. 217 st. 10.
Den 4 dach in Januario [1521] betalt Heinrick van
Upmeer up Sybrech Wilms schriven 14 golden gulden
und 97 horns gulden 1 ), die he tho Coppenhaven betalt
hadde , facit .......... . f. 77 st. 16.
Meer hebbe ick 5 schippers von Engelbert Vinken
wegen up Sybrech Wilms schriven betaelt de somma
von 271 golden g ........ f. 378 st.
Den 28 dach Januarij geven umb 361/2 ellen swart
dammask, die ick mijn g. vrou an Sybrech Wilms sandt,
m[aec]t , de ell, 1 1/2 golden. g. und 3 st. von cannefasz
darumb gepackt . ........ f. 76 st. 16.
Den 14 dach Januarij [sic] betaelde ick Jacob die
Witte up Sybrech Wilms schriven de somma von 265
golden g., facit an corrent g ..... f. 371 st. -.
Mer verrekende mijn Lucas die boede von umbdat
he uuthgeven hadde van wagenhuyr, toll, ander ongelt,
von de 3 stick floel in Danmarken tho voeren , facit .
f. 1 st. 10.
Meer seth ick voer uuthgeven , umbdat ick Bartholt
Vosz, Sysse Wolthers diener, up schriven von Sybrech
Wylms betalde de somma von 1500 golden g. , welke
penningen Bartholt Vosz Harmon. Wilmzon weer betaelt
heft, m[aecit ......... f. 2100 st. -.
[Somma facit 3381 gulden 10 st. corrent.]
Meer set ick voer uuthgeven umbdat ick Jan Bruyn
betaelt hebbe van dat bussenkruyt , he mijn g. h. k. in
all gelevert und gemaekt heeft , als die rekeninge van
Jan Bruyn hyrafter 2), alleen up ein blat , claer uuthwijst, daervan die somma in all beloept 6494 coepmans
golden und 17 st., daerup he van Harmon Wilmzon
und mijn voer 3) ontfangen heeft von die hondert dusent
gulden , die Harmon und her Anthonius vant hoff ont-
I) Een hornsgulden had de waarde van twaall stuivers.
2) Deze rekening ontbreekt.
3) „Voer" = vroeger.
CIIRISTIAIN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 281
fengen 1), die somma von 2000 gulden torrent; den rest
hebbe ick hem nu betalt und geven von mijns g. h. gelt,
dat ick ontfangen hebbe, facit. . . . f. 4494 st. 17.
Meer gaff ick hero Anthonius von Metz . doe wy die
vijftich duysent gulden ontfangen 2), de somma van vijfduysent gulden, die he mijns hern von Zyvers und Hoechstraeten 3) rentemester und volmachtige betaelde in affkortinge van die 10 m gulden , die mijn g. h. K. den
horn int Koff schenckt und tho heft laten seggen , facit
f. 5000 st. —.
Den 3 Bach Martij betalde ick Jan de blockemaker
24 copmans gulden , de sail men hem tho Coppenhaven
an mijns hem werk kurten, meer gaf ick siejn jungen vor
ein [ge]schenck, dat he mede in Danmarken solde varen,
thot hosen und wambis 2 1/2 copmans gulden , facit in
all .......... . . . . f. 26 st. 10.
Den 12 in Aprill betaelde ick Heinrick Rolandt, dener
von Raphael Torrisani , lumbardt 4), de somma von 1905
golden gulden und 4 sc. Luybisk , de mijn g. h. k. hem
von gulden und syden laeken schuldich wasz und Sybrech
Wilms mijn tho schref ick hem betaelt hebbe , facit an
torrent gelt . , . ...... . f. 2667 st. 4.
Meer betaelde und gaff ick Dyrk Aertzon up Sybrech
Moers schriven thot de Engelske laekens te koepen de
somma von 4924 copmans gulden 18 st., meer betaelt
von dose vorsz. lakens von toll , vracht von Antwerpen
.I) NI. de 100.000 , die vroeger op den bruidsschat betaald waren :
zie hiervOOr, blz. 260-261.
2) Wederom van den bruidsschat.
3) Antoine de Lalaing , graaf van Hoogstraten , later stadhouder van
Holland , Zeeland en Utrecht , het hoofd van het financiewezen en een
groot gunsteling van landvoogdes Margaretha , dus iemand , die door
Christiaan II te vriend moest worden gehouden. — De heer van „Zyvers"
komt bij Behrmann, Anmaerkninger og Dokumenter til Chr. H's
Historie blz. '103 vlg. voor als een der Nederlandsche heeren, die door
geld gc wonnen werden voor Christiaan's belangeii. Zijn naam wordt
daar Syneex of Syneex gespeld.
-i) Lombard = geldhandelaar,, bankier.
282
REKENINGEN VAN POMPE.TITS 0000 A AN KONING
heer, de somma von 24 gulden 13/ 12 st., somma facit
in all ........... f. 4949 st. 111/2.
[Somma facit 17138 gulden 2 1/2 st. corrent.]
Meer betaelde ick van die vorsz. Engelske laekens van
hyr in Tessell tho voeren van ein schip, de sie an dat
groete schip bro[c]ht ....... . f. 8 st. —.
Den 12 dach [Aprilis ?] sandt ick Sybrech Wilms
dochter up hoer schriven per Gerrbrant Ulfertzon von
Einckhuysen 2 kiste myt zuyker, darin 39 broetsukers
van den besten , wegen 222 pont , dat pont 4 st. myn
ein oert, facit 41 gulden 12 1/2 st., noch 17 broet, wegen
113 1/2 pont , dat pont 3 1/2 st. , noch 6 broett , wegen
391 /2 pont, dat pont 3 st. , mer geven von packers ,
dragen , scheep bringen und von hyr tho Einckhuysen
tho voeren 10 st., somma facit in all . . f. 67 st. 18.
Den selven dach sandt ick Sybrech Wilms noch up
hoer schriven by gemelten schipper ein pack , darin 19
Leydske laekens, darin 2 duncker blaw, kosten 16 golden
g. myn ein stoeter, noch 4 groenen , kosten 13 gouwen
gulden myn ein oert, noch 6 swarten, kosten 12 gouwen
gulden myn ein oert , noch 7 bruynen , dat stuck 121/4
f. , somma facit in all 239 golden gulden , mer geven
von doeck lyn 1) 25 st. , mer von scheep voeren na
Einckhusen 7 st. , somma facit 240 golden g. 4 st. ,
somma facit . ......... f. 336 st. 4.
Meer geven umb 2 wetskers 2), dar ick her Anthonius
de 24c gulden in sandt an Claes van der Hoy,
m[aec]t ......... . . . f. 1 st. 51/2.
Meer seth ick voer uuthgeven, umbdat ick hern Anthonius voer ein jair thot nu tho an meer perselen geven
hebbe an gelde, als nae uuthwysinge mijns boecks und sijn
handschrift, tho we gen in Septembre laestleden hem gedaen anno 1520 thot teringe . . . . 3) in al 504 golden ge
6 st. , mer gaff ick hem den 17 dach in Aprill 150 golden g. Mer gaff ick hem in Antwerpen 100 horns gulden
und 60 golden g. , mer hem im Amsterdam geven 10
I) Doeck lyn = linnendoek.
2) Wetsker of wetscher (Kiliaan) 7---- een leeren buidel, geld- of reiszak.
3) Dit woord is onleesbaar.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 283
gulden corrent , somma facit in all mijn uuthgeven , dat
ick hern Anthonius geven hebbe na uuthwysinge sijn
handschrift , de ick darup ontfangen hebbe , de somma
von . . . . ....... . . f. 1069 st. 18.
[Somma facit 1483 gulden 5 1/2 st.]
Meer set ick voer uuthgeven umbdat ick up bevel
von Sybrich Moer und her Anthonius von Metz tho
Hamborch an Claes von der Hoey und tho Lubick an
T3ernt Johanzon overschreven und gesandt hebbe an weer
perseelen , als hyrnae staet :
Am ersten Ambrosius Boeckbinder 1) in Septembre verleden 200 golden gulden , de he tho Coppenhaven weer
betaelen sall.
Den 5 dach in Septembre anno 1520 verleden Andrees
Bruys geven 240 golden g. , de he Claes von der boy
betalt heft.
Den 13 Septembre geven Dyrk Hagenow dener von
Hamborch 500 golden g. , de he Claes von der boy
weer betaelt heft.
Den 16 dach in Octobre betalt Hein Schelen dener
von Hamborch , by handen von Jan Claesen , dusent
golden gulden , de he Claes betalt heft.
Den 2 dach in Novembre geven Jeronimus Wittinck
300 golden gulden , de he Dyrk Hagenow , tho weten
Claes von der Hoy geven heft.
Den selven dach sandt ick Claes von der Hoy in 2 wetskers versegelt 2400 golden gulden, de he ontfangen heft.
Den 6 dach in Novembre geven Albert Meyer 700 golden
gulden , de Hein Schell Claes von der boy betaelt heft.
Noch Hein Schelen dener geven 150 golden gulden,
die hem, Schell , Claes van der Hoy tho Hamborch
betaelen sail.
Noch Karsten Rolefzon geven 120 golden gulden , de
Dyrk Hagenow Claes von der Hoy weer betaelt heft.
-1) Ambrosius Bogbinder was een noon van Hans Bogbinder, vroeger
burgemeester van Kopenhagen ; Christiaan II had als jongen een tijd lang
ten huize van Hans Bogbinder gewoond. Ambrosius was vermoedelijk
in dien tijd de speelkameraad van den kroonprins geweest en bleef in
later tijden een der trouwste aanhangers van Christiaan II.
284
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
Meer Claus liniphoff 1 ) geven 600 golden gulden , de
he Bernt Johanzon tho Lubick weer geven heft.
Noch Rolef Eenekint geven 1 1 /2 C golden gulden , de
he tho Hamborch Claes betalt [heft.]
Noch Hein Schelen dener 100 golden g. und Dyrk
Aertzon 69 golden g. und Evert van Meloe 100 golden
gulden und Adrian Paulizon 100 golden gulden, die se
all tho Hambo[r]ch Claes von der boy betalt hebben.
Noch Claes Knyphoff up her Anth[o]nius bevel geven.
50 golden gulden, de he tho Lubick betalen sal oft
Coppenhaven.
Noch Allert Aryszon betalt 1200 golden gulden , de
Bernt Johanzon tht. Lubick weer ontfangen heft.
Somma facit in all, dat ick tho Hamborch Lubick
und Coppenhaven overschreven und sundt hebbe, de somma
von 7930 golden gulden, maeken copmans. f. 11102 st. —.
[Somma facit 11102 gulden — st. corrent.]
Meer set ick veer uuthgeven umbdat ick Harmon
Wilmzon sundt den 6 dach in Martin thot nu tho , den
30 dach Octobris , an geld geven und von sijntwegen
verlecht hebbe an meer perselen, nae luyt de rekenschap,
ick hem daervon geven hebbe , de somma von 6137
gulden 15 1 /2 st. , dat gelt sal he mijn her verrekenen ,
facit
.......... f. 6137 st. 151/2.
Mer set ick veer uuthgeven umbdat ick an de 50 dusent
gulden, de ick myt beer Anthonius von Metz anno 1520
ontfangen hebbe , tho kort ontfangen hebbe und an veel
c° lichte golden gulden schaeden gehadt heb und onder
den hornsgulden veel von 11 st. und ander onkosten,
in somma mer dan 50 golden gulden schaeden hat , set
ick veer uutgheven voer de schaede . . f. 60 st. —.
Mer geven und betalt ein boede , de von Antwerpen
breven von Roem her broch ...... f. 3 st. 15.
'1) Claus Kniphof stond in dezen tijd reeds in dienst van Christiaan II,
maar heeft zich vooral na 's konings vlucht nit Denemarken vermaard
gemaakt als kaperkapitein. Zie over de schade , door hem aan de
Nederlaiiders berokkend , b y. Ter Gouw,, Geschiedenis van Amsterdam
IV blz. 54-58.
dERISTIA.A.N II VAN DENEMARKEN, 1520-1523.
285
Den 28 dach Augusto betalt den boden , den Olef
und ick nae Denmarken sanden , dat de K. Mg t. beer
was komen 1), darup dat he 5 golden gulden ontfangen
hadde , per rest geven ....... f. 12 st. 16.
Noch per uuthgeven umbdat ick des biscop von Roschild
neve 2) geven had 60 golden g., de de biscop Sybrech
Wylms weer geven heft ...... f. 84 st. —.
Noch comers Lambert geven von spetzerye , dat Olef
Baer vor Sybrich Moer koft hadde . . . f. 25 st. —.
Meer betaelt Folker de snyder von 179 ellen Swart
englisk , de Harmon Sybrich Moer koft und sandt heft,
24 st. de ell .......... f. 215 st. —.
Mer set ick voer uuthgeven umbdat ick den lesten
dach in Octobre die rekeninge von Romen ontfenck ,
darin mijn die Fucke[r]s schreven, sye hem Johan Ingenwinkel 3) und hern Johannes Slacheck 4) betalt hadden
up mester Dyrk Schlacheck confirmati van dat ertzbiscopdom van Londen 5) de somma van 7800 ducaten de
camera 6), behellven dat de Fucker anders von posten ,
bodenloen betalt hebben und ick oek verlecht hebbe ,
somma dat dese 7800 ducaten maeken an corrent gelt ,
die ick hem betalt hebbe , facit . . . f. 15600 st. —.
[Somma facit 22138 gulden 6 1/2 st. corrent.]
1) Vgl. hiervOOr, blz. '269.
2) Lage Urne was in dezen tijd bisschop van Roskilde; zijn hier
bedoelde neef was, blijkens een post uit de derde rekening, Nicolaus
Tezonis of Tezoms.
3) Johan Ingenwinckel, van afkomst een Nederlander, komt dikwijls
voor bij de behandeling van Deensche zaken te Rome. In 1521 wordt
hij proost genoemd ; later bekleedde hij te Rome hooge waardigheden
(Allen, Breve og Aktstykker etc. blz. 190, noot t)
4) Johan Slagheck was een broerszoon van den in de inleiding genoemden Diederik Slagheck ; hij stand in dezen tijd in dienst van
Christiaan II en werd in 1521 met anderen naar Rome gezonden voor
de aangelegenheden van het aartsbisdom Lund (Allen, Breve og Aktstykker etc. blz. 194, noot 1), ging later in dienst van Karel V over
en werd ten slotte domproost van Utrecht.
5) Londen = Lund.
6) Een ducaat de camera gold 2 gulden.
286
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONiNG1-
Somma sommarum facit in all mijn uuthgeven von
deser rekeninge N°. A, gedaen sundt den 27 dach in
Aprill anno 1520 thot nu tho , den lesten dach in
Novembre anno 1521, und ysz in all als hyrvoer staet
up 4 blaeden nae der lange de somma von seven ende
vijftich duysent twehondert und vijff coepmans gulden
und elf stuyvers , 20 stuyvers voer den gulden , ysz alsvoer staet 57205 gulden 11 st. Laus Deo.
1521.
Rekeninge N°. B.
Jesus Maria 1521, den 28 dach in Junk, , staet
hyrnae wat ick , Pompius Occo , uuthgeven hebbe
van wegen mijns allergenadigesten hero konings von
Denmarken etc. dewijl sijn K. Mg. t hyr in Hollandt,
Brabant , Vlaendern ysz geweest.
Den 28 dach Junij uuthgeven umbdat ick up datum
mester Hans Herolt ein sack myt stuyvers ende horns
gulden gaff, den de K. mg. t langs de straet onder dat
yolk liet werpen , dar in all was hondert goltgulden ,
f. 140 st.
m[aec]t am corrent gelt .....
Noch geven den sangers myt den organist van de nye
kerk ............. f. 10 st.
Noch betaelde ick in Bergen myt Joris Dyrkzon 1) den
1) Joris Dirksz. de Bye , in 1517 schepen , in 1519 thesaurier van
Delft, werd in 1521 door Christiaan II in zijn dienst genomen om het
muntwezen in Denemarken te ordenen. Zie Allen , De tre nordiske
Rigers Historie TIP blz. 104; vgl. ook Kronijk Histor. Genootschap ,
4de jaargang (1848) blz. 238, 239 , 278, 279. Of Joris Dirksz. de Bye
echter naar Denemarken is gegaan , mag betwijfeld worden ; zoowel
nit de hierna volgende rekeningen als uit andere documenten blijkt ,
dat hij in 1522 en 1523 hier te lande vertoefde ; hij stond toen echter
wel in dienst van Christiaan II. — Hij is de grootvader van den
thesaurier-generaal Joris de Bye uit den tijd van Oldenbarnevelt.
CHRISTIA.A.N II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 287
schutters van Dordrecht myt de speel[u]yde von Dort 60
horns gulden , m[aec]t .. ... • • • • f. 36 st.
Noch gaff ick de sangers tho Bergen in bywesen Joris
Dyrkzon ....... .... . f. 5 st.
Noch gaff ick mijns here kemerling th'Antwerpen
de kerk up mijns g. h. bevel thot offergelt und omb
Gotzwil . . . . ........ f. 9. st. 12.
Noch betalde ick mester Hans Herolt 4 Philippus
[gulden], de he umb Gotzwil gaff an silvergelt . f. 5 st.
Noch gaff mester Hans Jutlant 1) des keysers trompetters 26 golden g., mer gaff ick her Hans vorsz. 9
golden gulden, de he van wagenhuyr verlecht hadde.
Noch 2 golden gulden , de he voer ein scheemessen 2)
geven hadde , noch ein golden gulden had he van offergelt geven , m[aec]t 32 golden g. , m[aec]t f. 44 st. 16.
Noch betalt here Hans Jutlandt 40 horns gulden , de
he 4 Busters up mijns g. h. konings bevel geven hadde,
m[aec]t . • • ....... • • f. 24 st.
Noch geven des keysers speelluyde, de up die floyten
spelden , 8 golden g. und den tammerijns 3) geven 4
golden g. , m[aec]t . . ... ... f. 16 st. 16.
Noch tho Mechelen umb Gotz willen geven voer min
f. 5 st. 12.
heer .
Noch der stadt von Mechelen speelluyde 10 gulden
. f. 10 st.
corrent geven up mijn g. h. k. bevell
Noch den 12 Julij in Antwerpen umb Gotzwill geven
f. 4 st. 4.
per mijns hem dener ...... .
Mer geven mijns hern kemerling thot offergelt f. 3 st.
st.]
[Somma facit 314 coepmans g. Noch der Overlandske vrouwe myt hoer man geven
tho ein wapen up mijns hem bevell 6 golden g., m[aec]t
f. 8 st. 8.
Noch geven tho Bruyssel her Hans, dat he omb Gotzwil gaf ............. f. 2 st. 8.
4) Mester Hans Jutlant = Mester Hans Herolt = Her Hans = Hans
Jylland: zie hiervOOr, blz. 269 en 277, noot 3.
2) Een „scheemessen" is een mes, dat in een scheede stale.
3) Tammerijns = tamboerijns, trommelslagers.
288
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO ALN KONING
Noch tho Bruyssel den armen huyssitten geven f. 1 st. 4.
Den 15 dach Julij her Hans umb dat he t'Anwerpen
geven had umb Gotzwill ....... f. 6 st.
Noch des aventz betalt 1) 5 spoelluyde geven 5 golden
gulden .... .. • • • • • • . • f. 7 st. —.
Noch ein vrow, die myn g. vrow koninginne am 2) weest
hadde , 8 horns gulden , m[aic]t . . . . f. 4 st. 16.
Noch betalt 4 spoelluy, to weten 2 tamerinen , ein
luyt, ein harp , elk ein golden gulden , noch den ouden
gakelaer 3) ein golden g. ....... f. 7 st.
Den 16 Julij geven 2 golden gulden omb Gotzwill ,
noch in Onser Lever Vrowen koer geven ein golden g.
tho Antwerpen , noch hadden de laekay voer mijn g. h.
omb Gotzwil geven 3 golden g. , noch ein golden gulden
geoffert, noch gaff ick den orgelmaker up mijn hers
bevell ein golden gulden , somma m[aec]t . f. 10 st. 4.
Den 18 dach Julij noch per Albert 4) und mijn omb
Gotzwill geven 4 f. p t. und noch offergelt und ongelt
4 gulden pt. m[aec]t
. . • • • • . f. 8 st.
Den 19 dach in Sandt Janskerk tho Gent geven den
sangers 6 gulden. Noch den denners und den cappelan
3 gulden ...........
f. 9 st. —.
Noch den selven dach umb Gotzwill geven . f. 3 st.
Den 20 dach Julij umb Gotzwill geven . f. 4 st.
Noch nam ick thot mijn in mijn boerse umb Gotzwill
tho geven und ander ongeld mede tho betalen . f. 8 st.
Noch betalt den trompetters tho Gent , geven up
Harmons und Claes Hermelijn 5) bevel, 12 horns gulden,
m[aec]t ...... . . . . ... f. 7 st. 4.
4) „Betalt" of „geven" is overbodig.
2) Am = amme = min.
3) Gakelaer = goochelaar.
4) Met Albert zal bedoeld worden de Kopenhager koopman Albert
van Goch : zie hiervOOr, blz. 269. Hij moet worden onderscheiden van
den in latere posten to noemen „Albert, mijns heren kamerling", nl.
Albrecht von Hondorff of Hohendorp.
5) Claus Hermelinck of Hermelijn , een hoofdman van Duitsche
landsknechten, die ook in dienst van Christiaan II heeft gestaan Allen,
Breve og Aktstykker etc. blz. 10, 53, 429.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 289
Noch betalt Steffen Hofstain 1) ein goltkroen , de he
voer mijn heer geoffert had , m[aec]t. . . f. 1 st. 18.
Den 21 dach Julij geven tho Gent 2 susters 3 horns
gulden , noch den schalmeyers tho Gent myt kromnhornen 8 horns gulden, noch den man , de up stelten
geing, geven 2 horns gulden , somma facit . f. 7 st. 16.
[Somma facit 95 gulden 18 st.]
Noch tho Brugge geven den duytske speel[u]y 2 horns
gulden . . ....... . . . . f. 2 st. 8.
Noch Albert geven in 5 dagen , dat he omb Gotmillen
gaff und ander ding geven had . . . . f. 10 st. —.
Noch den trompetter t'Andwerpen geven ein golden
gulden ........... . . f. 1 st. 8.
Noch den 8 dach Augusto geven Albert vor mijn
heer tho speelen 4 gulden , noch den 9 dach umb Gotz
will und offergelt geven 3 gulden, m[aec]t . f. 7. st. —.
Den 13 in Augusto geven Jorysz Dyrkzon 10 horns
gulden, die he den Jacopynen geven had, m[aec]t f. 6 st. —.
Noch umb Gotzwil geven 3 gulden , noch Albert
geven thot mijn her tho bringers 4 gulden 2 st. , noch
ein golden gulden offert , noch den hoeftluyden ein
golden gulden tho ein bennet 2), noch Jurgen ein golden
gulden thot sijn stevelen , somma facit . . f. 13 st. 4.
Den 14 und 15 dach Augustus umb Goeds wyl geven
4 gulden torrent . . ....... f. 4 st. —.
Noch Albert und den lackayen betalt dat se umb
Gotzwil geven hadden , m[aec]t .. ... f. 4 st. —.
Den 16 dach betalt Albert tho Brug umb Gotz will
geven ....... ...... . f. 2 st. 4.
Den 20 dach gegeven 4 speell[u]yde 8 horns gulden,
noch 3 deser keysers vedelars elk ein golden gulden,
m[aec]t . . . ......... . f. 9 st. —.
Den 21 dach in Augusto Albert und Mathis gedaen
f. 7 st. —.
Den ersten dach Septembris uuthgeven and betalt von
1) Stephan Hopfensteiner, secretaris van Christiaan II. lie over hem
Allen t. a. p. blz. 9, noot 1.
2) Bennet = bonnet, hoed, muts.
Bijdr. en Meded. XXXVI.
'19
290
REKENINGEN VAN POWER'S OCCO AAN KONING
allerleyd ding tho koepen 6 gulden , noch offergelt und
umb Gotzwill geven 6 gulden , noch den 3 dach in
Septembre omb Gotz wil geven 4 gulden , somma facit
f. 16 st.
Noch gaff ick in Amsterdam 2 spoelluyde , de mijn
heer 2 avenden 'speelden , 4 Philippus gulden , m[aec]t
f. 5 st. —.
Noch den Bangers van de ouwe ende nye kerke myt
den organisten up Harmons bevel geven . f. 12 st. —.
Noch den luytenslager myt sijn wijff geven, m[aec]t
f. 2 st. 10.
[Somma facit 101 gulden 14 st.]
Den 28 dach Juni nam ick an mijn in ein boersgen
umb allerley clein onkosten , arbeytzloen und anders ,
do ick mijn g. heer volchde , und tho teringe , m[aec]t
f. 8 st. —.
Noch gaff ick de werdinne tho Bergen int Koff von
mijn beer von Bergen in bywesen Joris Dyrckzon
6 Philippus gulden , noch den meyskens und deners
3 Philippus , m[aec]t in all ..... f. 11 st. 5.
Noch the Bergenen geven van wagenhuyr f. 5 st. —.
Noch den 3 dach in Julio voer den doctoer in de
apteyk geven 7 gulden 14 st., m[aec]t . . f. 7 st. 14.
Noch Albert tAntwerpen geven thot etlick clein ongeld,
oeck dat ick selven uth gaff ...... f. 8 st. 4.
Den 6 dach Julij nam ick an mijn in mijn boersgen
thot allerley ongeld tho betalen , dat ick niet anschrijff
f. 10 st.
Noch betalde ick myt Joris Dyrkzon tAntwerpen in
mijns hero herberge am ersten der werdinne ein gowen
kop, als hyr after 2) in mester Jan van Nijmwegen goltsmytz rekeninge claer staet wat he kost , noch der werdinnen suster 6 angelotten 3), noch den kindern 20 golden
1) De voorgaande posten liepen van 28 Juni tot 3 September; nu
begint een tweede serie , die weder met 28 Juni aanvangt.
2) Zie hierna , blz. 302 — 303.
3) Een angelot was een munt ter waarde van drie gulden.
CHRISTIAA.N II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 291
gulden , noch geven 5 knechten , 2 kox , 4 maechden
66 copmans gulden , somma facit in all f. 112 st. —.
Noch tho Mechelen von ongelde van den peerden
1 gulden 5 st. noch tho Bruyssel von 10 perden von
haver [und] ander teringe 13 gulden 13 st., somma facit
f. 14 st. 18.
Noch tho Bruyssel nomen an mijn tho teringe, do ick
na Antwerpen thoech ... .. • • • f. 6 st.
Den 11 Julij betalt tho Bruyssel int Koff von mijn
hero von Nassowen : der werdinnen geschennckt 25 gulden,
noch den knechten geschenckt myt den maechden 12
gulden , noch dem poertyer 5 golden gulden , mer den
armen luyden geven 4 gulden, somma facit in all f. 48. st
[Somma facit 231 gulden 1 st.1
Den 11 Bach Julij noch tho Mechelen geven van den
peerden 2 gulden 1 st., meer van 3 wagens von Bruyssel
tho Mechelen 3 gulden 12 st., mer van allerley ongelde
onderwegen 8 gulden , somma facit . . f. 13 st. 13.
Noch tho Mechelen up mijns g. h. K. bevel geven
und geoffert thot Onser Liever Vrouwen tho Hanswijek
7 horns gulden, meer den ble[e]cksters geven emu golden
g. , noch. den molenmesters geven up mijns here bevel
f. 11 st. 4.
4 golden g. , somma facit . . . . .
Noch tho Mechelen in mijns g. h. K. herberge in bywesen Harmon Wilmzon und Joris Dyrkzon der werdinne
geven 12 golden gulden und den dienstboeden 6 copmans
gulden, noch in ons herberge ein golden g. , somma
facit ....... ....... f. 24 st. 4.
Noch geven den kock, den mester Jan van Nymmegen
nae mijn g. h. sandt und tho Bruyssel volchd , den ick
gaf von tering , schenneking , m[aec]t . . f. 6 st. 14.
Noch gaff ick Greyer 1), mijns g. h. boede, tho teringe
16 horns gulden , meer umb sijn peer[t] 12 Philippus
gulden, m[aec]t in all . ...... f. 23 st. 12.
1) Deze bode , Greyer, Greger of Greer , behoorde later ook tot het
dienstpersoneel van Christiaan II tijdens diens verblijf to Lier : zie Sick,
Nogle Bidrag til Christiern den Andens Historic under Landflygtigheden blz. 69.
292
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
Mer betaelt wagenhuyr van ein wegen van Antwerpen
f. 2 st. 19.
tho Bruyssell 2 golden gulden 3 st. , facit
Mer betalde ick Cornelis Cock(?) he self ander vertert
had ein golden g. , mer meester Philippus 1) 10 horns
gulden , de he tAnwerpen vertert hadde myt sijn compaens , mer Mathijs und Hennr[i]ck geven 4 golden g.
thot ongelt mede tho betalen , somma . . f. 11 st. 8.
Den 17 dach Julij nam ick noch thot mijn thot allerley
clein ongeld tho betaelen , facit . . . . f. 6 st. —.
Meer verrekende mijn mester Philippus he onderwegen
vertert hadde myt meer a,nder tho Brug , Gent und von
wagenhuyr, in all 14 gulden , meer verterde ick myt
mijn consorter onderwegen 8 gulden , somma facit in
f. 22 st.
all . OOOOOOOO • •
[Somma facit 121 gulden 14 St.]
Den 20 dach Julij geven Claes Hermelin von mijns
g. h. wegen, dat he verleyt hadde 6 horns gulden,
facit . ...... ...... f. 3 st. 12.
Den 21 dach Julij geven Albert von mijns g. h. wegen,
de in Antwerpen uuthgeven waren von allerley ongeld
f. 12 st. —.
Den 24 dach Julij noch betaelt voer den doctor in die
apteeck voer zuker, trageea 2) , m[aec]t . . f. 3 st. 8.
Den 25 dach nam ick noch thot mijn thot teringe,
[waar ik] ongeld und ander clein ding mede betalde, facit
f. 11 st. 4.
Noch sandt ick Gerrit, Joris Dyrkzons broer oft dener,
na Antwerpen umb gelt , den ick gaff 4 horns gulden,
f. 2 st. 8.
facit . ............
Noch sandt ick Eggert und Claes, mijn diener, von.
Gent nae Amsterdam umb Belt und verterden onderwegen . . ........ .. . f. 6 st. 16.
Den 26 dach Julij geven den tymmerman von Edam
up Harmons bevel thot teringe . . . . f. 3 st.
4
•
•
I) Met „Meester Philippus" zal Philippe du Pre bedoeld zijn; vgl.
Allen, De tre nordiske Rigers Historie IIP blz. 100.
2) Tragea zal wel zijn het Fransche drag& = gesuikerde amandelen.
CHRISTIAXN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 293
Noch reysde ick von Brugge na Antwerpen up mijns
g. h. K. bevel myt den vorsten von Bruunswijck 1) und
vort in den Haech und vort tAmsterdam und weer tho
Gent myt 2 deners umb dat gelt tho haelen , m[aec]t .
f. 12 st. —.
Noch geven Lucas die bode von sijn reyse und von
l[e]ggen , in all .... ...... f. 1 st. 16.
st. 16.
Mer den doctor in de appoteke. . . . f.
Noch here Hans Jutlant up mijns hem bevel geven
an meer perselen dar he mijn g. h. rekening von doen
sail .......... . . . f. 55 st. 16.
Den 27 dach in Augusto 2) betalde ick in Gent von die
peerden ses pont 8 . sc. 9 d. , meer den schomaker 8 sc.
6 d. von ler, mer den spoermaker 5 sc., meer drinckgelt
• • • f. 43 st.
1 sc. 1 d. , somma facit . •
Noch den smyt geven von 44 hoefysers und beslaen
7 sc. 4 d. , mer Mathis von ongeld 24 st., somma m[aec]t
f. 3 st. 8.
Noch betalde ick tho Brugge in mijns here herbergen
geven tho bellesyr vijf pont, noch Greyer die boede
geven tho teringen nae des Hartogenbusk tho vaeren
6 golden gulden und 6 st. . . • • • f. 38 st. 14.
[Somma facit 197 gulden 18 st.]
Noch betaelt tho Gent in mijns here herberge, [e]er sijn
mg. t the Brug reysde, von servietten, de verloren vaeren,
3 f. pt, noch de 2 soenen elk ein bennet 2 gulden 8 st.,
noch 2 maechden 3 gulden 12 st. , noch 2 maechden
und 2 deners 9 gulden , somma m[aec]t • f. 19 st.
Noch betalt tho Brug von den lackayen ende ander
f. 6 st.
. . .
herbergen 6 gulden , m[aec]t Den 3 in Augusto geven Peter Schega , tymmerman,
up Joris Dyrkzon und Harmons bevel . . f. 9 st. —.
Noch betalt tho Brugge van de perden, dat se vertert
hadden und ander ongelt . ..... f. 21 st. 17.
.1) Uit een noot bij een lateren post zal blijken , wat de hertogen
van Brunswijk met Christiaan II to verhandelen hadden.
2) Da is vermoedelijk een verschrijving voor Juli.
3) Bellisier = belle chiêre = fool.
294
REKENINGEN VAN POMPEJTJS OCCO AAN KONING
Noch verrekende mijn Anthoni Nycket 1) he sund den
4 dach Julio thot nu myt sijn peert vertert hadde und
bellesyr in sijn herbergen , in all . . . . f. 11 st. 4.
Den 6 dach in Augusto betalt tho Gent van de perden,
do wy na Brug togen, dat se vertert hadden f. 24 st. —.
Den 8 dach Augustus nam ick noch in mijn boersgen
thot allerley ongeld , m[aec]t ..... f. 8 st. —.
Den 9 dach betalt den cappellaen von ongelt , slaephuyr, teringe und anders he vertert had, m[aec]t f. 2 st. 4.
Noch betaelde ick doctor Allexander 2) tho bellesyr
[und] von allerley ongelt, [dat hij] in sijn herbergen betalt
had, nae luyt sijns zeduls darvon , m[aec]t . f. 2 st. —.
Noch den lackayen betalt von slaepgelt hoerder 5 , in
all betaelt. . .......... f. 3 st. 10.
Den 16 dach in Augusto geven up doctor Allexanders
bevel von mijns g. h. wegen vor groen gengenar 3) . .
f. 6 st. 3.
Noch betalt Greger und des keysers herholt tho teringe
up hoer reyse , in all . . . . . . . f. 20 st. —.
[Somma . facit in all 132 gulden 18 std.
Noch geven Micheel Hanne Poll des sotten meester
von slaepgelt, ongeld und anders, dat he er verleyt hadde,
in all . .......... . f. 5 st. 131/2.
Noch tho Gent al olde vrouwe geven, de dat linwat
gewasken hadden in de koken , oeck von hemden und
anders, mraecit in all ........ f. 8 st. —.
Den 17 dach in Augusto in Gent hetaelt dat de
peerden Baer vertert hadden , m[aec]t . . f. 43 st. 18.
Noch do ick von Brug scheyde tho mijn nomen tho
ongeld, tering und anders tho betalen, m[aec]t f. 10 st. —.
4) Deze Anthoni Nicquet heeft, blijkens latere posten, met P. Occo
en Joris Dirksz. de Bye tezamen allerlei onkosten van de reis voorgeschoten. Hij was vermoedelijk een Antwerpsch koopman : zie Elias,
De vroedschap van Amsterdam I blz. 307.
2) Dr. Alexander Kinghorn, een Schot, lijfarts van Christiaan II,
professor aan de Universiteit to Kopenhagen, werd herhaaldelijk door
Christiaan II ook voor diplomatieke zendingen gebruikt : Allen, De
rebus Christian II etc. biz. 86 vlg.
3) Misschien heeft het ms. gengevar = gingebar (gember).
CIIRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 295
Noch betaelt tho Steeck, twisken Brag und Antwerpen,
f. 19 st. 6.
dat wy dar verterden den dach, in all Den 20 dach betaelde ick Steffen noch ende den
doctor und mester Philippus , dat se myt hoer deners
uuthgeven hadden in hoer herbergen tho Brussel , Gent,
Brug, m[aec]t .......... f. 28 st. 7.
Den lesten dach verrekende mijn Bernt , die forier,
dat he geven hadde von de wagens von Vlanderen var[e]n
in Brabant tho Antwerpen, von liggen geven had und
ander ongelt , betalt in all . . . . . . f. 8 st.,
Noch betalde ick to nwerpen in den Regenboech von
wijn , den Jannijn , de kokenmester, von mijns hern wegen
aldar gehalt hadde , m[aec]t ..... f. 28 st. 18.
Noch betaelde ick in den Tynnen Pott tho Antwerpen
von wijn , na luyt eins zeduld , m[aec]t . f. 17 st. 12.
Noch tAntwerpen om broet betalt . . . f. 7 st. —.
Noch schenckt unses g. h. wart tho Antwerpen 18
ellen floel thot ein tabbert und ysz von dat syden laken
hyrna verrekent, noch dat yolk 12 Karolusz geschenckt ,
m[aec]t in all .......... f. 12 st. 12.
Noch verrekende mijn Michell Hanne Pollen meester
von ongeld , he verleyt hadde , m[aec]t . . f. 2 st. 4.
[Somma facit 191 gulden 10 1/2 st.]
Den ersten dach Septembris verrekende mijn Anthoni
Nicket , he Bernt den forier von wagenhuyr geven hadde
3 copmans g. , noch had he tho Brag voer de kosten
der peerden verleyt 43 gulden 16 st. , noch had he tho
Brug in mijns herns herrberge geven von bellesyr 24
gulden , noch geven voer 15 ellen slecht laekens voer
de portier und stalknechten 19 gulden 10 st. , noch had
he den denstboden tho Gent in mijns hern herberge
geven 6 gulden , noch von 3 patelen 1),. die verloren
waren , 4 sc. und ein Philippus noch in mijn herberge
von bellesyr 37 st. , noch in Jorysz Dyrkzon herberge
36 [st.], noch in her Anthonius, Clos Hermelijn und ander
herbergen geven 4 f. 15 st. , noch had he vertert 33 st.
m[aec]t ............ f. 108 st. 16.
1) Patelen = plateien , schotels.
296
REKENINGEN VAN POIVIPERTS OCCO AAN KONING
Noch verrekende mijn Anthoni Nycket umbdat he
Dyrk Gerritzon, de perdekoper, von 7 perden , de Claes
Hermelin von mijn g. h. wegen koft , 140 copmans g.
[heeft betaald], noch betalt von halstergelt 2 golden g.,
noch von 2 gebeeten ein golden gulden , noch hadde
Claes voersz. laeten maeken von saelen, tomen, gereid 2),
beten und antlers tho dese perden , dat in all beliep
55 gulden 18 st. , somma facit in all . . f. 200 st. 2.
Noch verrekende mijn vorgemelte Anthonius , dat he
geven hadde voer bennetten. voer Claes Hermelins deners
und hoer hoesen 15 gulden 1/2 st. noch hadde he myt
sijn peert vertert in mer herbergen und onderwegen 9 f.
31/2 st. torrent , somma facit in al . . . f. 24 st. 4.
Noch verterde ick tho Antwerpen in mijns hem offscheyt , do ick myt Alman afrekende und betalde und
voert myt Anthoni Nicket und unse beyde deners vertert
in all . ...........
f. 9 st.
Noch verrekende mijn Anthoni Nickett, dat he vertert
hadde myt sin peert ein golden gulden , m[aec]t . • •
f. 1 st. 8.
Noch betalt Hansgen dat he verleyt hadde onderwegen
von mijns g. h. 2 peerden 6 sc. 4 d. , mer betalt hem
von kostgelt und von 8 peerden 2 nachten in Amsterdam
vertert hadden , in all ........ f. 2 st. 16.
[Somma facit 346 gulden 6 st.]
Noch sandt mijn g. h. K. mijn in den Hach umb die
golden g. und voer myt ein eygen wagen onder nacht
und dach , vertert . ........ f. 4 st. 10.
Noch betalt slaepgelt von etlick gesellen ein Philippus
g. , m[aec]t . . . .. ....... f. 1 st. 5.
Noch betalt Micheel in die Star von ein stuck wijns
von 4 amen ende ein verndell , m[aec]t . f. 41 st. 14.
Noch Steffen Hofstain geven 6 horns gulden umb in
sijn herberge tAmsterdam und antlers tho betaelen ,
m[aec]t . . . .......... f. 3 st. 12.
Den 2 dach Septembris set ick voer uuthgeven umbdat
Gebeet of beet
2) Gereide = tuig,
bit.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 297
ick den travanten betalt hebbe von den 24 dach Julio
tho nu tho hoer solt, 6 golden gulden des maentz ,
. f. 235 st. 11.
m[aec]t in all ....... .
Noch hebbe ick den lackayen betaelt von den 24 dach
Julio thot nu tho 6 st. daechs behalven hoer slaepgelt
ende cleren , facit in all ....... f. 49 st. 4.
Noch hern Anthonius von Metz geven an meer perselen Sundt den 5 Julij thot nu tho na luyt mijn rekeninge , dar he rekeninge von does call, facit f. 81 st. —•
Den 28 dach in Augusto in Amsterdam noch an mijn
genomen , dar ick allerley clein ding dachlix mede betalde , m[aec]t . . • . . ..... f. 6 st.
Noch den travanten betaelt elx 18 st. von teringe ,
dat se hyrnae hoer maentgelt verterden, und den muntergesell 2 golden gulden , de men hem , als he werk oft
dienst krijcht , kurten sail, somma facit . f. 13 st. 12.
Noch koft ick tAndwerpen ein schede-kredentzmessen 1)
.
voer 4 golden gulden , facit . . f. 5 st, 12.
Noch geven umb 4 hemden voer Claes Hermelijn , de
mijn g. h. tho clein waren, 7 gulden corent and von 7
noesdoeken voer mijn g. h. koninck 1 gulden 14 st.,
somma facit in all 2) ..... • • • f. 8 st. 14.
[Somma facit 450 gulden 14 st.]
Den 3 dach in Julio noch geven umb 5 fyne bennetten
myt oeren voer mijns hern deners , Joris und mijn , dat
stuck ein golden gulden, noch 6 bennitten, wat slechter,
dat stick 20 st., noch 2 stuck vor Joeris broer und sijn
dener, dat stick 1 1/2 g., m[aec]t in all. . 1. 16 st. —.
Noch hem Anthonius geven 16 gulden 12 st. thot ein
span 3), dat he koft an mijns hern bennet tho hangers
oft neyen .... ....... f. 16 st. 12.
1) Een van een scheede voorzien voorsnijmes (mededeeling van Prot.
Vogelsang).
2) Met dezen post eindigt de tweede serie (zie hiervOOr, blz. 290,
foot 1) die van 28 Juni tot 2 Sept. loopt; alleen volgt op den post
van 2 Sept. nog een van 28 Aug. — De derde serie posten , die nu
aanvangt, loopt door tot 23 Augustus.
3) Span
agrafe , broche , speld.
298
REKENINGEN VAN POMPEJUS 0000 AAN KONING
Noch geven umb 4 swarte floelen bennitten myt oeren,
dat stick 4 Philippus gulden , noch ein groet bennit myt
[oeren] voer mijn her, kost 5 Philippus g., noch ein dosijn
handschon 36 st. , noch 6 dosijn syden nestelingen 1) 24
st. , somma facit in all ...... . f. 41 st. 17.
Den 4 Bach Julio koft voer mijn g. h. 4 hemden, seer
fijn , dat stick 12 sc. 5 d., facit . . . . f. 14 st. 18.
Noch koft 2 groete kompffer 2) thot mijns g. hem
kleren ...... .... • • f. 10 st. 16.
Noch geven umb 4 foedern 3) thot de 4 koppe 4), de
mijn beer koft . ......... f. 5 st. 8.
Noch 2 bennetten voer de erste 2 lackayen , m[aec]t
f. 3 st. 3.
Noch koft ick voer mijn g. h. thot hemden 23 ellen
fijn lijnwat , de ellen 12 st. , noch von maeken 4 golden
g. 5 st. , somma m[aec]t ...... f. 19 st. 13.
Noch koft ein groete kiste , dar men dat syden laken
ende gouwen laken merle nae voerde , kost f. 6 st. —.
Noch geven umb ein gurdell thot mijns g. hem mesz
18 stuyvers. Noch betalt voer ein floelen bennitt voer
her Hans Jutlant , kostet 4 golden gulden. Noch geven
von mijns g. h. cappellans hosen , wambis maeken, bennit, schoen, 5 gulden 61/2 st., noch voer Jacob Rennow 5)
ein paer hoesen 3 gulden , noch betaelt umb sockken ,
noesdoecken , scheerdoken 15 st. , and noch in die appoteck 2 g. 4 st. , somma facit in all tsamen dese vorsz.
perselen m[aec]t .... . • • • f. 17 st. 151/2.
[Somma facit 152 gulden 2 1/2 st.]
Noch betaelt Steffen Capellen dener vor 2 gulden
cleinoden , de her Anthonius voer mijn g. h. von hem
koft had , kosten 37 golden gulden 16 st. , m[aec]t . .
f. 52 st. 12.
Noch koft voer Joris Dyrkzons broer ein paer hoesen,
1)
2)
3)
4)
5)
Nesteling = veter, band, snoer.
Koffers.
Foudralen.
Kop = schotel, mengvat , drinkschaal, beker.
Jakob ROnnov : zie over hem hiervOOr, blz. 269,
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN, 1520-1523. 299
kosten 2 gulden , mer koft ein mael 1), kost ein Philippus
gulden , noch geven umb ein brillboeck 2) vor mijn g. h.,
kost 2 f. 10 st., noch ein paer stevelen voer mijn g. h.,
kosten 2 f. 8 st., noch umb Jurgens hembt und 3 noesdoeken 2 gulden 18 st. , noch vor mester Philippus ein
hen.nbtt und bennit, kost 3 gulden, somma facit f. 14 st. 1.
Noch betalt her Flans Jutlandt voer ein paer stevelen,
de mijn g. h. niet tho past waeren , 4 horns gulden,
noch betalt her Hans dat he mester Hans Puppenruyters
y olk von mijns hero wegen geven hadde 2 golden g.
und 3 horns gulden , noch ein paer hoesen voer gemeltem , kosten 2 golden gulden , m[aec]t . f. 9 st. 16.
No[c]h hem. Hans geven thot ein pauluyne 3), de he
voer mijn g. h. legit maeken , 13 golden gulden , m[aec]t
f. 18 st. 4.
Noch betalt voer Hanne Pols hoesen 2 g. 8 st., noch
von foring onder desz sotz paltrock 4) 1 gulden 4 st. ,
somma m[aec]t .. ........ f. 3 st. 12.
Noch geven umb Hanne Pollen gurdel 3 st. , noch
Jorisz Dyrkzons broer thot sijn hemden , hoesen und
bennet geven 4 gulden 16 st. , noch umb ein lade tho
de floelen bennetten 6 st. , noch geven von 2 kustodi 5),
die heer Antoni bet maeken , 1 gulden 16 st. Noch
voer ein paer schoen 6 st. , noch von syden lynt 11 st.,
noch den doctor umb ein clistyrsack 18 st., noch Michelen
von slaepgelt 13 st. , noch 2 sacken thot mijns her lt. 6)
1 g., somma facit in all ....... f. 10 st. 9.
Den 16 Bach Julio betalt Gregori de Aiala von ein
sael , den he myt floel bekleden liet voer mijn g. h.,
kost myt floel und antlers daertho. . . . f. 29 st. 4.
al) Male , mael = reistasch , valies , leeren koffer.
2) Brilboek komt in de woordenboeken niet voor; het zal wel brillehuisje beteekenen.
3) Vermoedelijk is er een fout in het afschrift, en staat er in het
ms. zelf: pauluyre = palure of pallure = staatsierok , galakleed.
4) Paltroc = tabbaard; Hanne Poll is de zot.
5) Custode of custodie = loos.
6) Bedoeld zal zijn de binnenzak van een braguette of brayette.
300
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO A.A.N KONING
Noch doctor Allexander geven per Anthoni Nycket vor
etlick ding, he uuth der apteken halt had, m[aec]t f. 6 st. 12.
[Somma facit 144 gulden 10 st.]
Noch betalt den schomaeker von 5 paer floelen schonen
voer mijn beer tho maeken und ander leren schoen,
m[aec]t . . . .•• ****** 1. 3 st. 10.
Noch geven umb Jurgens anderde stevelen ein Philippus g. , noch betalt umb mijns here bedeboeck 5
ducaten. Noch 6 swarte semen 1) vellen vor mijn g. h.
tho hosen 2 gulden 8 st. , noch voer 2 saelen voer
Albert und Mathis myt tome en bezetzel 7 gulden ,
noch umb ein ontze golddraet thot mijns hem ein brieff
1 gulden 16 st. Noch geven Jan de Fonteyne , des
keysers hosenmaker, vor mijn g. h. ein paer laekens und
ein paer semen myt linnen laken factzon 2), noch vor
Albert und Mathis elk ein paer hoesen , in all betalt 12
copmans gulden , somma facit all dit vorsz. f. 34 st. 9.
Noch Lucasz den boeden ein paer hoesen geschenckt
f. 1 st. 18.
Noch mester Anthoni , des keysers snyder, von 2
floelen benneten tho maken , von syden foeringe und
f. 4 st.
anders , in all ....... . .
Noch betalde ick voer Claes Hermelynen von sijn
saelen tho vermaken und nye sael, in all . f. 9 st. 10.
Den 27 ditto noch geven umb ein swarte syden huyve 3)
24 st. , noch voer de leste snoren thot mijns hem lenbrieven 4) tho betaelen, in al 3 golden gulden , mer
betalt Michelen Hanne Pollen meester 2 horns gulden,
somma facit ...... ..... f. 6 st. 12.
Noch koft voer Claesz Hermelyne leste junge
benn[e]t 14 st. , noch thot mijns g. h. burstlap 14 st. ,
somma facit ............ f. 1 st. 8.
Noch tho Bruyssel ein groet floelen bennet vor mijn g. h.
oft kern Anthoniu.s , kost 5 golden gulden . f. 7 st.
1)
2)
3)
4)
Zeemleeren.
Fatsoen ? maar dat geeft bier geen zin.
Iluyve of huve = hoofddeksel voor mannen en vrouwen.
Leenbrieven : zie hiervOOr, blz. 268.
CHRISTIAIN Il VAN DENEkARKEN, 1520-1523. 301
Noch koft ick voer mijn ein bennet und ein taske, kosten
tsamen myt ein par hosen [om] in tho reysen . f. 4 st. 10.
Noch 3 lackayen elk ein golden gulden tho bellesyr,
voer schonen und anders , dat se orloff kregen , m[aec]t
f. 4 st. 4.
[Somma facit 77 gulden 1 st. torrent.]
Noch den hoesemaecker tho Brugge Gerryt Calleer
betalt von 16 paer hoesen up Claes Hermelins bevel
voer hem , sijn knechten und mijns hem von Bremen 1)
deners , den boden Keppels (?) und ander, kosten in all
f. 28 st. 4.
Den 14 in Augusto betaelt mester Arent, des kaysers
snyder,, von paltrocken , wambisz , kappen tho Gent tho
maeken , von foederdoek 2) daeronder, nae luyt sin rekeninge, he mijn darvon geven heeft, m[aec]t . f. 91 st. 11.
Den 23 in Augusto noch geven umb ein kiste ende
ein koffor thot mijns hern breven , m[aec]t . f. 6 st. —.
Den selven dach betaelde ick Lowysz de la Fosse von
72 swarte romanyske 3) vellen , de her Antonius koft tho
mijns hern tabbert , dat stick 15 st., facit . f. 53 st. 5.
Noch betalt von ein leren sack thot de breven in tho
neyen und bewaren, ein golden g. , m[aec]t . f. 1 st. 8.
Den selven dach betalt voer 3 paer hoesen. voer 3
lackkayen und noch voer Claes de stalknecht, Michelen
und Bernhart , somma 6 par hosen, kosten . f. 11 st. 5.
Noch betalt tho Brugge voer 4 nye saelen myt Swart
swoel 4) bekleet und saeldecken von floell und ander
saelen myt syden laken bekleet und von 24 ontz frangen,
de ontz 10 st., somma kost und betalt in all , na luyt
desz saelmakers brief ........ f. 31 st. 3.
Noch heft mijn. Harmon Wilmzon bevolen Boris Dyrkzon
sott ein sotzkappe tho laten maken, kost in all . f. 6 st. 17.
1) Blijkens latere posten wordt hiermede de bisschop van Bremen
bedoeld.
2) Voering.
3) Romaansch = Fransch.
4) Dit woord heb ik nergens aangetroffen ; misschien moet er staan :
floel = fluweel.
302
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONiKG
Noch den smyt geven und betaelt von allerley ding
f. 2 st. 6.
Noch den buntwercker, de myn g. h. koninck dat
mesz und Bogen wulde schencken , hebbe ick nae, up
bevel von hem Anthonius und Harmon, betalt van dat
mesz, dat mijn her von hem had , 10 gulden 9 st. ,
noch voer 3 hoeden 2 Philippus g. , noch ein sack vor
de tortzen 16 st. , somma vorsz. per Eltyer betalt
f. 13 st. 16.
[Somma facit 245 gulden 15 st.]
Noch betalt Jan Helkart von 2 kostodien tho die 2
sulveren scoepkannen 1), dat stuck 2 Philippus gulden ,
noch von 2 kustodien , wat cleyner, dat stick 36 st. ,
noch von 2 halve mengelen, dat stick ein Philippus gulden,
noch ein kustodi tho de schaelen 18 st. , somma . .
f. 12 st. 2.
Noch mester Philippus betalt thot stevel und spoeren,
m[aec]t ...... ...... . f. 1 st. 16.
Noch umb 2 kaudelars geven. . . . . f. 1 st. 9.
Den 20 Bach Augusto 2) noch betalt in de apteke 10 sc.
6 d. , noch von syden snoren 10 st., noch tho Gent von
bellesyr 4 sc. , [maec]t ... .... f. 4 st. 17.
Noch betalt umb ein paer witte hoesen voer mijn
g. h. k ... ......... . f. 3 st. 18.
Noch den schomaker umb schoen betalt . f. 1 st. 8.
Noch geven Albert, mijns hem kamerling, dat he uuthgeven had umb ein hemdt , ein bennit , ein paer schoen,
ein paer hoesen und 2 kamm, tsamen. . . f. 5 st. 4.
Noch rekent myt mester Jan von Nymwegen von dat
sulver, mijn g. h. von hem hat heft , und wecht von
stick to stick:
Am ersten 2 groete sulverkannen , wegen 19 mark
5 ontsen 3 1 /2 engelsch 3).
1) In het hs. zal staan : stoepkannen = kannen , waarvan de inhoud
een stoop (2'/2 L.) bedraagt.
2) De vorige post was op 23 Augustus gedateerd ; van nu of gnat
de dateering terug tot 3 Juli.
3) Een mark is een gewicht voor goud en zilver ; het is onderverdeeld in oncen en engelschen.
OHRISTIAAN II VAN bENEMARKEN 7 1520-1523.
g68
Noch 2 kannen wat kleiner, wegen 9 mark 2
ontzen — e.
Noch 2 halve quaerten wegen 6 mark 1 ontz e.
Noch ein waterpott, wecht 5 mark 2 ontzen 11 engelsch.
Noch ein becken myt 6 schaelen , wegen tsamen
19 mark 4 ontzen 14 engelsch.
Somma facit and wecht dit vorsz. zulver in all , als
voer staet 59 mark 3 ontzen 8 1/2 engelsch, voer 44 se.
de mark, m[aec]t ...... 2 131 sc. 16 d. 10.
Noch koft von gemelten : 5 vergulden koppen myt ein
soltvat , wegen 15 mark 3 ontzen ein engelsch , voer 10
sc. de ontz , facit an gelde . . . . £ 61 sc. 10 d. 6.
Noch ein vergulde kop, den wy des burgermesters
vrow tAntwerpen schenckten , woech 3 mark 4 ontz 15
engelsch , voer 2 golden g. de ontz , facit oek an gelde
2 13 sc. 8 d. 4.
Den ersten dach Augusto koft, mijn g. h. noch von
hem 12 schalen , wegen 39 mark -4 ontzen 10 engelsch ,
de marck 43 sc. and 8 sc. 4 d. von 2 kokers , somma
85 sc. 2 d. 10.
m[aec]t Deck ...... .. .
[Somma 2) facit 30 gulden 14 st. corrent.]
Noch betalt mester Jan von Nymwegen vorsz. von
lynnen laken , dat sulver in tho packen , 16 st. , noch
betalt mester Jan von den steen von Avennis 3), den.
Harmon ontfangen heeft , 19 5 sc. 7 d. , noch drinckgelt betalt mester Jans deners 31 1/2 st. , somma facit in
all, als vor staet land hyr van sulver, steen . f. 1869 st. 12.
Den 3 dach in Julio koft von Heinrick Symonzon
tAnwerpen ein stick floel , lang 27 ellen , de ellen 10 sc.
m[aec]t ............. f. 80 st. 5.
Noch koft von Martyn Bouwyso ein stick Luyx floeel,
lang 21 1/2 ellen , 14 sc. de ellen , m[aec]t 2 15 sc.
1 d.
noch 27 ellen swart sattijn , de ellen 8 sc.
1) Een kwart is een maat voor vloeistoffen.
2) In deze „Somma" is de rekening van meester Jan van Nijmegen
wegens het geleverde zilverwerk niet begrepen, dit bedrag vindt men
in den volgenden post.
3) Een kostbare steen ?
304
REKENINGEN VAK POMPEJLTS OCCO AAN KONING
facit E 10 sc. 16 d. —, somma facit in all an corrent
gelt ............. f. 155 st. 2.
Noch koft voer die 2 lackayen elke ein floelen wambis
9 ellen , kosten myt maken in all 31 gulden , noch
maken, fusteyn 1), kannefasz 3 gulden 6 st., somma facit
in all . . ........ . . . f. 34 st. 6.
Noch betalt Anthoni von Bombergen von 2 tappeten
voer mijn g. h. voer 15 pont Vlams, m[aec]t . f. 90 st. —.
Noch tAntwerpen laeten maeken 4 floelen kussens
voer mijn g. h., kosten myt maeken, floel, syde, teckten 2),
veeren in all . . .. ...... f. 46 st. 18.
Noch geven umb 11 ellen swart engelsk laken tho
Harmon ende mijn rock , kosten • • • • f. 23 st. 13.
Noch koft von Jan von Ask tho Bruyssel , am ersten
vor mester Hans 18 ellen swart floel , de ellen 10 sc.
6 d., m[aec]t . ...
.... Z 9 sc. 9 d. —.
Noch voer gemelten 5 ellen satijn , de ellen 8 sc. ,
m [aec] t . . ........ k 2 sc. — d. —.
Noch 5 ellen fusteyn , 4 st. d'ellen , m[aec]t • • •
E — sc. 3 d. 4.
Noch 10 ellen tafstaff 3), 3 sc. 6 d. d'ellen , m[aec]t
£ 1 sc. 15 d. —.
Noch 2 ellen kannefasz 2 st. m[aec]t 2 — sc. — d. 4.
Noch vor Claes Hermelijn 18 ellen floel , 10 sc. 6 d.
Wel ............ t 9 sc. 9 d. —.
Noch 10 ellen taftaff, d'ellen 3 sc. 6 d., m[aec]t . .
£ 1 sc. 15 d. —.
[Somma facit 2447 gulden 6 at. corrent.]
Noch koft von Jan de Kasseler voer mijn her. Am
ersten ein stuck floell , lang 27 ellen , 11 sc. den ellen,
m[aec]t ....... . . . E 14 sc. 17 d. —.
Noch ei.n stick dubbell taffta , lang 13 3/4 [ellen], de
ellen 9 sc. 4 d. . . ...... 2 6 sc. 8 d. 4.
Noch 13 ellen kamelotz 4) vor den kappellaen, de
ellen 17 st......... . . E 3 sc. 5 d. 2.
1)
2)
3)
4)
Fustein = bombazijn.
Tect, teed = tijk.
Tafstaff = taftaf = taf.
Cameloot .-- cammelot, een stof van kemelshaar.
CHRISTIAA.N II VAN DENEMARKEN, 1520-1523.
305
Den 11 dach Julij 1) koft von I.-Teinrick von Mokenburch
tho Mechelen voer her Anthonius 8 ellen swart Mechels,
de ellen 7 sc., noch 4 ellen, de ellen 8 sc., noch 5 ellen
tho her Anthonius kappe , de ellen 5 sc. , dit laken koft
her Antonius selven , facit ...... f. 33 st. 18.
Noch wester Philippus und Jurgen, mijns here jungen,
elk ein floel wambis , kosten myt makes , foring , antlers
f. 26 st. 11.
Noch voer mester Philippus ein Spaenske kappe ,
kost ......... . . . . . f. 7 st. 4.
Noch voer mijn g. her and Claes Ilermelijn swart
laken thot 2 kappen , 10 ellen , de ellen 36 st. , m[aec]t
f. 18 st. —.
Noch koft von Cornelis Braems und betalt von swart
laken , dat dar gehalt wasz thot mijns helm yolk thot
Spanse kappen tho maken , nae luyt emus zeduls von
hoer ontfangen , facit ..... . f. 107 st. 151/2.
Noch voer den cappellaen ein tympe 2), kost f.1 st. 16.
Den 23 Julij betalt Anthoni Friscobaldi 3) von 23 ellen
swart floel, de ellen 10 sc., noch 11 ellen vor 9 sc. 8 d.
de ellen. , voer Hanne Poll , noch 17 ellen swart dammask vor wester Philippus , de ellen 7 'sc. 6 d., noch
91/2 ellen swart satijn vor 6 sc. 6 d., noch 25 1/2 ellen
swart floel , de ellen 10 sc. 6 d. , noch ein stuck trylysz 4) 18 sc. 8 d., noch 10 1/2 ellen settijn vor 7 sc.
de ellen , noch 20 ellen dammask voer den ouden ridder,
de ellen kost 8 sc. 4 d., somma sommarum facit in all
dyt vorsz. floel , ysz verbort und an mijns g. h. yolk
versneden , m[aec]t ........ f. 318 st. 13.
[Somma facit 662 gulden 16 1/2 st. corrent.]
1) De dateering der posten (zie hiervOOr, blz. 302, noot 2) loopt nu
weer op en wordt vervolgens ongeregeld.
2) Het bovenste gedeelte van den kovel (kap), dat ook afzonderlijk
werd gedragen.
3) Frescobaldi, een bankiershuis te Florence : zie Ehrenberg , Das
Zeitalter der Fugger I blz. 96, 271 vlg., 276 vlg. , 289 II, blz. 38;
aan het hoofd van het filiaal te Antwerpen stond Antonio Frescobaldi :
ibidem I biz. 272, 280.
4) Trylysz (trilles , trelyts, terlits , tierlytse) = een geweven stof.
20
Bijdr. en Meded. XXXVI.
306
REKENINGEN VAN POlVIPEJITS OCCO IAN KONING
Noch tho Gent koft von Wilm die moelenaer an floel,
sy[d]en laeken ende damrnask , na luyt sijns zeduls , de
somma . . ......... f. 131 st. 161/2.
[Somma 794 gulden 13 st. 1)]
Den 26 dach Julij koft tho Gent int Dubbel Kruysz,
betalt latter gehalt wasz van den Snyder an fustein ,
syden snoren , lint , golddraet, tafta und antlers, nae luyt
sijns zeduls , daervon de somma ysz . . . f. 31 st. 2.
Den 2 dach in A.ugusto betalt Janon von floel , dat
her Anthoni gehaldt hadde , 18 ellen Luyx floel , de
ellen 14 se. , noch 1 1/2 ellen floel, 11 sc. delle , noch
23 ellen satijn , de ellen 8 sc. , somma facit in all . .
f. 135 st. 15.
Den 28 dach Julij noch betalt voer 40 ellen floel , de
her Steffen Hofstain desz vorsten von Bronswijk kensler
und Wylke Klenke schenckte von mijns g. h. wegen ,
de ellen 11 sc. , m[aec]t ...... f. 126 st. —.
Noch betalt umb 5 outerfijn armenteerske 2) lakenen ,
dat stuck 5 pont 9 sc. , noch ein rest von 5 ellen von
24 st., noch ein meensk laken 3) 48 gulden 12 st., noch
von dragen 1 sc., noch von dese lakens von scheren
12 1 sc. 9 d. — , rind hyrvon ysz desz biscop 4) yolk
gekleet, facit ....... . . . f. 227 st. 2.
Noch voer her Hans Herholt 6 1/2 ellen lakens thot
ein ryterrok , de ellen ein golden gulden , m[aec]t . . .
f. 9 st. 2.
Den 9 dach Augusto koft in Brug noch ein stuck fijn
armenters , kost 2 5 sc. 10 d. 4 , thot paltrocken ,
m[aec]t ............. f. 33 st. 2.
Noch koft von Dyr[k] Jorisz. 3 stuck floel , lang 851/4
ellen , de ellen 10 sc. 10 d. , tho borderen thot de palt-
1) Dit is nl. de som van de vorige „Somma" en den voorgaanden post.
2) NI. oultre fin laken van Armentieres,
3) Laken uit Meenen.
4) NI. van den bisschop van Bremen. Wat deze in 1521 in de
Nederlanden kwam doen, is mij onbekend ; uit verschillende posten
dezer rekening blijkt, dat kleeren voor hem en zijne dienaren voor
rekening van Christiaan II werden gekocht.
CH1ISTIAAN II VATS DENENARKEN,
1520-1523. 307
ro[c]ken, myt 2 borden thot elke paltrok, by 2 1/2 oft
3 1/2 ellen , m[aec]t ........ f. 277 st. 1.
Noch umb 15 ellen lakens , seer slecht , voer etlick
deners , tho weten 2 stalj ungen und Hansken , kost 13
gulden 10 st., noch von 1 1/2 taken von scheren 2 gulden
5 st., m[aec]t in all ........ f. 15 st. 15.
Den 15 in Augusto noch koft vor mester Steffen und
sijn dener up mijns here bevel 13 ellen auterfijn armenters , de ellen 24 st., noch 13 ellen vor den doctor, sijn
dener und apteker, de ellen 25 st. , somma facit myt
scheren in all .......... f. 33 st. 6.
[Somma facit 888 gulden , 5 st. corrent.]
Noch betalde ick her Hans Jutlandt , dat he you sijns
jungen rock betalt und geven had von borden , von
floeel ......... ..... f. 5 st. 8.
Den 25 dach in Augusto betalt tAnwerpen von dat
laeken , dat Hermon voer hem , Jan Gerritzon , Oleff,
2 goutsmeden und ander gehaelt hadde , darvon de
somma wasz , nae luyt eins zeduls darvon ontfangen ,
m[aec]t ............ f. 50 st. —.
Den 8 dach in Octobre gereeckent myt Anthoni Fryscobaldi dat ick voer und nae von hem gehaelt hebbe
thot mijns g. h. K. yolk und mijns helm von Bremen,
Claes Hermelynen yolk und dat mijn g. h. desz keysers
denersz , warden, werdinen, junckfrowen geschenckt, ock
thot all vorsz. yolk wambisz, tabberden , borden etc.
und thot mijns kern eygen kleder an gouwen und syden
laeken. Am ersten ein stick gouwen laeken myt goudt
gefrysert, lang 193/4 ellen, de ellen 5 pont 10 sc. ,
m[aec]t .......... X 108 sc. 12 d. 6.
Noch ein stick golden laken gefrysert thot mijns hero
paltrok , lanck 12 1/4 ellen , de ellen 5 pont 10 sc.,
m[aec]t . . ........ X 67 sc. 7 d. 6.
Noch ein stick tolledoer 1) myt ein swarten gront dat 2)
voder under mijns hero tabbert, lang 21 1/4 ellen , de
ellen 2 pont 5 sc. , facit alsvoer . . X 48 sc. 18 d. 9.
I) Tolledoer — toile Tor.
2) Lees: thot.
308
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
Noch tho dat voetkleet 15 ellen swart floel , d'elle
10 sc. 6 d., m[aec]t alsvoer . . . . £ 7 sc. 17 d. 6.
Noch 30 ellen swart sattijn tho mijns hern tabbert,
de ellen kost 8 sc., m[aec]t ....... £ 12.
Noch 37 ellen tanneyt 1) dammask de werdinne und
hoer dochter tAnwerpen, de ellen 8 sc. 6 d. , m[aec]t .
£ 16 sc. 11 d. 6.
Noch 8 ellen Lux floel voer des wartz neve ende 4
clein dochteren , de ellen 15 sc., m[aec]t . . . £ 6.
Noch 17 1/2 ellen Lux floel vor Harmon , Olef, Jan
Gerritzon, de 2 goltsmeden, de ellen 15 sc., m[aec]t . .
X 13 sc. 2 d. 6.
Noch 141/2 ellen tho borden thot Harmon, Pompius und
Jorissen tabbert, de ellen 15 sc., m[aec]t £ 10 sc. 17 d. 6.
Noch 18 ellen dammask swart voer mijns helm werdinne
tho Gent, de ellen 7 sc. 6 d. , m[aec]t £ 6 sc. 15 d. —.
Noch voer die dochter 1 1/2 ellen floel, de ellen 10 sc.
6 d ......... ... X — sc. 15 d. 9.
Noch der junckfrouwen, de mijn g. vrow amme gewest
had , 18 ellen dammask , de ellen 7 sc. 6 d. , m[aec]t
X 6 sc. 15 d. —.
Noch 4 1/2 ellen peertz tolledoer voer mijn g. h. thot
ein wambysz , de ellen 2 pont 5 sc., m[aec]t £ 10 sc. 2 d. 6.
Noch 5 ellen sattijn thot mijns g. h. wambisz, de
£ 2 sc. — d. —.
ellen voer 8 sc. , facit ....
Noch der junckfrow tho Brugge in mijns hern herberge 18 ellen dammask , de ellen 8 sc. 4 d. , m[aec]t
£ 7 sc. 10 d. —.
Noch der dochteren 18 ellen dammask thot ein tabbert,
de ellen 8 sc. , m[aec]t ..... X 7 sc. 4 d. —.
Noch der junge dochtern ein ellen karmosijn. floel . .
X 1 sc. 8 d. —.
Noch 2 ellen gouwen lakens voer 2 nichten van den
huyse , de ellen 2 pont 5 sc., m[aec]t £ 4 sc. 10 d. —.
Noch voer den biscop von Bremen 20 3/4 ellen floel
thot ein rock , wambis , boerden , de ellen 10 sc. 6 d. ,
m[aec]t .......... X 13 sc. 18 d. 10.
'1) Taneit of taneet = bruingeel.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 309
Noch voer Claes Harmelijn ende etlick von mijn her
von Bremens deiners thot wambysz, boerden 56 1/2 ellen
. . .
28 sc. 2 d. 6.
floell , de ellen 10 sc., facit
Noch 'pester Arent levert desz keysers snyer thot Claes
Hermelijns floelen paltroeck und von Jurgen Greyer,
Claes Hermelins deners , einsdels 49 1/2 ellen floeel , daronder 36 ellen tho 10 sc. und 13 1/2 ellen tho 10 sc.
6 d., somma m[aec]t ...... X 25 sc. 1 d. 9.
Noch heft he, mester Arent, in mijn bywesen gelevert
2 stick floels umb mijns g. h. rijtrock , her Anthonius ,
Jacob Rennev und noch wambysz und ander bordering ,
lang... 1), de ellen 10 sc. 6 d., facit in all £ 26 sc. 15 d. 6.
Noch voer mester Steven 26 3/4 ellen floel thot sijn
tabbert und wambis, de ellen 13 sc., m[aec]t £ 17 sc. 7 d. 9.
Noch voer mester Steven 33 ellen swart satijn tot
sijn tabbert , paltrock , de ellen 8 sc. 6 d. , m[aec]t
X 14 sc. 6 d. —.
Noch levert 9 ellen floeel thot tomen [ende] bereytzel
von perden the bekleden, de ellen 10 sc. , m[aec]t.
e 4 sc. 10 d. —.
Noch voer Joris Dyrkzon ende ander gedaen tot rockers
9 sc. 3 d. —.
tho bordieren , facit ..... .
Noch 18 ellen zwart kostlick dammask thot mijns here
9.
tabbert, de ellen 10 sc., m[aec]t ...... Noch 2 ellen floel thot boerden den snyer gedaen , de
ellen 10 sc. 6 d., facit . . . . . £ 1 sc. 1 d. —.
Noch den hoeftneester Muiroen Schenck 20 ellen sattijn,
de ellen 8 sc. 6 d. , m[aec]t . . . £ 8 sc. 10 d. —.
Noch desz keysers doerwarder Jannot 18 ellen dammask ,
de ellen 8 sc. 4 d. , m[aec]t . . . 7 sc. 10 d. —.
Noch voer den kokenmester 10 ellen floel thot ein
paltrok , de ellen 11 sc. , m[aec]t . £ 5 sc. 10 d. —.
Noch voer den selven 4 ellen sattijn, de ellen 8 sc. 6 d.,
m[aec]t, als voer staet ..... X 1 sc. 14 d. —.
Noch voer desz keysers schenck, mijnher von Ytzegem,
ende Philippus von Spangen elx ein satynen tabbert von
18 ellen , de ellen 8 sc. 4 d. , m[aec]t alsvoer. . £ 15.
1) De lengteopgaaf ontbreekt,
310
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
Noch ontvangen 2 stick floeel , die ik desz keysers
ander officiers in presenti von Harmon und Antonius
Nycket schenckte lang 51 1/4 ellen , de ellen 10 sc. 6
m[aec]t .. ..... • • • X 26 sc. 18 d. 2.
Noch den waerdt tho Brugge 20 ellen floel thot ein
tabbert und die wierdinne tho Gent 4 ellen und de
dochter ein ellen , de ellen 13 sc. , m[aec]t .. ...
£ 16 sc. 5 d. —•
Noch von 5 ellen sattijn thot her Antonius wambes,
2 sc. 3 d. 6.
... ....
de ellen 8 sc. 6
Noch voer den graeff von Komijn 18 ellen sattijn , de
X 6 sc. 19 d. 4.
.
.
ellen 7 sc. 8 d. , m[aec]t
Noch 53/4 [ellen] Witt floel thot nlijus kern wambis , de
ellen 13 sc. , facit ....... X 3 sc. 14 d. 9.
Noch 4 ellen dammask , de ellen 8 sc., [maect]
1 sc. 12 d. —.
Somma sommarum ditt vorsz. goet , tho we gen gulden
und syden laken , beloept in all .
f. 3479 st. 10.
[Somma facit 3479 gulden 10 st. corrent.]
Noch betaelt Jeronimo Lamberti tAnwerpen von syden
laeken , dat ick von mijn h. wegen von hem hadt
hebbe , m[aec]t am ersten ein stuck Luyx floel, lang
22 1/2 ellen , thot Harmon [ende] mijn paltrocken , de
ellen 14 sc. , m[aec]t • • • • • X 15 sc. 15 d. —.
Noch ein stuck dammask , lang 36 1/2 ellen , vor den
doctor , de ellen 8 sc., m[aec]t . . £ 14 sc. 12 d. —.
Noch ein stuck floell thot wambisz und borden , lang
23 ellen , de ellen 8 sc. 6 d. , wasz seer slecht ,
m[aec]t ........... X 9 sc. 15 d. 6.
Noch 29 ellen roet tolledoer thot mijns hem wambisz,
her Anthoni wambysz mijns helm und her Anthoni hosen
tho voren und noch ein deel overloepen 1) , de ellen
2 pont 10 sc. , m[aec]t ..... X 72 sc. 10 d.
Noch 12 ellen tafta , de ellen 4 sc. , maect . . .
£ 2 sc. 8 d.
Noch 24 ellen Luyx floel thot mijns hern tabbert oft
Claes Hermelin, de ellen 14 sc., m[aec]t £ 17 sc. 3 d. —.
Overloop = eeii lap, die oNersciiiet.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 311
Noch 5 1/2 [ellen] satijn thot mijns hern wambis , [de
£ 2 se. 4 d. —.
ellen] 8 sc., [maect]
Noch 17 ellen dammask voer mester Philippus , [de
ellen] 8 sc. , [maect] ...... £ 6 sc. 16 d. —.
[Somma facit in all X 141 sc. 3 d. 6, m[aec]t f. 847 st. 11
Den 8 dach Julio rekent myt mester Arnt, desz keysers
sayer, dat he gemaekt hadde : Am ersten ein tabbert
von dubbelt kaffa myt 3 boerden . . . f. 3 st. —.
Noch ein ritrok myt gulden lakes . . f. 5 st. —.
Noch her Anthonius floelen tabbert . . f. 2 st. 10.
Noch her Anthonius gouwen wambis . f. — st. 12.
Noch hern Anthonius ein satijn paltroc. f. 1 st. —.
Noch Claes liermelin ein floelen paltrok f. 2 st. 10.
Noch 10 ellen zwilch 1) . . . . . . f. 2 st. 10.
Noch her Hans Herholt ein floelen tabbert. f. 2 st. 12.
f. — st. 10.
Noch vor hem ein wambis ..
Noch vor hem 1 1/2 ellen tafta. f. — st. 12.
Noch vor hem von tafta ...... f. — st. 16.
Noch des kappellan camelotten tabbert . f. 1 st. —.
Noch Alberden dammasken tabbert . . f. 2 st. —.
Somma facit in. all , dat ick hem betalt hebbe als
voer staet ........... f. 25 st. 10.
[Somma 2) facit 872 gulden 11 st. corrent.]
Noch Albert von Goch deners floelen wambis von maeken
und Albert von Goch sellven von makers, in all . f.1 st. 3.
Den 16 dach Julij betalt mester Jan den snyder von
mijn g. heers gulden laken , sulver, syden und ander
cleyder, oeck von voerlaeken voer mijns hern yolk und
von clein boertfloel, zwylch , kannefasz , lijnwatt in de
wambisz, oeck wat syden laeken, nae luyt sijn zeduls,
daroff von hem ontfangen ...... f. 131 st. 9.
Noch betalde ick Gommer de hosemaker tAntwerpen
'I) Swilligh was een geweven stof, vermoedelijk een soort linnen;
het schijnt veel overeenkomst te hebben gehad met bockeraen of
bougran ; in Placc. van Vlaenderen III blz. 761 leest men : „Bockeraen
van Duytslandt, swillich geheeten". (Mededeeling van Mejonkvr. C. H.
de Jonge, te Utrecht.)
2) Dit is nl. de Somma van de voorgaande f 25 st. 10 en de vroegere
Somma van f 847 st. 1.
312
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
von mijns g. h. und des hoeff yolk von hoesen, nae luyt
eins zedels , de he mijn oeck daervon geven heft, m[aec]t
alsvoer ............. f. 38 st. 1.
Noch betalt von Vincenten floelen wambysz , kappe,
fustein , maken in all betalt . ..... f. 1 st. 12.
Noch von her Anthonius kappe von Timken myt 2
• • • f. 1 st.
borden , facit . .
Noch betalde ick mester Jan desz snyers dener, de
mijn g. h. kler tho Brug brocht und aldar 2 wambysz
voer mijn g. h. makte , von kostgelt , teringe 6 horns
gulden , facit ........... f. 3 st. 12.
Noch den snyder tho Brugge geven von 6 kappen voer
mijn her von Bremens yolk, 9 st. dat stick, noch Albertz
paltrok maeken , boerden , voeren 9 sc. 10 d. , noch
Heinrick desz hofmesters stalknecht und 4 sijn, tho weten
Claes Hermelins deners paltrocken , von maken, voering
und sijn eygen paltrock myt borden , trylysz , kannefasz
kappen , rok , somma
und voer Keppel Kappel ein
in all . . . . , . . . ..... f. 20 st. 3.
Den 12 dach Augusto betalt von 5 wambisz vor mijn
her von. Bremens marschalk und sijn deners und voren ,
in all. ............. f. 6 st. 8.
Noch betalt von Keppel und Peter von. Munschen 2
floelen wambisz von maken ...... f. 2 st. 15.
[Somma facit 206 gulden -3 st. corrent.]
Noch betalt mester Hans Herholt dat he von sijn
paltrock von voren , maken und ein mantel und von
3 ellen floel thot boerden , darvon he uthgeven hadde
f. 16 st. 121/2.
Den 14 dach Augusto noch betalt mester Lambert,
snyder tho Brug , von Hinrick Viichlepell , Vincent und
Claes , her Anthonis deners , von hoer paltrocken von
maeken , von voerlaken , fustein und anders und von
mijns g. h. rocken tho vermaken , in all . f. 12 st. 1/2.
Noch betalt Anthoni Nicket von sijn paltrock von
maken und von voringe und von Michell Han Pollen
kappe und ein clein kapruyn und anders. . f. 4 st. 7.
Noch betalt von desz portiers rock von maken , voeren
1 g. 14 st. , noch von mijns horn tabbert 2 f. , voer
Peter von Wath wambys 15 st. , somma facit f. 4 st. 9.
CHRISTIA.AN II TAN DENEMARKEN,
1520-1523. 313
Den ersten dach Octobris betalt mester Jan de snyeder
noch tAnwerpen von mijns here cleren und von paltroken , kappen , wambysz , foring , kannefasz , trylis und
von ein d[e]l floel und ander tafta , nae luyt sijns zeduls,
de he mijn darvan levert heft , m[aec]t . . f. 52 st. 8.
Den selven dach per uuthgeven , umbdat ick Coen
Janzon up mijns g. h. konings bevell betalt und geven
hebbe 100 copmans gulden van ein jaer, dair mijn g.
beer hem ein b?ieff gaff 5 jaer alle jaer 100 gulden tho
geven , toth so veer he so lang lefde und niet langer
sal he de 100 gulden ontfangen als he left , facit , dat
ick hem nu dat erste jaer betalt hebbe, facit . f. 100 st. —.
[Somma facit 189 gulden 17 st. corrent.]
Noch betaelde ick Wilm Harmons luster 1) up mijn
g. h. K. bevel 80 golden gulden , die hoer mijn g. h.
schenckte umb Goetz will und niet von schuldt, daroff
se mijn hoer obligation also geven heft, facit f. 112 st. —.
Noch hebbe ick Claes Hermelin up mijns hem bevell
voer und nae geven , de he mijn g. h. verrekenen sail
an sijn schuldt 80 golden gulden , m [aec]t f. 112 st. —.
Noch den beldsnyder von Leyen 2), de mijn g. h. in
erden konterfeyten sulde , de Jorysz Dyrkzon voer mijn
beer bestelt hadde , tho teringe geschenckt , dat he mijn
g. h. volcht had up bevel Herman] Wilmzon f. 12 st. —.
Noch hartoch Erick van Brunswijck kock geschenckt 4
golden gulden , m[aec]t . . . . • • • f. 5 st. 12.
Noch den appoteker,, den Joris Dyrkzon uuth den
Haech bestelt had und laeten komen , voer sin teering
schenckt . .... ... .... f. 6 st. —.
4) Bedoeld is Wilm , een zuster van Harmon , nl. van Herman
Willemsz., dus ook een zuster van Sigbrit. — Allen , Breve og Aktstykker
etc. blz. 344 , noot 1 , leidt ten onrechte uit de in bovenstaanden post
voorkomende woorden „umb Goetz will" af, dat Sigbrit's zuster tot den
geestelijken stand behoorde. Be hier bedoelde zuster van Sigbrit
woonde to Amsterdam : zie Allen , De rebus Christiani secundi exsulis
cornmentatio blz. 44 , noot m, en De tre nordiske Rig ers Historie
III' blz. 118.
2) Zie hiervOOr, blz. 270.
314 REKENINGEN YIN POMPEJUS 0000 AAN KONING
Noch Valentijn Maecklelen von Mechelen und mester
Pieter Alamire , de mijn g. h. de kunst solen leren vont
berchwerk , den ersten 50 horns gulden schenckt, den
andern 20 horns gulden, somma m[aec]t . f. 42 st. —.
Noch mester Dyrcken neve , Mathijs Slacheck , de
mijn g. h. de breven brocht , tho teringe , up mijns hero
bevel geven ........ ... f. 12 st. —.
Noch des keysers stalknecht schenckt hailtergelt von
3 peerden , de de keyser mijn g. h. schenckt , geven. .
f. 10 st. —.
Noch Levin de boeden weedwe geven up des konings
bevell . ...... ...... f. 12 st. —.
Noch des keysers koekenjungen schenckt 20 horns g.
und noch de dieners , de voer de taeffelen dent hadden
voer jungen von des keysers yolk , de men and ander
wol had moegen onberen , schenckt 20 horns gulden,
somma facit in all tsamen ...... f. 24 st.
[Somma facit 347 gulden 12 st. torrent.]
Noch den munnick uuth Denmarken , de von Parysz
quam , tho teringe geven ....... f. 3 st. —.
Noch betalde ick junckfrow Katerina von Ermelin
62 gulden up ein obligation , de se von mijn g. vrow
hadde , and up hoer quitantien , de se mijn gaff, . .
f. 62 st. —.
Noch Heinrick Vuchtlepel up Harmons bevel geven
3 golden gulden, facit ........ f. 4 st. 4.
.
Noch 2 lackayen tho schoen und slaepgelt geven f. 3 st. 3.
Noch gaff ick den cappellaen up Harmons bevel .
f. 4 st. —.
Noch betalt Steffen Hoefstain , mijns hern secretari
gedaen up mijns h. bevel umb de breven von mijns g. h.
wegen uth den kansley the krygen 2) , facit 1700 horns
gulden , m[aec]t
........ f. 1020 st. —.
1) Zie hiervO6r, blz. 271.
2) Misschien is de bedoeling, dat deze f 1020 als geschenk of legesgelden werden betaald om de stukken met de beschikkingen van
Karel V ten opzichte van Christiaan II (zie hiervOOr, biz. 268), die op de
kanselarij te Brussel moesten worden uitgevaardigd, in handen te krijgen.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 315
Noch betalt in Antwerpen , als mijn g. h. von hyr
reysde , den porter von sijn teringe von Antwerpen her
und von sijn moyte , in all geven . . . . f. 5 st. —
Noch Hansken geven tho teringe weer nae Brabant .
f. 3 st. —.
Noch betalt der stadt jagers von Harlem , de mijn g. h.
K. 3 stick wylds brochten , schenckt 12 horns gulden,
noch den dener von mijn vrow von Wasner 1) schenckt,
de mijn g. h. brocht ein stick wilds , 5 horns gulden ,
m[aec]t . ........... f. 10 st. 4. 2)
Noch Jacob den tymmerman up Harmons bevel geven
tho teringe ..... ...... f. 12 st. —.
Noch mijn her von Bremen verleyt , do sijn g. erst
quam , facit an syden laken und anders , m[aec]t . . .
f. 158 st. 1.
Noch uuthgeven umbdat Jorysz Dyrkzon von den rentemester ontfangen heft up mijns g. h. breven 3000 gulden ;
noch hadde hem Harmon ein brieff an den rentemester
geven von 300 gulden ; noch hebbe ick voer hem betalt
93 gulden an syden laken und gelt , hyrvon sal he rekening doen , m[aec]t . . ..... f. 3393 st. —.
Noch Anthoni Nicket schenckt up Harmons bevel voer
sijn moyte thot ein floelen paltrock 33 gulden, noch f. 6
teringen ............ f. 39 st. —.
[Somma facit 4716 gulden 12 st. corrent.]
Noch set ick voer uuthgeven umbdat mijn g. h. k.
mijn huysfrow schenckte 100 gouwen gulden thot ein half
dosijn kroesen , als de keyser uns schenckt , facit . . .
f. 140 st. —.
Noch voer uuthgeven umbdat ick den vorsten von
1) Josina van Egmond, gehuwd met Jan van Wassenaar, burggraaf
van Leiden. — Christiaan II heeft, bij zijne terugkomst uit de Zuidelijke
Nederlanden, een bezoek gebracht aan Rijnsburg en Leiden : zie
Kronijk Histor. Genootschap , 4de jaargang (1848) blz. 236-240, en
IJssel de Schepper, Lotgevallen van Christiern II etc. blz. 70, noot 4.
2) Volgt de post, doch doorgehaald : „Noch de wedwe van Levijn
de boede geven up mijns hem bevel .. , . t. 42 st. —.", deze post
staat reeds op de voorgaande bladzijde.
316
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING-
Brunswijk 1) up mijn g. heers bevel betalde 9000 copmans
gulden, darvon ick hoer quitanti hebbe, facit f. 9000 st,
Noch uuthgeven umbdat ick Pieter und Gerbrant de
goutsmede up mijns g. hern bevel und brieff thosecht
heb als mijn eygen schult up Lichtmis 2000 golden guldens, m[aec]t ...... . .
f. 2800 st.
Noch gaff ick mijn g. h. koninck , do sijn genaden
laest uuth Amsterdam scheyd, mede tho teringe an reedt
Belt 2000 golden gulden in gold. und 100 copmans gulden
an stuyvers , facit ........ f. 2900 st.
Noch uuthgeven umbdat mijn Wilm Goudt, des keysers
renternester, kurte an de vijftich duysent copmans gulden,
die ick nu anno 1521 von mijns g. h. wegen myt Harmon
Wilmzon ontfangen hebbe , de mijn here vont hoff an
de 10m gulden von mijns hern wegen schenckt sindt 2),
m[aec]t .......... . f. 1000 st. —.
Noch per uuthgeven umbdat mijn Anthoni Nickett und
Bernt Schellinck de farrier verrekenden von wagenhuyr
[die zij] von begin thot nu tho , den 6 dach in Augusto,
1) De hertogen van Brunswijk , Erik en Hendrik de Jonge , voerden
strijd tegen hertog Hendrik van Luneburg en bisschop Johan van
Hildesheim. De keizer trok partij voor de eersten en deed de beide
laatsten in den rijksban. Ook Christiaan II had verschillende grieven
tegen Hendrik van Liineburg. Karel V verzocht hem voor de uitvoering van den rijksban zorg te dragen , daar hij zelf, wegens den oorlog
tegen Frans I, dit niet kon doen. Christiaan II nu gaf aan de Brunswijksche hertogen , die hij in 1521 in de Nederlanden aantrof, 9000
gulden om daarvoor troepen uit te rusten tegen hunne vijanden. Dit
was echter niet louter gunstbewijs. Christiaan II liet de hertogen
beloven , dat zij , na afloop van hun tocht , hun soldaten zouden overhalen tegen zoo laag mogelijke soldij in zijn dienst te treden; hij
wilde ze dan in Zweden gebruiken. Vgl. Allen , De tre nordiske Rigers
Historie blz. 113, 114, en Ekdahl , Christiern .H's Arkiv biz.
162 —164.
2) De post is niet geheel duiclelijk. De bedoeling schijnt deze aan
de f 50000 (van den bruidsschat) heeft de rentmeester Willem Goudt
mij 11000 gekort ; deze f 1000 komt in mindering van de f 10000,
die Christiaan II aan de „hern vont hoff" heeft geschonken : zie hiervOOr,, blz. 281.
CHRISPIAAN II VAN DtNEMARICEN, 1520 -
1.53. 317
uuthgeven hadden , beyde by des keysers forrier und
hoer, nae luyt de rekeninge , se mijn und Jorysz und.
Anthoni Nicket deden , darvon de somma in all beloept
f. 362 st. 15.
Noch betalt Bernt von wagenhuyr von Brag tho Antwerpen und ein waegen , de von olds dient had , in all
f. 49 st. 19.
Noch betalt Bernt von de wagens uuth Flandern over
tho bringen [voor hetgeen hij] von kostgelt, teringe und
antlers geven had , die somma von . • • • f. 8 st. 6.
[Somma facit 16261 gulden — st. torrent.]
Den 10 dach in Augusto ontfangen von Jannijn van
den Dyke, in bywesen Harmon Wilmzon, Jorysz Dyrkzon
und Anthoni Nickett 2 rekeninge N°. 1 und N°. 2,
darin he uns verrekende he von mijns g. h. wegen uuthgeven heft von kost , dranck etc. , sund den 19 dach
Julij tot den 5 dach Augusto voer de koken , keller,
broet , wasz etc. , nae luyt de rekeningen darvon claer
vermogen , facit in all ...... f. 1607 st. 13.
Noch ontfangen von Jannijn und Jorysz Dyrkzons
broer Wilm ein rekeninge N. 3, dat se uuthgeven hadden
sundt den 5 dach Augusto thot den 12 dach tho, darvon
de somma beloept von kost , dranck etc. f. 459 st. 1/2.
Noch verrekende mijn Jannijn den 21 dach Augusto
an 2 rekeninge, de he mijn leverde , tho we gen W. 4
in Brugge in 6 dagen an kost , wijn und de wijn von
de halve leste rekeninge , darvon de somma isz 896
gulden 6 st. , und de ander N°. 5 in Antwerpen uuthgeven und vertert nae luyt der rekeninge 146 gulden
1 st. , somma facit in all ... ... f. 1042 st. 7.
Noch betalt Jannijn dat he in Antwerpen int scheyden
und in Amsterdam an der koken verleyt hadde na luyt
sijn rekeninge 65 gulden 16 st., noch betalt von broet ,
butter, kruyt , froyt, vysk, pasteyen und antlers 57 gulden
5 st., somma facit in all . ..... f. 123 st. 1.
Noch clein Ariaen den vleyskhouwer betalt von den
ossen, 5 stick wilds, von slaen, tonnen, solten und ander
ongeld , in al up Harmons bevel geven . . f. 8 st. —.
Noch betalt Folker de snyder von laeken, dat Harmon
Wilmzon , nadat mijn g. h. von hyr toech , haelt hadde ,
818 1EKENINGEN VAN POMPEJUS (WOO AAN TONING
dat he von mijns g. h. wegen verschenckt hadde und
vercleet hadde, oeck mijn dener, somma facit na luyt
Folkerden zeel , und von scheren 16 st. . f. 65 st. 16.
Noch schenckt Lucas ein paer hoesen voer sin leste
reysz, bellezyr von her Anthonius wegen m[aec]t f.1 st. 16.
[Somma facit 3307 gulden 13 1/2 st. corrent.]
Den 5 Bach in Octobre schriven mijn de Fuckers, dat
sie her Anthonius von mans here wegen betalt hebben ,
dar he die bartzen 1) von sail laeten maeken, 350 golden
gulden, de ick de Fockers weer betael, m[aec]t f. 490 st. —.
Noch set ick voer uuthgeven umbdat ick den 14 Septembre myt Harmon Wilmzon , 3 deners und de 2 goltsmeden na Antwerpen voer, und verterde behalven dat
Hermon selven uuthgeven heft, de somma van f. 23 st. 10.
Noch betalt ein man von der Gow von 3 tonnen
koytz 2) 2 g. 2 st. , noch Gertgen Kosters geven ein
Philippus gulden , de dat was heft helpen maken , noch
Wilm Duyn voer 2 tonna dubbel bier 2 gulden S st. ,
noch von broet 22 st. , somma facit . . . f. 6 st 17.
Noch hebbe ick up bevel von Harmon Wilmzon by
lange Jan de boede in Tessell sandt dat yolk, tho wegen
de tymnerluyde, travanten, caplan und ander 3), de Hermon
oversandt und by gebreck von windt in Tessel verterden
dat ick hem sandt 18 gulden ; noch had hem Albert von
Goch verleyt 12 golden gulden , somma 34 gulden 16
st. ; noch betalde ick lange Jan umbdat he dat gelt in
Tessel brocht von 5 daegen 7 st. des dachs , facit in
all .
... ........ . f. 36 st. 11.
[Somma facit 556 gulden 8 st. corrent.]
Somma sommarum facit in all mijn uuthgeven sundt
4) Barse, bardse, baerdse = een oorlogsschip, een soort van jacht ,
dat veel zeil voerde en ook kon worden geroeid. Bij Hapke, Niede).andische Akten und Urkunden etc. I blz. 626-628 komt „barsse"
voor in de beteekenis van: haakbus, vuurroer. In onzen tekst zullen
wel scbepen bedoeld zijn, al schijnt de som voor den bouw daarvan
niet groot.
2) Coyt, coyte, keute = een soort van bier.
3) Zie hiervOOr, blz. 271 , over allerlei menschen, die Christiaan IT
in zijn dienst nam.
CHRISTIA.A.N II VAN DENEMARKEN,
1620-1523. 310
dat mijn genadigeste beer koninck hyr in dese landen
ysz geweest , als hyrvoer in dese rekeninge N°. B an
15 blaeden claer staett , facit ses ende dartich duysent
negenhondert sevenendetwintich copmans gulden ende acht
stuyvers 1), ysz 36927 gulden corrent 8 st.
Somma sommarum facit in all mijn uuthgeven , so ick
Pompius Occo gedaen hebbe von wegen mijus allergenadigesten here koningk von Danmarken etc. sundt den
27 dach Aprill anno XVc twintich thot nu tho , den
lesten dach Novembris anno een ende twintich , als
hyrvoer in der rekeninge N°. A getekent, darvon die
somma zeven ende lftich duysent twehondert ende vijff
copmans gulden elf stuvers , and de ander rekeninge
N°. B getekent , darvon die somma ysz zes ende dartich
duysent negenhondert ende seven ende twintich copmans
gulden , acht stuyvers corrent , somma maeken beyde
rekeningen tsamen uuthgegeven die somma von vier ende
tnegentich duysent hondert twee ende dartich copmans
gulden negentijn stuyvers , twintich stuyvers voer den
gulden gerekent , alle ding thot goeder rekeninge. Oft
ick tho veel oft tho weynich sett hadde 2), sal mijn niet
thot profijt noch schaede komen. Laus Deo.
So ysz mijn ontfangh , so ick Pompeius Occo von wegen
der konincklicke mag. t vorsz. gedaen hebbe :
Am ersten anno XVc ende twintich hebbe ick myt
her Anthonius van Metz uuth handen van Wilm Goudt
1) Zie de toevoeging van Pompejus Occo aan het slot van rekening
I), waaruit blijkt dat hij zich bij deze optelling weer verrekend heeft
en dat het bedrag moet zijn: f 36956 st. 14 V2.
2) Deze in rekeningen gewone formule is bij Occo meer dan een
formaliteit ; wij gaven hiervOOr (blz. 276 en 277) enkele staaltjes van zijne
rekenfouten en kunnen verzekeren , dat zij door de heele rekening
peen of en toe voorkomen. Zoo er dus iemand gevonden mocht
worden, die de „somma's" na mocht willen rekenen, kunnen wij hem
rijke vruchten van dezen arbeid beloven 1
320
REKENINGEN VAN POMPEJITS OCCO IAN KONING-
als rentemester und vane wegen der key. mag. t den
twalften dach Septembris ontfangen vijftich duysent coepmans gulden, de up sandt Jans verschenen waren vant
huylickgoet myner g. vrouw konninginne. Meer anno
een ende twintich in Augusto ontfangen myt Harmon
Wilmzon uuth handen [van] Wilm Goudt , rentemeester
vorsz. , von key mg.t wegen vijftich duysent coepmans
gulden, die up sandt Jan anno XXI verschenen waeren,
oek vant huylickgoet myner genadigesten vrouwen vorsz.
Somma facit mijn ontfanck in all von beyde jaeren
hondert duysent coepmans gulden , twintich stuyver voer
den gulden , in somma dat mijn ontfanck meerder ysz
dan mijn uuthgeven die somma van vijff duysent achthondert seven ende tsestich coepmans gulden, ein stuyver,
welke 5867 gulden 1 st. ick mijn g. h. k. vorsz. hyr
schuldich blijff ende hyrnae verrekenen sail. All ding
thot goeder rekeninge ende thot Goeds eere , amen.
Noch hebbe ick anno 1520 uuth handen van her
Authonius von Metz und Harmon Wilmzon ontfangen die
somma van acht duysent coepmans gulden, dar ich mester
Jurgen Schotborch sijn confirmation mede betaelen sulde 1),
dar ick ein merklick somma von betaelt und uuthgeven
hebbe, und van den rest oek mijn g. h. K. von Danmarken oft sijn mg. t volmachtigen oek rekeninge van
doers sail. Got ende die Hillige Drievoldicheit sy altijt
geloft , amenn.
N°. C.
Jesus Maria 1522 den 16 dach in Decembre. Staet
hyrnae wat ick P. Occo uuthgeven hebbe sundt dese
vorsz. leste rekeninge , the weten den lesten dach
van Novembre 1521.
Anno 1521 den . .. . 2) dach in Novembre set ick voer
1) Vgl. hiervOOr,, blz. 261 en 263.
2) Is in het hs. opengelaten.
CIIRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 321
uuthgeven , umbdat ick sundt lester rekeninge Koen
Janzon betaelt hebbe up Harmon Wilmzons bevell von
ein vernjaers syner pentzion 1), up Allerheylgen verschenen,
facit . . . ......... . f. 25 st. —.
Den 20 dach in Novembre betalt den Fuckern up hoer
schriven 102 ducaten und 16 sc. in golden, die sy mester
Paulus Andree 2) up des konings schriven betalt hadden,
facit . • • • ......... f. 205 st. 2.
Den 7 dach Januari 1522 betalt schipper Lasinan per
Dyrk Martzon Moy up Sybrech Wilms schriven , facit
120 golden g. . . . . ..... f. 168 st.
Den 4 in Februario reysde ick in den Haech van des
Ko. wegen , verterde in 5 dagen . . . . f. 4 st. —.
Meer betalde ick schipper Gerrit Jacobzon von Rarop 3)
up Sybrech Wilms schriven 160 golden gulden , facit. .
f. 224 st.
Meer geven ein boeden , den Hans Camper, des konings
ambassate na Campen , an juncker Johan 4) sandt , facit
f. 2 st. 8.
Meer betalt lange Johan van ein reysz in Brabant ,
daer hem gemelte Hans Camper an her Anthonius gesandt
had , was 15 dagen uuth und was vertert 8 st. des dachs,
f. 6 st.
Mer per uuthgeven umbdat mijn Sybrech Wilms schrijft,
sy van Jurgen Frygman ontfangen had 10 golden g. ,
........ f. 14 st.
die hie myn was ,
Meer betalt mester Quintijn die maeler 5) tAnwerpen
van mijns g. h. ko. ansicht tho conterfeyten, als ick anders
niet weet .. ........ • • f. 20 st.
Den 23 Februarij reysde ick myt ein dener, myt Joris
'1) Vgl. hiervOOr,, blz. 313.
278,
Poul Andersen : zie hiervOtir,,
2) Meester Paulus Andree
noot 4.
3) Rarop = Ransdorp.
4) Nl. jonker Johan von Esens (zie hiervOOr, blz. 278, foot 6). Ifij was
ook in het voorjaar van 1522 in de Nederlanden om troepen voor Christiaan
s Arkiv I blz. 188-195.
II to werven; vgl. Ekdahl, Christiern
5) Nl. Quentin Metsijs : zie hierveoir,, blz. 271.
Bijdr. en Meded. XXXVI.
21
322
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN IRONING
Dyrkzon myt sijn 2 deners , nae Brabant , Mechelln ,
Gent , Brug , Antwerpen umb die handfesten ende wylkorn
vorsz• 1) tho laeten schriven , als sy den Kon[i]ng geloft
hadden , in somma waren 3 weken uuth ; noch den
schryvers tho Gent betalt von de boken tho schriven 8 oft
10 Philippus und Joris gedaen 12 Philippus , umbdat he
nae Mecheln reysde , somma in all uuthgeven die somma
f. 99 st. —.
Meer voer uuthgeven , umbdat ick Joris Dyrkzon ende
mijn diener elk ein paltrock gaff, tho weken elk 5 ellen
lakens, kosten ........ . f. 14 st. 71/2.
Den 8 dach in Martio betaelt Aryaen van Dam ,
procuroer van den Hove van Hollandt ende den advocaet
vant proces 2) , dat Peter Buck van mijns h. ko. wegen
zegens die van Swol ende Zyrichse gefoert hadde , • •
f. 17 st. —.
Meer betalt schipper Paull van Campen up , Sybrech
Wilms schriven de somma van 100 golden g. , de he
tho Coppenhaven betalt had , . . . . f. 140 st. —.
Den 28 dach in April' betalde ick Jan Bruyn von 12
tonna bussenkruyt , die Harmon Wilmzon van hem koft
ende myt noch 5 ander tonna kruytz nae Coppenhaven
sandt , die voer betaelt waeren , beloepen dese 12 tonnes
f. 252 st. 9.
Meer set voer uuthgeven umbdat ick den Fuckers betalt
hebbe van 3 eygeu posten , die sye voer und nae von
dat ertzbiscopdom tho Lunden nae Roem gesandt hebben
up mijn schryven , dar sy voer uuthgeven hebben 171
golden g. ; weer betalt 250 gulden van dat se in Rom
betalt hadden mijns hero procurators , mer 50 ducaten
van ein post , die ick uuth Brug nae Roem sandt up
mijns hero schriven , somma facit in all . f. 544 st. 12.
1) „Vorsz.” is niet op zijne plaats; zij waren nog niet genoemd. Zie
verder hiervOOr, blz. 272-273.
2) In het archief van het Hof van Holland is — blijkens een onderzoek , dat Dr. Lasonder,, archivaris aan het Algemeen Rijksarchief te
's-Gravenhage , de goedheia had voor mij in te stellen — niets over
het proces tegen Zierikzee aan te treffen; dat tegen Zwolle kan niet
voor het Hof van Holland zijn gevoerd.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 323
Meer hebbe ick betalt boedenloen voer and nae van
breven haestech to bestellen twischen ditt l) and Antwerpen,
Mechellen. . .
f. 11 st. 16.
......
Meer sandt an Sybrech Wilms dochter ein tabbert
laken van swart Engelsck , kost and hoert voer Albert
van Hogendorp 2) ..... ... . . f. 9 st. 5.
Den 13 dach Martii geven juncker Jan van Esens
100 golden gulden tho teringe , do he hyr umb die
knechten quam ende Hans Camper 20 golden g., lifer hoer
dener namals tho teringe daen up Harmons bevell 2
gulden corrent, somma ....... f. 170 st.
Den 7 dach in Mey geven Lucas die boede van ein
reys , dat hem her Antonis myt des keysers mgt.
breven in Denmarken gesandt hadde , darvon hem quam
f. 16 st. 16.
Meer betaelt Koen Janzon van ein verndell jaers van
sijn pention , up Mey verschenen , facit . f. 25 st.
Neer betaelt van ein groeten brouwketell , den ick
up Harmons bevell liet maeken , woech 1104 pont ,
kost myt drinckgelt , koeper, ongelt. . . f. 161 st. 6.
Den 28 dach in Junio betalt hern Anthonius van Metz
200 copmans gulden tot teergelt , dar he up Harmons
bevel merle toech ... • ..... f. 200 st.
Den 5 dach Julij betalt van ein bont 3) breven , [die]
van Roem quemen , boedenloen 9 ducaten , facit . .
f. 18 st. —.
Meer betalt den brouwerknechs , do sye nae Delft
reysden , tering ...... .... f. 2 st.
Den 17 dach in Novembre betalt mester Nicolaus
Tezonis , desz biscop von Roschild neve 4), up Sibrech
1) Ni. Amsterdam.
2) Albrecht von Hondorff of Hohendorp hiervOOr,, o.a. blz. 302, is hij
bedoeld met „Albert, mijns hem kamerling" — stond als kamerheer
in dienst van Christiaan II; hij volgde hem later in zijne ballingschap
en komt o.a. voor bij het hofpersoneel to Lier : zie Allen, .Breve og
Aktstykker etc. blz. 313 en 407, noot 2.
3) Bont
bundel.
4) Zie hiervOOr, biz. 285, noot 2. Het is niet zeker, of in den tekst
Tezonis of Tezoms staat.
324
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
Wilms schriven 60 golden gulden to 28 st. . f. 84 st. —.
Meer betalt Koen Janzon van 2 verndel jaers , sandt
Peter und Allerheylgen verschenen , facit 50 gulden ,
m[aec]t ............ f. 50 st. —.
Meer betalt, hem Anthonius van Metz up Harmon
Wilmzons bevel to tergeld 250 copmans gulden, m[aec]t
f. 250 st. —.
Meer uuthgeven umbdat ick den 25 dach July myt
ein dener up schriven mijns g. h. Ko. von Denmarken
tho Dordrecht an mijn g. vrow Margarieta etc. reysde
umb ein deel gelds tho maenen und ward den 6 dach
in Augusto myt her Anthonius van Metz gefangen 1)
ende nae Fuylforden gebrocht , dar wy weren thot den
17 dach Novembris, vandaer wy voeren selff 4 de na
Gent an mijn g. vrowe etc., und van daer nae Hollandt , Amsterdam , daer wy den 25 dach Novembris
quamen ende hadden myt 2 deners up die reys vertert
ende ander onkosten uuthgeven 61 pont Vlaems , darvon
WY up dat slot an kostgelt voer ons ende once gasten
vertert hadden 26 pont ende an wjn in die Valk gehalt
'I) Vgl. hiervOOr, biz. 261— 263. Allen , De ire nordiske Rigers
Historie III' blz. 461, noot 37, wijst er op , dat 6 Augustus een
verschrijving moet zijn; immers, er is een brief van Anton van Metz
aan Christiaan II, d.d. Dordrecht 7 Aug. 1522 (men kan dezen vinden
bij Ekdahl, Christiern If s Arkiv blz. 275-281; de brief is daar ten
onrechte uit „Dorpt", in plaats van uit „Dordt" gedateerd), waarin hij
nog niets over zijne gevangenneming bericht. Intusschen kan de fout
ook bij Ekdahl liggen , wiens uitgave op laag peil staat. Ik
merk verder op , dat men bij Ekdahl t. a. p. blz. 306-312 ook een
brief van Anton van Metz aan Christiaan II vindt , door Ekdahl gedateerd Brussel , 26 Sept. 1522, waarin men eveneens niets leest over
de gevangenneming. De brief zelf heeft als datum „udhi Bryssel , then
fredagh effter Sancti mathei dagh, anno MDXXII". Vermoedelijk heeft
men hier to doen met de zoo vaak voorkomende verwarring van
Mathias-dag (24 Febr.) en Mattheus-dag (21 Sept.); ik neem aan , dat
hier Mathias-dag bedoeld is , zoodat de brief op 28 Febr. 1522 moet
worden gesteld. Dat Occo zich ongeveer een paar maanden in den
datum zou vergissen , is onwaarschijnlijk , ook omdat hij 25 Juli noemt
als den dag zijner afreis naar Dordrecht.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 325
13 pont ende noch tho Mecheln an wijn ende anders
gehalt 4 pont 10 sc. 10 d. , mer den deners , die ons
deaden , geven 2 pont ende voertz tho bellezyr geven
3 pont. Somma ysz 50 pont , rest 11 pont up die reys
vertert and ander onkosten van holt und anders uuthgeven , facit in all . ....... f. 366 st.
Meer betalde ick mester Pieter Alamire tho Mechellen 1)
up Harmon Wilmzons bevel 40 golden g. , up rekeninge,
die Steffen Hofstain von h.em tho mijns g. b.ern behoeff
f. 56 st. —.
halt hadde voer 2 jaeren, .....
Den ersten dach van Decembre betalt Jan van Lingen
umbdat he an 4 reysen , die bye int hoff van onsent
wegen reyst ende verfolcht hadde , dar he in als by
7 weken reyst hale, vertert ende verfaeren nae luyt
syner rekeningen . ........ f. 49 st. 1.
Meer hebbe ick die abdysse van die Clarissen , van
dat mijn g. h. Ko. heur 'beloefder thot ein horde van
kassuffel 2), up Sybrech Wilms schriven betalt 60 copmans
g. m[aec]t . .. ........ f. 60 st. —.
Meer set ick voer uuthgeven umbdat ick Jan Bruyn
Sundt den ersten dach van Mey thot nu tho betalt hebbe
an meer perselen up dat bussenkruyt , dat hem Harmon
Wilmzon bestaldt heeft , twelk he noch leveren sail , de
f. 4000 st.
somma van . ...... ..
Den 15 dach in Decembre betalde ick Wolther van
Weze, des ertzbiscop van Lunden broeder 3), up Harmon
Wilmzons bevel die somma van 928 copmans g. an Philippus ducaten etc., facit ...... f. 928 st. —.
Meer sett ick voer uuthgeven umbdat ick Harmon
1) Vgl. hiervOOr,, biz. 271 en 314.
2) Borde van kassuffel = randversiersel voor een casuifel , een
misgewaad.
3) Walther van Weze was een broeder van Johan Weze of Johannes
de Weza , die vroeger werkzaam was geweest aan de Pauselijke Curie,
later secretaris werd van Christiaan II en in 1522, na de terechtstelling
van Diederik Slagheck (zie hiervOOr, blz. 264), door den Koning tot aartsbisschop van Lund werd benoemd. Hij kreeg echter nooit de confirmatie van den Paus. Later trad hij als diplornaat in dienst van
Karel V (Danmarks Riges Historie III blz. 237).
326
REKENINGEN VAN PUMPERS OCCO AAN KONING
Wilmzon Sundt lester rekeninge an gelde geven hebbe
ende van sijnt wegen up sijn bevell verleyt, nae vermeldinge die rekenynge , ick hem daervan gedaen hebbe,
daervan die somma beloept meer dan ick van sijnt wegen
ontfangen hebbe , facit ..... f. 2006 st. 181/2.
[Somma facit f. 7043 st. 191/2.]
Somma sommarum ys in all mijn uuthgeven van dese
rekeninge N°. C , als hyrvoer an dese 2 blaeden claer
staet van post to post , die somma vann tijnduysent twehondert vijff ende twintich gulden corrent ende ein stuyver,
facit alsvoer . . . . . ..... f. 10225 st. 1.
Laus Deo 1522.
Somma ysz mijn uuthgeven van dese leste rekeninge
als voer staet in all 10225 f. 1 st. corrent, daeran sail
ofgaen 5867 f.. 1 st. , die ick den ko. mg. t in der lesten
2 rekeningen N°. A, B schuldich bleeff anno 1521 , als
hyrvoer claer staett , ende gaet noch off 73 f. 18 1/2 st.
corrent , die ick van der k. mg. t wegen van den Fuckern
van tollen ontfangen hebbe vant jaer 1521, in somma
dat mijn uuthgeven meer ys dan mijn ontfangen ende
dat ick schuldich bleff die somma van 4284 f. 2 1/2 st.
corrent , dewelke mijn g. h. ko. mijn up datum by sloete
deser rekeninge schuldich blijft, nae vermeldinge deser
3 rekeningen , welke schult ick sail kurten an dat gelt ,
so ick noch per rest hebbe van die 8000 gulden corrent 2),
ick voer 2 jaeren van der Ko. Werden factoren here
Anthonius van Metz ende Harmon Wilmzon ontfangen
hebbe thot behoeff van mester Jurgen Schotborchs confirmatien vant ertzbiscopdom van Londen , Baer ick up
mester Jurgen schriven and K. W. bevel voer merklick
somma uuthgeven hebbe, nae vermeldinge eener rekeninge,
ick mester Jurgen darvon gesandt hebbe. In somma
darin den rest kurte, alle ding thot (coeds eer ende goede
rekeninge. Laud Deo.
1) Zie hiervOlir,, biz. 320.
2) Zie hiervOcir,, biz, 320,
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 327
N°. D.
Jesus Maria 1523. Stat hyrnae , wat ick uuthgeven
hebbe sundt 'ester rekeninge vorsz. ende niet verrekent ysz , als naet staet.
Am ersten set ick voer uuthgeven umbdat ick Wolther
van Wese up mijns g. h. ko. schriven und Harmon
Wilmzon bevel! noch overschreeff den 23 Decembre, dat
he in Antwerpen von mijn wegen ontfen.ck , de somma
van 572 gulden corrent . . . . . . f. 572 st. —.
Meer betaelde ick doctor Alexander, do he nae Engellandt voer 1), up mijns g. h. ko. schriven und Harmon
Wilmzons quitanti die somma van 400 copmans gulden ,
m[aec]t ... ......... f. 400 st. —.
Meer betaelde ick und sandt Harmon Wilmzon by
Lijsbett Reyers 40 copmans gulden , die he mijns hern
steenhouwers wijff gaff; mer betaelde ick Anthoni Nickett
van teringe , ongelde, he van onsen wege tho hoeff uuthgeven hadde und voir sijn moyte , in all 18 gulden
corrent , facit .......... f. 58 st. —.
Meer set ick voer uuthgeven , umbdat is min g. her
Ericus Walkendorp, Ertzbiscop van Dronthen 2), saliger
1) Over Dr. Alexander Kinghorn's zending naar Engeland en Schotland
in '1523 : vgl. Allen , Breve og Aktstykker etc. blz. 35 , 52 , 67.
2) Erik Valkendorf, aartsbisschop van Throndhjem , had zich den
haat van Sigbrit op den hals gehaald en viel in ongenade bij Christiaan II.
In 9 521 besloot hij naar Kopenhagen te gaan , om zich bij den Koning
en den Rijksraad te verdedigen tegen de aanklachten zijner vijanden.
Door storm werd zijn schip naar de kust van Holland gedreven. Zoo
kwam hij te Amsterdam in 't laatst van Juni 4521, vlak voordat
Christiaan II zelf daar kwam. De Koning wilde hem eerst gevangen
laten nemen , maar de Amsterdamsche magistraat verzette zich daartegen. Een onderhoud tusschen den Koning en den aartsbisschop
bracht geen toenadering. Na Christiaan's vertrek uit Amsterdam
ging Erik Valkendorf spoedig naar Utrecht. Hij besloot recht te gaan
zoeken in Rome , en vertrok daarheen in November 1521. Daar hij
geen geld had voor de reis, leende hij van Pompejus Occo 133 goudguldens; blijkens bovenstaanden post vond Christiaan II goed, dat
deze som op zijne rekening werd overgeschreven, omdat de Voogd te
328
REKENINGEN VAN POMPEJUS OCCO AAN KONING
dachten, schuldich bleeff 1) nae vermeldinge syner genaden
handschrift , 133 golden gulden und 12 1/2 st. ; meer betalde ick vracht von 2 rinnen 2), die leech weder over
quemen , de somma van 48 copmans gulden , somma
facit 234 copmans g. 16 1/2 st. , Welke somma mijn g. h.
ko. thovreden was voer 2 jaeren, doe de Ertzbiscop vorsz.
na Roem toech , dat ick dat an syner mg. t rekeninge
stellen sulde und dat sijn g. Voecht dat weer tho Bergen
ontfangen sulde , facit als voer staet . f. 234 st. 161/2.
Meer set ick voer uuthgeven umbdat mijn g. h. ko.
mijn den XX ten in Alley in Mecheellen 3) ein genneraell
quitanci gaff van all mijn ontfanck ende uuthgeven und
van all mijn handelinge , ick van syner ko. mg. t wegen
thot desen Bach tho gehadt hadde und schenckte mijn
uuth sonder genade und guest dusent gouwen gulden in
golde, die ick sijn genaeden ongevarlick schuldich mochte
wesen per rest nae vermeldinge vorsz. vier rekeningen ,
somma maecken dese vorsz. dusent golden g .....
f. 1500 4) st. —.
[Somma facit 2764 gulden 16 1 /2 stuyver.]
Somma ysz mijn uuthgeven van deser 'ester rekeninge
Bergen ze weer zou kunnen invorderen. Bovendien leende Valkendorf
van burgemeesteren van Amsterdam 147 goudguldens, waarvoor hij
boeken, kleedingstukken , een reiskapel, eenig zilverwerk enz. te pand
gaf, die sedert te Amsterdam bewaard werden in het Karthuizerklooster.
Te Rome overleed Valkendorf in November 1522. Zie over dit alles
uitvoerig : Allen , De tre nordiske Rigers Historie III 2 blz. 117-426.
1) Occo verschrijft zich hier; niet hij , maar Valkendorf bleef de
som schuldig.
2) Wat dit woord hier beteekent , weet ik niet. De eenige in de
woordenboeken voorkomede beteekenis , die hier zou kunnen passen ,
nl. kooi , is toch niet waarschijnlijk.
3) 1 Mei 1523 landde Christiaan II, na zijne vlucht uit Denemarken,
te Veere. Daar bleef hij acht dagen op het huis Sandenburch , bij
Adolf van Bourgondiê , admiraal van Vlaanderen. Deze begeleidde hem
vervolgens naar Mechelen , waar landvoogdes Margaretha vertoefde.
Vgl. Reygersbergen, Chronijek van Zeelandt (ed. Boxhorn) blz. 408-409.
4) Oorspronkelijk heeft er gestaan f 1400 , welk bedrag juist is, want
een goudgulden = 28 stuivers. Later is er f '1500 van gemaakt.
CHRISTIAAN II VAN DENEMARKEN,
1520-1523. 329
N°. D die somma van 2764 gulden ende 16 1/2 st. corrent
ende nocht 4284 gulden 2 1/2 st., die mijn g. h. ko. mijn
an die leste rekeninge schuldich bleff. Noch hebbe ick
uuthgeven umbdat ick mester Jurgen Schotborch voer 3
jaeren an goet 1) gesandt hebbe und van sijn wegen uuthgeven , daer ick hem claer rekeninge van gesandt hebbe,
die somma van 906 gulden 19 st. Meer so rest up
datum den 12 Junij noch an gelde per rest, ick mijn
g. h. ko. schuldich blijff, 44 gulden 2 st., daer ick noch
etlick glaesen , waepenen und antlers mede betalen sail.
In somma facit in all 8000 gulden corrent, die ick boven
die hondert dusent gulden ontfangen hadde von mijns
g. h. K. ambassaten, als voer 2) staet, und isz mijn ontfang
und uuthgeven gelijck. Alle ding thot Goeds eer ende
goede rekeninge facit.
In die somma van N°. B 3) hebbe ick mysrekent in
der somma van 36927 gulden 18 st. ende sail sijn
36956 gulden 141/2 st. ; somma dat mijn van de rekeninge kompt tho goede 28 gulden 16 1/2 st. ende dat
wel doerseen.
POMPIUS Occo.
1) Er kan ook staan : golt.
2) Zie hiervOOr, blz. 320.
3) Zie hiervOOr, blz. 319.
(Rijksarchief to Kristiania. -- Signum H N°. 553, 1523 .)
ERRATA.
Blz. 45 , kol. 2, regel 11 v. o. : te Rauwert. Hier bij
te voegen noot 4: Waarschijnlijk in Westdongeradeel
en niet in Rauwerderhem.
Blz. 70, regel 2 en 3 v. o. : Be opgaven bij Zand(t)
en Zanderveen moeten omwisselen.
tITGAVEN
VAN HET
HISTORISCH GENOOTSCHAP TE UTRECHT.
(De met een * geteekende deelen zijn uitverkocht.)
KRONIJK. 1848-1875.
jaargang') f (5.-) 1.50. 17 e jaargang . f (5.80) 4.50.
jaargang. - (2.70) 1.50. 18e jaargang . - (6.60) 4.50.
* 4 e jaargang. - (3.70) 2.50. 19 e jaargang . - (7.40) 2.-.
5 e jaargang. - (6,-) 2.50. 20 e jaargang . • (7.20) 2.-.
6e jaargang. - (6.-) 2.-. 2P jaargang . - (7.60) 2.-.
*7e jaargang. - (6.40) 3.-. 22 e jaargang . - (7.20) 2.-.
8e jaargang. - (5.80) 3.-. 23e jaargang . - (9.20) 2.50.
* 9 e jaargang. - (6.80) 3.-. 24e jaargang . - (9.40) 2.50.
*10e jaargang. - (6.80) 3.-. 25 e jaargang . -(40.70) 3.-.
ll e jaargang. - (3.20) 4.-. 26e jaargang . - (8.00) 2.50.
12 e jaargang. - (3.60) 1.-. 27e jaargang . - (8.20) 2.50.
13e jaargang. - (4.80) 1.50. 28e jaargang . - (6.20) 2.50.
14e jaargang. - (5.10) 1.50. 29e jaargang . - (8.30) 2.50.
30e jaargang . -(10.30) 3.-.
I 5 e jaargang, - (4.60) 4.50.
16e jaargang. - (5.90) 1.50. 31 e jaargang . - (8.40) 2.50.
2e
3e
BERIGTEN. 1848-1863.
l e deel. l e stuk. f(3.40) 1.50. *4e deel. 2 e stuk. f (2.50) 4.50.
l e deel. 2 e stuk. - (2.20) 1.50. *5 e deel. l e stuk. - (3.20) 4.50.
5 e deel. 2 e stuk. - (2.50) 4.-.
2 e deel. l e stuk. - (2.20) '1.50.
* 2 e deel. 2e stuk. - (3.80) 3.80. 6e deel. P stuk. - (2.50) 1.-.
6e deel. 2 e stuk. - (2.10) 1.-.
3 e deel. l e stuk. - (3.-) 1.50.
*3e deel. 2 e stuk. - (3._) 1.50. 7 e deel. l e stuk. - (5.50) 4.50.
*4 e deel. l e stuk. - (3.-) 2.-. 7e deel. 2 e stuk. - (6.50) 2.50.
CODEX DIPLOMATICUS.
* E E R S T E SERIE. (I N
4°) 1848. 1 deel. M. 9.60 # 5.20.
TWEEDE SERIE. (IN 8°)
deel. 2 e afd. f (3.40) 1.50.
deel. P afd. - (3.10) 4.50.
4 e deel, 2 e afd. - (5.20) 1.50.
5e deel . . . -(12.00) 4.-.
6e deel . . . - (1.20) 4.-.
*l e
3e
*L e
4e
deel. l e afd. (3.75) 2.50.
deel. 2 e afd. - (3.10) 2.50.
*2 e deel. P afd. - (6.20) 3.50.
*2 e deel. 2e afd. - (3.20) 2.-.
3e deel, l e afd. - (6.50) 2,-.
1852-1863.
1) De eerste jaargang is niet in druk verschenen.
IIIJDRA GEN EN MEDEDEELINGEN. 1818-1914.
(5.20) 2.50. 19° deel
. f (5.25) 2.75.
- (5.20) 2.50. 20e deel
. - (3.25) 1.75.
- (5.20) 2.50. 21 e deel
. - (4.50) 2.25.
- (8.80) 4.-. 22e deel : . - (4.90) 2,50.
- (5.40) 3,-. 23e deel
5e deel
. - (4.90) 2.50.
- (6.-) 6,-. 24e deel
*6e deel
. - (5.25) 2.75.
- (5...) 5.-. 25e deel
7e deel
. - (5.90) 3.-.
- (3.60) 3.60. 26e deel
*8e deel .
. f 4.50.
- (MO) 3.25. 27 e deel
.
9e deel
. - 6.50.
.J
- (5.80) 0.-.
28e deel
10' deel
. - 6.50.
- (6.60) 3.50. 29e deel • • •
1 1 e deel
. - 5.25.
- (4.10) 2.25. 30e deel
12e deel
. - 5.50.
- (5.-) 2.50. 31 e deel
13e deel
. - 6.-.
- (3.80) 2 -. 32e deel .
14e deel
. - 5.50
- (4.90) 2.40. 33e deel
15 e deel
. - 5,75.
- (4.75) 2.50. 34e deel
16e deel
. - 6.50.
17e deel . . - (4.-) 2.-. 35 e deel
. - 3.00.
- (5.75) 3.-.
18e deel .
l e deel
f
2e deel .
3e deel
4e deel
REGISTER
op de Kronijk van 1846-1854. 1857.
f
(5.80) 1.50.
REGISTER op
de onderwerpen , behandeld in de
Kronijk , de Berigten en. den Codex diplomatieus (1877). .. ........ - (1.80) 1.50.
WERKEN.
NIEUWE SERIE.
1. Annales Egmundani ..
. . f (1.20) 4.-.
2. Verbaal van de ambassade naar Engeland.
1685 ..
- (1.80) 1.-.
3. Memorien van Roger Williams
- (2.10) 1.-.
4. Kronijken van Emo en Menko . • • • - (3.70) 1.50.
5. HORTENSIUS , Opkomst en ondergang van
Naarden ...
- (4.50) 1.50.
6. Kronijk van Holland van den Clem uten
laghen landen bi der see . . • • • • - (2.30) -I.-.
7. Kronijk v. Eggerik Egges Phebens. 1565-1594 - (2.40) 'I.-.
8.
VERWIJS , De oorlogen van Albrecht van
Beieren met de Friezen ....... - (9.80) 2.50.
9. Verbaal van de ambassade naar Denemarken, enz. 16`25. ....... - (2.30) 4.-.
10. Verbaal v. d. ambassade n. Engeland. 1625 . - (1.90) 1.-.
11. Brieven van J. Wtenbogaert. I. (1584.1618) - (4.00) 1.50.
12. Brieven v. J. Wtenbogaert II 1. (1618 . 1621) - (2.80) I.-.
13. Memorials of P. P. J. Quint Ondaatje . . - (4.00) 1.50.
14. Verhooren van Hugo de Groot . . . . f (4.80) 2.----.
15. Brieven v. J. Wtenbogaert. II 2. (1621-1626) - (5.50) 2.-.
16. Memori6n van Cornelis Pieterszoon Hooft. - (4.90) 2.-.
17. Brieven v. J.Wtenbogaert. III I. (1626-1627) - (6.50) 2.-.
18. Onderzoek omtrent de Middelburgsche beroerten van 1566 en 1567. . . . . . - (3.40) 4.50.
19. Brieven v. J. Wtenbogaert, III 2. (1628-1629) - (8.20) 2.50.
20. Brieven v. Joh. Wtenbogaert. III 3. (1630). - (6.10) 2.-.
21. De rekeningen der grafelijkheid van Holland. I..
(5.80) 2.50.
• • ...
• • ....
22. Brieven v. J. Wtenbogaert. III 4. (1631-1644) - (4.50) 1.50.
23. Journaal van Constantijn Huygens den
zoon. 1688-1696 I. . ..
.. - (6.70) 0.70.
24. De rekeningen der grafelijkheid van Holland. II..,....... . • • • (7.20) 2.50.
25. Journaal van Constantijn Huygens den
zoon. 1688-1696. II.
- (7.90) 7.90.
..
26. De rekeningen der grafelijkheid van Holland. III .......... .. - (6.20) 2.50.
27. Brieven van en. aan J. D. van der Capellen
van de Poll ........ .. -(10.80) 3.-.
27b. Brieven van en aan J. D. van der Capellen
van de Poll. (Aanhangsel.) .... .. - (1.40) I.-.
28.
BOMELIUS , Bellum Trajectinum . . . . - (1.40) 1.-.
29. De rekeningen der grafelijkheid van Zeeland. I.. ........ ... - (6.80) 3.-.
30. De rekeningen der grafelijkheid van Zeeland. II. .. ......... - (5.30) 3.-.
31.
MULLER , Lijst van Noord-Nederlandsche
kronijken
- (1.40) 4.-.
32. Journalen van Constantijn Huygens den
zoon. 1673-1678 ..... ... - (3.50) 3.50.
33. Negociations de D' Avaux a la cour de
Snide. 1693-1698. I.
.
- (8.00) 2.50.
34. Negociations de D'Avaux. II. .- (5.40)
2.-.
•
35. Negociations de D'Avaux. III 1. . . - (5.60) 2.-.
36. Negociations de D'Avaux. III 2. .
. - (3.90) 1.50.
*37. Brieven van Lionello en Suriano en verslag van Trevisano aan den Senaat van
Venetiii. 1616-1620 ....... - (6.10) 3.50.
38. Brieven aan R. M. van Goens. I. . . . - (6.60) 3.50.
*39. Dagverhaal van Jan van Riebeek. I. (16521655). . . . ....7.80.
. (7.80)
•
•
•
•
. . . f (5.00) 2.50.
40. itijmkroniek van Melis Stoke. 41. De geschillen over de afdanking van het
krijgsvolk. 1649-1650 ...... - (5.40) 2.50.
- (4.80) 2.50.
42. Rijmkroniek van Melis Stoke. 11 ... 43. Brieven aan R. M. van Goens. II. . . - (4.60) 1.50.
. . - (6.60) 3.-.
44. Brieven van Jhr. Arend van Dorp.
45. Memorien v. Mr. D. v. Bleyswijk. 1734-1755 - (4.50) 3.-.
*46. Journalen van Constantijn Huygens den
(2.20) 2.20.
zoos. 1680-1682. . • • • .
. .
47. Correspondentie van Lodewijk van Nassau - (2.90) 2.90.
. . . . - (2.40) 2.40.
48. Kroniek van Sicke Benninge
49. Narracio de Groninghe , de Thrente et de
Covordia .... ... ..... - (2.10) 2.10.
50. Brieven van Jhr. Arend van Dorp. 11. . - (7.80) 2.50.
51, Documents concernant les relations entre le
due d'Anjou et les Pays-Bas. I. (1576-1578). - (6.80) 6.80.
52, Resolution van de vroedschap van Utrecht
(7.--) 7.-.
betreffende de akademie. 1632- 1812 . .
53. De registers en rekeningen van het bisdom
- (7.30) 5.-.
Utrecht. 1325-1336. I. 54. De registers en rekeningen van het bisdom
(8.-) 5.50.
.
Utrecht. 1325-1336. H. .
55. Documents concernant les relations entre le
due d'Anjou et les Pays-Bas. II. (1578-1579) - (6.25) 3.25.
56. Brieven aan R. M. van Goens. III . . . - (3.-) 1.25.
57. Documents concernant les relations entre le
due d'Anjou et les Pays-Bas. III. (1579-1581) - (8.90) 4.50.
58. Dagverhaal v. Jan v. Riebeek. II. (1656-1658) - (8.---) 4.-.
59. Dagverhaal v. Jan v. Riebeek.1II. (1659-1662) - (8.--) 4.-.
60. Documents concernant les relations entre le
duc d'Anjou et les Pays-Bas. IV. (1581-1583). - (4.50) 2.50.
61. Documents concernant les relations entre le
due d'Anjou et les Pays-Bas. V. (1583-4584). - (8.50) 4 50.
DERDE SERIE.
Annales. 1566-1616 . - (7.50) 4.-.
De oudste stadsrekeningen van Dordrecht.
. - (2.40) 4.25.
1284-1424. . .
Fn. DUSSELDORP
2.
3. Het oudste cartularium van het sticht Utrecht - (4.60) 2.50.
4. Brieven van Willem V aan Van. Lijnden van
Blitterswijk ......... .. - (3.50) 1.50.
5. Lewes de Pierre de Groot a Abraham de
Wicquefort. 1668-4674 . . .... f (5.25) 2.50.
6.
Rekeningen van de gilden van Dordrecht.
1438-1600 . . . . . . . . . . - (2.80) 1.50.
7.
H. BONTEMANTEL ,
8.
H. BONTEMANTEL,
De regeeringe van
Amsterdam. 1653-1672. I. . .... - (5.50) 4.—.
De regeeringe van
Amsterdam. 1653-1672. II. ..... • (6.—) 4.—.
9. Rekeningen d. stad Groningen u. d. 16e eeuw. • RH 2.—.
10. Briefwisseling tusschen de gebroeders Van
der Goes. 1659-1673. I. . . . . . . - (6.—) 3.—.
II. Briefwisseling tusschen de gebroeders Van
- , .—,)_3.—.
der Goes. 4659-1673. II.. ....(6
12. Diarium Everardi Bronchorstii. 1591-1627. - (2.40) 4.25.
13. Jacobus Traiecti alias De Voecht, Narratio
de inchoatione domus clericorum in Zwollis
met Akten en Bescheiden betreffende dit
Fraterhuis . .
f 8.75
44. Gedenkschriften van Gijsbert Jan van Hardenhrock. 1747-1780. I. ..
- 6.50.
15. Brieven van Nicolaes van Reigersberch aan
Hugo de Groot .
- 7.50.
46. Collectanea van Gerardus Geldenhauer
Noviomagus. .
.
• 3.75.
Gedenkschriften van Gijsbert Jan van Hardenbroek. 4780-1781 . II ...
.
- 7.50.
18. Brieven van Johan de Witt. 1650-1657. I.
- 6.50.
19. Notulen der Staten van Holland , gehouden
door Hop en Vivien. 1671-1675 . .
- 5.50.
20. Willelmi, capellani in Brederode, postea munachi et procuratoris Egmondensis Chronicon.
• 3.90.
Diarium van Arend van Buchell . .
- 7._.
22. Register op de Journalen van Constantijn
Huygens Jr. ...
- 3.90.
17.
21.
23. Journalen van de admiralen Van WassenaerObdam en De Ruyter gedurende hunne
scheepstochten in de Deensche waterers.
1658-1660 . . .
Bijdr. en Meded. XXXVI.
- 3.50.
22
24.
Gedenkschriften van Gijsbert Jan van liar.
denbroek. '1781-1782. III . .
I 6.50.
25. Brieven van. Johan de Witt. (1657)16581664. II. ....... .. .
26. Journaal der reis van den gezant der 0. I.
Compagnie Joan Cunaeus naar Perzie in
1651-1652, gehouden door Cornelis Speel.
man . . • . .
27. De Kroniek van Abel Eppens tho Equart. I .
-
6.75.
- 6.50.
- 6.75.
28. De Kroniek van Abel Eppens tho Equart. II.
29. Verslagen van kerkvisitatien in het bisdom
Utrecht uit de 16de eeuw . .
30. Depeches van Thulemeyer. • 763-1788 .
- 8.50.
- 5.50.
- 7.—.
31. Brieven van Johan de Witt.1665-1669. III.
32. Stadsrekeningen van Leiden. 1390-1424. I. - 6.—.
- 5.25.
33. Brieven van Johan de Witt.1670-1672. IV.
34. Stadsrekeningen van Leiden.1424-1434. II.
- 6.—.
- 5.50.
Histoire des Provinces-Unies des Pais-Bas. 4 vol. . . f (26.—) 16,—.
ABRAHAM DE WICQUEFORT,
BULLARIUM TRAJECTENSE.
2 tom. .
. . - (24,—) '12.—.
van de algemeene vergadering der
leden op 16 April '1895 ..
f 0.60.
van de algemeene vergadering der
leden op 20 April 1897 ..
- 0.90.
van de algemeene vergadering der
leden op 14 April 1903. .
- 0.90.
over de uitgave van handschriften
- 0.25.
over het uitgeven van handschriften , betrekking hebbende op de nieuwe
geschiedenis ..
.
- 0.20.
VERSLAG
VERSLAG
VERSLAG
BEPALINGEN
BEPALINGEN
CATALOGUS der
boekerij van het Historisch
Genootschap. 3e uitgave. (1872) . . • • - (1.60)
1 e SUPPLEMENT op den Catalogus der boekerij
van het Historisch Genootschap (1882). . - (1.10) )f 1.50.
2e SUPPLEMENT op den Catalogus der boekerij
van het Historisch Genootschap (1895) . - (2.10)
ITGÁVEX
VAN HET
HISTORISCH GENOOTSCHAP TE -UTRECHT I).
(De met een * geteekende deelen zijn uitverkocht.)
Lijst van Noord-Nederlandsche kronijken, met opgave
van bestaande handschriften en litteratuur. Door S.
Muller Fz. 1880 . ..
. f (1.40) 1.--.
Volledige lijst van alle Noord-Nederlandsche kronijken en wegwijzer door de bestaande handschriften van uitgegevene en onuitgegevene kronijken.
Annales Egmundani, 1863 ..
.
f
(1.20) 1.—.
Oudste bron voor de geschiedenis van het graafschap Holland.
Rijmkroniek van Melis Stoke. Uitgegeven door W. G.
Brill. 2 deelen. 1885. ..... f (9.80) 5,—.
Belangrijk verhaal van een grafelijken klerk omtrent de geschiedenis
van de laatste tijden van het Hollandsche en het optreden van
het Henegouwsche huis.
Willelmi, capellani in Brederode , postea monachi et procuratoris Egmondensis Chronicon. Uitgegeven door
C. Pijnacker Hordijk. 1904. . ..... f 3.90.
Nieuwe uitgaaf van deze belangrijke kroniek (vervoig der Egmondsche kronieken) volgens het eenig bekende handschrift.
Kronijk van Holland van eon ongenoemden geestelijke
(gewoonlijk genaamd Kronijk van. den Clue uten laghen
landen bi der see). 1867 ..... f (2.30) I.—.
Kronijk , waarvan de tekst nauw verwant is aan de Hollandsche
vertaling der belangrijke kronijk van Beka.
HENRICUS BOMELIUS
Bellum Trajectinum. 1878.
f (1.40) 1.—.
Verhaal van de gebeurtenissen , die aan de annexatie van het
sticht Utrecht door Karel V voorafgingen.
Kronijken van Emo en Menko. Uitgegeven door Feith
en Acker Stratingh. 1866 ..... f (3.70) 1.50.
Belangrijkste bron voor de oudste geschiedenis van Friesland,
vooral voor de sociale historie.
1) Deze inhoudsopgave der uitgaven van bet genootschap bedoelt
alleen den hoofdinhoud, niet den volledigen inhoud der werken to
vermelden.
Quedam narracio de Groninghe , de Thrente , de Covordia
et de diversis aliis sub diversis episcopis Trajectensibus. Uitgegeven door C. Pijnacker Hordijk. 1888.
f (2.10) 2.10.
Belangrijk voor de geschiedenis van Groningen en Drente in de
12e en 13e eeuw. Uitgaaf volgens een handscbrift , dat aan de
uitgevers der Monumenta Germaniae onbekend is gebleven.
De kroniek van Sicke Benninge. 1 e en 2e deel (kroniek
van Van Lemego) Uitgegeven en met kritische aanteekeningen voorzien door J. A. Feith met eene inleiding van P. J. Blok. 1887. . .
f (2.40) 2.40.
Verhaal van een hooggeplaatst getuige van de gebeurtenissen to
Groningen in de 15e en het begin der 16e eeuw, bier voor het
eerst op betrouwbare wijze uitgegeven. Ook de bier overgenomen kroniek van Lemego over de 15e eeuw is bet werk van
een tij dgenoot.
Het oudste cartularium van het sticht 'Utrecht. Uitgegeven door S. Muller Fz. 1892 . . . f (4.60) 2.50.
Bevat alle keizeroorkonden van het sticht Utrecht en alle andere
giftbrieven uit de oudste tijden van bet bisdom.
Bullarium Trajectense. Romanorum Pontificum diplomata
usque ad Urbanum Papam VI in veterem episcopatum
Trajectensem destinata. Edidit Gisb. Brom. 2 tomi.
1891, 92 ........... f (24.—) 12.—.
Volledige verzameling van de in het pauselijk archief aanwezige
oorkonden, betrekking hebbende op het bisdom Utrecht.
De rekeningen der grafelijkheid van Holland onder het
Henegouwsche huis. Uitgegeven door H. G. Hamaker.
. f (19.20) 7.50.
3 deelen. 1875-78 . ..
De rekeningen der grafelijkheid van Zeeland onder het
Henegouwsche Huis. Uitgegeven door H. G. Hamaker.
2 deelen. 1879, 80. . . • . . . f (12.10) 6.—.
Oudst bewaarde rekeningen van de Hollandsche graven, overrijk
aan bizonderheden betreffende de geographiscbe, administratieve
en sociale toestanden van Holland in de veertiende eeuw.
De registers en rekeningen van het bisdom 'Utrecht. 1325—
1336. Uitgegeven door S. Muller Fz. 2 deelen. 1889, 91.
f (15.30) 10.50.
Eenige bron voor de kennis van de administratie van het bisdom
Utrecht in het begin van de veertiende eeuw.
De oudste stadsrekeningen van Dordrecht. 1284-1424.
Uitgegeven door C. M. Dozy. 1891 . . f (2.40) 1.25.
Bevat o. a. de eenige stadsrekeningen uit de dertiende eeuw, die
in Nederland bewaard zijn.
Stadsrekeningen van Leiden. 1390-1434. I (1390—U24).
1913. II (1424-1434) 1914. Uitgegeven door A. Meerkamp van Embden .......... f 10.75.
Bijdrage tot de kennis der hnishouding eener Hollandsehe stad
in de middeleeuwen.
E. VERWIJS , De oorlogen van hertog Albrecht van Beieren
met de Friezen in de laatste jaren der XIV e eeuw.
... . . f (9.80) 2.50.
1869 ..
Bewerking van deze belangrijke episode der Nederlandsche geschiedenis, voornamelijk getrokken uit de grafelijkheidsrekeningen
van Holland.
Jacobus Trajecti alias De Voecht, Narratio de inchoatione
domus clericorum in Zwollis , met akten en bescheiden
betreffende dit Fraterhuis. Uitgegeven door M. Schoengen.
1908 f 8.75.
Belangrijke bron voor de kennis van de Broederschap des
Gemeenen Levens.
Rekeningen van de gilden van Dordrecht. 1438-1600.
Uitgegeven. door J. C. Overvoorde. 1894. f (2.80) 1.50.
Eenige bewaarde middeleeuwsche rekeningen van Nederlandsche
gilden, van belting voor de kennis van de inrichting dezer corporaties.
Rekeningen der stad Groningen nit de 16e eeuw. Uitgegeven door P. J. Blok. 1896 . . . . f (4.—) 2.—.
Geven een voliedig overzicht van de administratie der stad Groningen in de eerste helft der zestiende eeuw.
G. GELDENHAIIER NOVIOMAGU5 Collectanea. Uitgegeven
.. . f 3.75.
door J. Prinsen J.Lz. 1901 ...
Aanteekeningen en opstellen van den bekenden humanist, belangrijk voor de kennis van zijn tijd , vooral voor de geschiedenis der hervorming en voor de gebeurtenissen in het bisdom
Utrecht.
•Verslagen
van kerkvisitatien in het bisdom Utrecht uit
de 16 de eeuw. Uitgegeven door wijlen F. A. L. ridder
van Rappard en S. Muller Fz. 1911. . . • f 5.50.
Belangrijke bron voor de kennis der kerkelijke toestanden vO6r
de invoering der hervorming.
Onderzoek van 's Konings wege ingesteld omtrent de
Middelburgsche beroerten van 1566 en 1567. Uitgegeven
door J. Van Vloten. 1873 . . . . . f (3.40) 1.50.
Zeer belangrijke bron voor de geschiedenis van de hagepreeken,
den beeldenstorm en het eerste gewapende verzet tegen de Spanjaarden in Zeeland.
Correspondentie van en betreffende Lodewijk van Nassau
en andere onuitgegeven documenten. Verzameld door
. I (2.90) 2.90.
P. J. Blok. 1887 . .
Bevat o. a. de onuitgegeven apologie van Lodewijk, de rechterhand van zijn broeder prins Willem van Oranje, en eene correspondentie betreffende zijne onderhandelingen met bet Fransche hof.
Over de opkomst en den ondergang van
Naarden. Uitgegeven door Peerlkamp en A. Perk.
.. f (4.50) 1.50.
1866 ...
HORTENSIUS ,
Bit geschrift van Lambertus Hortensius , rector der Latijusche
school to Naarden, is vooral merkwaardig om de mededeelingen
over het begin van den 80-jarigen oorlog en het uitvoerig verhaal van het uitmoorden van Naarden door de Spanjaarden (1572).
Memorien van Roger Williams. Uitgegeven door J. T.
. . . f (2.10) 1. —.
Bodel Nyenhuis. 1864 . .
Merkwaardig voor de oorlogsgeschiedenis der j area 1572-1574 ;
de schrijver was ooggetuige der gebeurtenissen in de eerste jaren
van den opstand tegen Spanje.
Brieven en onuitgegeven stukken van Jonkheer Arend
van Dorp, heer van Maasdam. Uitgegeven door J. B. J. N.
ridder De van der Schueren. 2 deelen. 1887, 88.
f (14.40) 5.50
Papieren , van een handlanger van prins Willem I, belangrijk
voor de intieme geschiedenis van den opstand tegen Spanje.
Documents concernant les relations entre le due d'Anjou et
les Pays-Bas. (1576-1584.) Publies par P. L. Muller
et Alph. Diegerick. 5 vol. 1889-99 .
f
(34.95) 21.55.
Volledige bronnenuitgave betreffende de tusschenkomst van den
hertog van Anjou, broeder van Hendrik III, in de zaken van
den Nederlandschen opstand en de aanneming van de souvereiniteit over de Nederlandsche gewesten.
De kroniek van Abel Eppens tho Equart. Uitgegeven
en met kritische aanteekeningen voorzien door J. A.
Feith en H. Brugmans. 2 deelen. 1911 . . f 15.25.
Belangrijk verbaal door een om den gelove uitgeweken Groningschen boer, in hoofdzaak betrekking hebbende op de derti4
eerste jaren van den opstand tegen Spanje en inzonderheid gebeurtenissen in het Noordoosten der Nederlanden behelzende.
Kronijk van Eggerik Egges Phebens. 1565-1594. Uitgegeven door H. 0. Feith 1867. . . f (2.40) 1.--.
Groningsche kronijk van een onpartijdigen hervormingsgezinde,
bron van Emmius.
Uittreksel uit Francisci Dusseldorpii Annales. 1566-1616.
Uitgegeven door R. Fruin. 1894 . . . f (7.50) 4.—.
De geschiedenis van den opstand, door een katholiek tijdgenoot
geschreven.
Diarium van Arend van Buchell. Uitgegeven door G. Brom
en L. A van Langeraad. 1907 .. . f 7.—.
Zeer belangrijk voor de kennis der oudheden , der zeden en
gewoonten in het laatst der 16 de eeuw, voornamelijk to Utrecht.
Diarium Everardi Bronchorstii sive Adversaria omnium
quae gesta sunt in academia Leidensi , 1591-1627.
Uitgegeven door J. C. Van Slee. 1898. f (2.40) 1.25.
Curieuse aanteekeningen over het onderwijs en het leven aan
de Leidsche academie.
*Brieven van Lionello en Suriano uit Den Haag aan Doge
en Senaat van Venetie in 1616-1618 , benevens Verslag
van Trevisano betreffende zone zending naar Holland
in 1620. 1883 ..
.. . . . . f (6.10) 3.50.
Merkwaardige brieven van de bekende Venetiaansche diplomaten
over de geschillen tijdens het bestand.
Memorien en adviezen van Cornelis Pieterszoon Hooft.
1871. ..
. . . . . f (4.90) 2.—.
Belangrijk voor de geschiedenis van Amsterdam in de jaren
1578-1620 en voor de houding van deze stad in de godsdienstige geschillen.
Verhooren en andere bescheiden betreffende het rechtsgeding van Hugo de Groot. Uitgegeven door R. Fruin.
1871 . ......... . . . f (4.80) 2.—.
Belangrijk voor de kennis van den strijd tusschen de twee groote
staatspartijen in het begin van de republiek , waarbij Grotius
eene belangrijke rol vervulde.
Brieven en onuitgegeven stukken van Johannes Wtenbogaert. 1584-1644. Uitgegeven door H. C. Rogge. 7
deelen. 1868/74 . ...... . f (37.60) 12.50.
Deze correspondentie van den bekenden Remonstrantschen hofprediker van prins Maurits is in de eerste plaats belangrijk voor
de geschiedenis van de kerkelijke woelingen tijdens het bestand.
Verbaal van de ambassade van Aerssen , Joachimi en Burmania naar Engeland. 1625. 1867 . . f (1.90) 1.—.
Bevat de onderhandeling over een verbond van onderlinge bescherming na het afspringen van het huwelijk tusschen den zoon
van den Engelschen koning en eene Spaansche prinses.
Verbaal van de ambassade van Gaspar van Vosbergen bij den
koning van Denemarken , den Neder-Saxischen kreits en
den koning van Zweden. 1625. 1867 . f (2.30) 1.—.
Behelst de onderhandelingen over een verbond tegen den keizer
en den koning van Spanje in het begin van den Dertigjarigen oorlog.
Brieven van Nicolaes van Reigersberch aan Hugo de
Groot. Uitgegeven door H. C. Rogge. 1902. . f 7.50.
Belangrijk voor de geschiedenis van De Groot; bevat voorts eene
reeks van gewichtige berichten over de toestanden in Nederland
in de jaren 1622-1643.
Resolution van de vroedschap van *Utrecht betreffende
de Academie. Uitgegeven door J. A. Winne en Lucie
Miedema. 1888, 1900. ........ f 7.—.
Met een uitvoerige inleiding over de iiirichlingen van hooger
onderwijs to Utrecht voor 1636.
Histoire des Provinces-Unies des
Pais-Bas, depuis le parfait establissement de cet estat
par la paix de Munster. 4 volumes. I. 1861. II. 1864.
f (26.—) 16.—.
.
III. 1866. IV. 1874 ..
ABRAHAM DE WICQUEFORT,
De beste gelijktijdige geschiedenis van de Nederlanden in de
tweede helft der zeventiende eeuw door een diplomatiek agent.
De geschillen over de afdanking van het krijgsvolk in de
Vereenigde Nederlanden in de jaren 1649 en 1650.
Toegelicht door J. A. Wijnne. 1885. . f (5.40) 2.50.
De bekende gesehillen van het jaar 1650 worden bier toegelicht
uit onbekende stukken uit het Huis-archief van H. M. de Koningin.
Brieven van Johan de Witt. 1650-1672. Bewerkt door
Robert Fruin , uitgegeven door G. W. Kernkamp (I)
en door N. Japikse (II—IV). 4 deelen. 1906, 1909,
1912, 1913 ........ . 25.25.
Zeer belangrijke bron voor de binnen- en buitenlandsche geschiedenis van de Republiek gedurende de eerste stadhouderlooze
periode en voor de kennis van het particulier lever' van den
Raadpensionaris.
Journaal der rein van den gezant der 0. I. Compagnie
Joan Cunaeus naar Perzie in 1651-1652 , gehouden
door Cornelis Speelman, met route-kaart en plattegrond
en plaat van Persepolis. Uitgegeven door A. Hotz.
........ . ..... f 6.50.
19 08.
Belangrijk voor de kennis der handelsbetrekkingen der 0. I.
Compagnie met Perzie in de 17de eeuw.
*Dagverhaal van Jan van Riebeek, commandeur aan de
Kaap de Goede Hoop. 1652-1662e 3 deelen 1). 1884-93.
f (23.80) 15.80
Merkwaardig verhaal van den stichter der Kaapkolonie omtrent
de geschiedenis van deze kolonie.
1) Peel I uitverkocht.
IL BONTEMANTEL , De regeeringe van Amsterdam , soo in
't civiel als crimineel en militaire. 1653-1672. Uitgegeven door G. W. Kernkamp. 2 deelen 1897.
f (11.50)
Gedenkschriften van eon Amsterdamsch regent uit den tijd van
Jan de Witt, belangrijk voor de kennis van de regeering en de
regeeringEintriges van Amsterdam.
Journalen van de admiralen van Wassenaer-Obdam en
de Ruyter gedurende hunne scheepstochten in de
Deensche wateren. 1658--1660. Uitgegev en door G.
L. Grove. 1907..... ...... f 3.50.
Eigenhandige journalen der beide admiralen behelzende het
dagelijksch relaas van bet voorgevallene gedurende bun verblijf
in de Deensche wateren , waar zij den koning van Denemarken
in den Noordschen oorlog assistentie kwamen verleenen.
Briefwisseling tusschen de gebroeders Van der Goes.
1659-1673. 2 deelen. Uitgegeven door C. J. Gonnet.
(12.--) 6.—.
1899, 1909. .f
..
Belangrijke mededeelingen over bet politieke en maatschappelijke
Leven , vooral in Den Haag, in het derde kwart, der l7de eeuw.
Lettres de Pierre de Groot a Abraham de Wicquefort.
1668-1674. Publiees par F. J. L. Kramer, 1894.
I (5.25) 2.50.
Brieven van P. De Groot, den soon van Hugo De Groot , voornamelijk loopende over de Keulscbe vredeshandeling in 1673.
Notulen , gehouden ter Staten vergadering van Holland
door Hop en Vivien. 1671-1675. Uitgegeven door
N. Japikse. 1904 .......... f 5.50.
Uitvoerige mededeelingen over het voorgevallene bij het nemen
der resolution in de Staten-vergadering van Holland gedurende
deze belangrijke jaren.
Journalen van Constantijn Huygens den zoon. 1673-1678.
. f (3.50) 3.50.
1881 . . .........
*Journalen van Constantijn Huygens den zoon. 1680-1682
en 1649-1650. 1888. . . . . . . f (2.20) 2.20.
Journaal van Oonstantijn Huygens den zoon. 1688-1696.
2 deelen. 1876 . . ...... f (14.60). 14.60.
Journalen van den secretaris van Willem III, hoogst belangrijk
voor de kennis van personen en de zedengeschiedenis van de
laatste helft der zeventiende eeuw.
Register op de Journalen van Constantin Huygens Jr.
f 3.90.
Onmisbaar bij het gebruik der Journalen.
Verbaal van de buitengewone ambassade naar Engeland
in 1685. 1863 ........ f (1.80) 1.—.
Gewichtig voor de kennis van de verhouding der republiek tot
koning Jakob II na diens troonsbestijging en den opstand van
Monmouth en zijne aanhangers.
Negociations du comte D'Avaux , ambassadeur a la cour
de Suede, pendant les annees 1693, 1697, 1698. Publiees
par J. A. Winne. 4 volumes. 1882, 83 . f (22.90) 8.—.
Belangrijk voor de geschiedenis van de diplomatieke betrekkingen
der mogendheden ten tijde van den Negenjarigen oorlog.
Memorien van Mr. Diderik van Bleyswijk , burgemeester
van Gorinchem. 1734-1755. Uitgegeven door Theod.
Jorissen. 1887 ......... f (4.50) 3.—.
Belangrijk voor de geschiedenis van de familieregeering en de
regentenintriges in de steden van Holland.
Gedenkschriften van Gijsbert Jan van Hardenbroek.
1747-1780. Uitgegeven door F. J. L. Kramer (I en
II) en A. J. van der Meulen (III). 3 deelen. 1901,
1903 , 1910 . .
...... f 20.50.
Dagboek van een hooggeplaatst edelman, aan het hof der stadhouders verkeerende en dagelijks met alle invloedrijke personen
omgaande.
Brieven van en aan Joan Derck van der Capellen van
de Poll. Uitgegeven door W. H. De Beaufort. Met
aanhangsel door J. A. Sillem. 2 deelen. 1879.
.... . f (12.20) 4.—.
..
Brieven van den bekenden adellijken patriotschen leider, hoogst
belangrijk voor de geschiedenis van de jaren 1763-1764.
Depeches van Thulemeyer. 1763--1788. In de bewerking
van Robert Fruin, ingeleid en aangevuld door H. T.
.. f 7.—.
Colenbrander. 1912. .
Officieele briefwisseling met zijn hof van den Pruisischen gezant
in dea Haag, van belang voor de kennis van den Patriottentijd.
Brieven aan R. M. van Goens en onuitgegeven stukken
hem betreffende. 3 deelen. 1884-90. f (14.20) 6.25.
Belangrijk voor de autobiografie van R. M. Van Goens en voor
de kennis van zijne verhouding tot de stadhouderlijke partij.
Bevat bovendien eene uitgebreide correspondentie met buitenlandsche geleerden.
Brieven van prins Willem V aan baron Van Lijnden van
Blitterswijk. Uitgegeven onder toezicht van F. De Bas.
189 3 . . .......... . f (3.50) 1.50.
Vertrouwelijke briecen van den prins aan zijn vertegenwoordiger
age eerste edele in Zeeland.
Vi
Memorials and times of Peter Philip Juriaan Quint On.. f (4.—) 1.50.
daatje. By Mrs. Davies . .
Biographie van den bekenden Utrechtschen patriot van 1784 en
volgende jaren.
KRONIJK.
EERSTE SERIE.
jaargang. (Is niet in druk verschenen.)
le
jaargang. 1846 . . .. f (5.—) 1.50.
Behelst tal van bijzonderheden over histwische personen, kerkelijke zaken, universiteitswezen enz. — Inventaris van brieven uit
bet archief der voormalige vijf kapittelen te Utrecht (1380—
1513). — Kleine historische mededeelingen enz. enz.
lie
Hie jaargang. 1847 . . . . f (2.70) 1.50.
Vervoig van den inventaris der brieven uit het archief der voormalige vijf kapittelen te Utrecht (1514, 1515). — Vele wetens.
waardigheden over archaeologie, genealogie, archiefwezen. —
Verklaring van spreekwijzen (dialecten) en spreekwoorden enz. enz.
* IVe jaargang. 1848 .. . .
f
(3.70) 2.50.
Verschillende brieven van prins Willem I, Paulus Merula (minnebrief), Wtenbogaert e. a. — Vervolg van den inventaris der 5
kapittelen (1516, 1517)'— Mededeelingen over Czaar Peter en
zijne vrouw e. a. — Toestand der archieven van Nijmegen, Utrecht ,
Groningen, Dordrecht en andere steden enz. enz.
Ve jaargang. 1849 ... .. f (6.—) 2.50.
Inventarissen van verschillende stads-archieven. — Brieven van
David van Bourgondiê , Philips II, prins Willem I, Hugo De
Groot , e. a. — Bijdragen tot de geschiedenis van het Nederiandsche zeewezen en krijgswezen (1618) enz. enz.
TWEEDE SERIE.
e
jaargang. 1850 .
.
f (6.—) 2.—.
Inventarissen van verschillende archieven van steden, gerechten
en gasthuizen. — Brieven o. a. van Adolf en Karel van Gelder
(1456-1477), Christiaan II van Denemarken (1525), Karel V
(4537), Philips II (1561, 67), E. Leonimis (1581), prins Willem I (1582), Maurits van Nassau (4600) e. a. — Bijzonderheden
over Utrechtsche bisschoppen , hertogen van Gelre e. a.; over den
vredebandel te Utrecht (1713); over aflaatgelden, papiermerken
enz. enz.
*VIIe jaargang. 1851 .
.. f (6.40) 3.—.
Inventarissen van archieven. — Academie te Franeker. — Middeleeuwsche kerkgebouwen in Friesland en Groningen. — Graftombes
in Germaanschen smaak en in dien der Renaissance. — Tien
brieven betreffende de Geldersche aangelegenheden in 1535—
1537. — Brieven van bekende personen ; genealogiön enz. enz.
Ville jaargang. 1852 ..
.
f
(6.80) 3.—.
Reproductie van den „Almanach nae den nieuwen ende ouden
stijl. Opt Jaer ons Heeren M.D.XCVIII", in 12° te Delft bij
Bruyn Harmansz. -- 19 brieven van Anna van Egmond aan haren
broeder Maximiliaan. — Keuken-rekening van de grafelijkheid van
Holland en Zeeland. 1401. — Stukken over de Oost-Indische
Compagnie. — Emigreerende families uit Antwerpen naar Middelburg. 1586 enz. enz.
*IXe jaargang. 1853 . .
. .
f
(6.80) 3,—.
Belangrijke onderschepte Portugeesche briefwisseling. 1634. —
Stukken van Jan Pietersz. Coen over den handel in Indio, 1622,
1623. — Fragmenten van oude kronieken. — Journaal, gehouden
te Batavia door den directeur-generaal Ph. Zwart. 1636. — Chronologische opgave der oorkonden over de 13e en 14e eeuw in
het stads-archief te Harderwijk. — Bijdragen tot de geschiedenis
van het geschntwezen (1491-1528). — Brieven ; genealogische
mededeelingen enz. enz.
*Xe jaargang. 1854 . . .
. .
f
(6.80) 3.—.
Uiterste wil van pries Maurits. — Eenige merkwaardige vonnissen. 1524-1645. --- Handel op Perziö en de golf van Bengalen. 4633. — Stukken over de Oost-Indische Compagnie. -109 Brieven van Maria van Nassau. 1605-1615. — Charters
in het stads-archief van Harderwijk. 1402-92 enz. enz.
DERDE SERIE.
XIe jaargang. 1855 ..
. .
f
(3.20) 1.—.
Betrekking tusschen de Nederlanden en Geneve in 1589, 1590. —
Stukken over de West-Indische Compagnie. — Geslachtswapenen
en rouwborden in kerken. — Stukken betreffende de krijgsgeschiedenis. — Brieven enz. van en aan Anna Maria van Schurman. —
Onuitgegeven gedichten van Conat. Huygens enz. enz.
XIIe jaargang. 1856. .
..
f
(3.60) 1.—.
Rechtstoestand in het begin dcr 15e eeuw. — Rechtsgebruiken in
de middeneeuwen. — Eenige merkwaardige vonnissen nit den tijd
der geloofsvervolging te Amsterdam in de 1 6e eeuw. — Bijdrage
tot de geschiedenis van den bouw van den Dom te Utrecht. —
.A utobiographie van den gouverneur-generaal P. A. van der
Parra. -- Grafsteden der oudete bewoners van Denemarken enz, enz.
XIIIe jaargang. 1851 ...
. . t (4.80) 1.50.
Oorkonden betrekkelijk den twist tusschen den bisschop van
Inventaris van het
Utrecht en den heer van Wisch in 1490. stadsarchief te Oudewater. Begiftigingen en bezittingen van
het Carthuizer•convent bij Utrecht. — Charter van 1368, bevattende een overzicht van het bisdom Utrecht in 1278.
XIVe jaargang. 1858 ..
.. .
f
(5.10) 1.50.
Stukken betrekkelijk den oorlog met Frankrijk in 1672. — Oude
doopvonten (met afbeeldingen). Stukken betrekkelijk de hervormingsberoerten te Utrecht in 1566 en 1567. — Expeditie naar
Portugal in Sept. 1657 enz. enz.
XVe jaargang. 1859 ..
.
f
(4.60) 1.50.
Brieven van prins Willem van Oranje aan zijne vrouw Anna
Liefdadige stichtingen te Utrecht. — Charters
van Egmond.
Geuit het stads-archief te Harderwijk, 14e en 15e eeuw.
vangenneming van Paulus Buys , 1586 enz. enz.
VIERDE SERIE.
XVIe jaargang. 1860. ......
f
5.40) 1.50.
Aanteekeningen betrekkelijk bet beleg van Haarlem. — Overlandreis van India naar Europa in 1757. -- Stukken voor de geschiedenis van de jaren 1588 en 1589 enz. enz.
XVIIe jaargang. 1861 . .
.
f
(5.80) 1.50.
Stukken voor de geschiedenis der jaren 1588 en 1589. — Verdedigingswerken van de Ussel. 1672. — Brieven van Willem
Onkosten der judicature van Oldenbarnevelt.
van Liere.
Onkosten. der Dordsche synode enz. enz.
. . f (6.60) 1.50.
XVILie jaargang. 1861 ..
Stukken voor de geschiedenis der jaren 1590 en 1591 enz. enz.
XIXe jaargang. 1863 ....... f (7.40) 2.—.
Stukken voor de geschiedenis van het jaar 1592. — Wicquefort's
Heinrici ab Hovel Speculum Westphaliae enz. enz.
Memoires.
XXe jaargang. 1864 . ..... . f (7.20)
Stukken voor de geschiedenis der jaren 1593 en 1594. — De
benoeming van graaf Johan van Nassau tot stadhouder van Gelderland. Beschrijving van een tocht naar de bovenlanden van.
Banjermassing in het jaar 1790. — De bekostiging der voormalige fortificatiewerken der stall Utrecht enz. enz.
VIJFDE SERIE.
XXIe jaargang. 1865 ..
. f (7.60) 2.—.
Stukken voor de geschiedenis van het jaar 1595. — Thysius
Leere en Order der Ned. Geref. Kerken. — Rapport faict par
Monsieur de St. Aldegonde au Conseil d'Estat de sa negociation
en France. 1581. — Bijdrage tot de geschiedenis der gewevene
en andere behangseltapijten, vooral in Denemarken enz. enz.
XXIVe jaargang. 1866 . . . .
f
(7.20) .—.
Stukken betreffende de onlusten binnen Utrecht in 1610. —
Verbaal van de legatie van Leoninus , van Loozen, Valcke en
Franckena naar Engeland in '1596. — Stukken betrekkelijk de
Remonstranten enz. enz.
XXIIIe jaargang. 1867. . . .
f
(9.20) 2.50.
Concept van eene Compagnie van assurantie en van haar octrooi.
1628, 29. — Brieven van Joh. Heinsius over den in 1632 aangeknoopten vredehandel. — Eene bijdrage tot het levee van
Onno Zwier Van Haren. — Over den geest en de strekking
van bet Amsterdamsche patriciaat enz. enz.
XXIVe jaargang. 1868 ... . .
f
(9.40) 2.50.
Brieven van Maarten Harpertsz. Tromp en van Witte Cornelisz.
De With. — Brieven van Bilderbeck , Nederlandsch agent te
Keulen, betreffende het laatste gedeelte van den Dertigjarigen
oorlog. — Aegidius Daalmans Indiaanse aanteekeningen enz. enz.
XXVe jaargang. 1869 . . .
f
(10.70) 3.—.
Stukken betreffende den vrijen handel op Brazilie. 1637. — Origineele brieven van H. Doedens aan Ant. Van Hilten betreffende
de West-In.dische Compagnie. 1641-1648. — Journaal van Joh.
Van Kerkhoven, Neer van Heenvliet , hofmeester van de princesroyaal , over de ziekte en den dood van prins Willem II en
de kwestiön omtrent de voogdij van den jonggeboren prins. —
Geheime correspondentie uit Engeland. 1659, 1660 enz. enz.
ZESDE SERIE.
XXVIe jaargang. 1870. . . ..
f
(8. - —) 2.50.
Geschillen te Nijmegen. 1617. — Het Geusen Liedboek. — Vervolging van de Remonstranten in Land en Stad van Utrecht.
1619 enz. — Eenige aanteekeningen wegens het gebeurde te
Utrecht in 1786 en 1787. — Reisjournaal nit de 17e eeuw naar
het Heilige Land enz. enz.
XXVIIe jaargang. 1871 .. . . f (8.20) 2.50.
Aanteekeningen betrekkelijk het gebeurde te Utrecht in 1786 en
1787. — Stukken rakende de Quadruple Alliantie. — Grondig
verhaal van Amboyna. 1621. — Verhaal van eenige oorlogen in
Indie. 1622 enz. enz.
XXVIIIe jaargang. 1872 . . .
f
(6.20) 2.50.
Uit de papieren van eenen bewindhebber der Oost-Indische Compagnie. — Brieven van R. Hoogerbeets. — Doleantien over misbruiken in de regeering van Friesland. 1627 enz. enz.
XXIXe jaargang. 1873 . .....
f
(8.30) 2.50.
Stukken betreffende de geschiedenis van den oorlog in 1630 en
eenige volgende jaren. — Reformatie van 's Hertogenbosch.
1630. — Classicale acts van Brazilie. 1636-1644. -- Brieven
4g
an Willem Van Oldenbarnevelt aan Aug° De Groot. — tit de
papieren van eenen bewindhebber der Oost-Indische Compagnie. —
Aanbevelingen voor scheepskapitein enz., ingekomen bij Johan
De Witt. 1653-1672 enz. enz.
XXXe jaargang. 1874 ..
. .
f
(10.30) 3.—.
Staat van ontvaugsten en uitgaven der geestelijke goederen tot
onderhoud van predikanten. 1590. — Politieke brieven uit de
jaren 1784, 1785 en 1786, meerendeels van den heer Maxim.
D'Yvoy. — Uit de papieren van eenen bewindhebber der OostIndische Compagnie. — Verhaal der gevangenschap van Oldenbarnevelt , beschreven door zijn knecht Jan Francken enz. enz.
XXXIe jaargang. 1875 ..
f
(0.40) 2.50.
Rapport der geheime staatscommissie nopens de toekomstige inrichting en huishouding van den staat. 4818. — Journaal van
Splinter Flelmich , soldaat en later hopman in dienst van den
laede. 1572-1598. — De magistraatsbestelling te Utrecht onder
de republiek. — De vorming van het Oversticht. — Brieven
van prins Willem V. 1786-1793 enz. enz.
BERIGTEN.
Ie deel le stuk. 1846 ..
. f (3.40) 1.50.
Dodt van Flensburg over V alerius Andreas. — Visscher over Jan
van Rode , vertaler der Somme le Roy. — Dodt van Flensburg
over Adam en Paul van Vianen. — 0 trechtsch handschrift der
Snorra-Edda. — Eyck van Zuilichem , Bouw- en beeldhouwkundige voortbrengselen in ons land.
1e deel 2e stuk. 1848 ...
.. f (2.20) 1.50.
Nederlandsche handschriften in de Keizerlijke bibliotheek te
Petersburg. — Asch van Wijck, Schuttengilden in Nederland.
IIe deel le stuk. 1849 ......
f
(2.20) 1.50.
Verblijf van Christiaan II van Denemarken in Nederland. 1521. —
Beroerten te Gent onder Karel V.
.
*IIe deel 2e stuk. 1849 . .
f
(3.80) 3.80.
Verhooren van Oldenbarnevelt.
IIIe deel le stuk. 1850 .
f (3.— )
1.50.
.
Geschiedenis van het geslacht Van Mathenesse. — Catalogue de
documents manuscrits relatifs A, l'histoire de la Hollande dans
les bibliotheques de Paris.
*IIIe deel 2e stuk. 1851 . .
. .
f
(3.—) 1.50.
Journaal omtrent de vredehandeling te Utrecht.
.. f
* IVe deel le stuk. 1851 .
Geschiedenis van het geslacht Nyenrode.
(3.—) 2.—.
*nte deel 2e stuk. 1851 .
. . t (2.60) LW.
De Upstalboom bij Aurich. — Beseheiden ever het eerste tijdvak
van de geschiedenis der hervorming in Utrecht. '1524-1566.
*Ve deel le stuk. 1853 .
. . . f (3.20) 1.50.
Rapport van den gouverneur generaal Loten over Maka€ser. —
Rapport van den beer van Sommelsdijk over zijne legatie naar
Venetie in 1620.
Ve deel 2e stuk 1856 .
. .
f
(2.50) 1.-- .
Rapport van erne reis naar bet hof van Candid. 1671. — Autobiografie van den gouverneur generaal Rijklof van Goens.
1678-1681. — Memorie betreffende het eiland Ceylon door R.
van Goens jr. 4679.
Vie , deel le stuk. 1857 .
..
f
(2.50) 1.—.
De Wicquefort, Memoires sur la guerre de 1672.
. f (2.10) 1.---.
Vie deel 2e stuk. 1857 .
Dagelijksche aanteekeningen over bet verblijf der Franschen te
Utrecht in 1672 en 1673.
VII° deel le stuk. 1861 .
..
f
(5.50) 1.50.
Stukken betrekkelijk de verovering van Malakka. 4641.
.. f (6.50) 2.50.
Vile deel 2e stuk. 1863 ..
Verbaal van de Nederlandsche gezanten in Engeland. 1618-1619. —
Rapport van bet gebesoigneerde te Tunis en Algiers. 1622-1623.
CODEX DIPLOMATIC US.
EERSTE SERIE (IN
*Ie deel le stuk. 1848 .
4°).
. .
f
(2.60) 2.60.
Oorkonden betreffende het voormalig handelsverkeer van Utrecht. —
Oudste kameraarsrekeningen van Deventer. 1337-1347.
*Ie deel 2e stuk .
..
f
(2.60) 2.60.
Brieven van Leibnitz en Cuperus o. a. over den Utrechtschen vrede.
TWEEDE SERIE (IN
*Ie deel le stuk. 1852 .
8°).
. .
f
(3.75) 2.50.
Rekening van de testamentoren van Jacoba van Beieren.
*Ie deel 2e stuk. 1852 . . . . . .
f
(3.10) 2.50.
Lettres de Paul Choart seigneur de Buzanval. 1600.
. . f (6.20) 3.50.
*Iie deel le stuk. 1853 .
Oudste burgemeestersrekening van Middelburg. 1364. — Oudste
kameraarsrekening van Utrecht. 1380. — Rekening van de bruiloft van Jan van Touraine. 1406. — Bisschoppelijke rekening
van 1377.
ire deel 2e stuk. 18 5 3
.
.
.
(3.20) 2.—.
f
Verbalen van Yan Grijspere en Van Lent , commissarissen in de
troubles van 1567 en 1568.
Me deel le stuk. 1855 .
. .
f
(6.50) 2.—.
Ille deel 2e stuk. 1856 .. ..
f
(3.40) 1.50.
Oude kroniek van Brabant.
Verbaal van de gedeputeerden in Engeland tot vereeniging van de
Engelsche en Nederlandsche Oost-Indische Compagnien. 1618.
IVe deel le stuk. 1859 ..... . f (3.10) 1.50.
Lettres inedites du comte de Boussu. — Oudste rekening van
Antwerpen. 1324. — Rekening van Lier. 1377.
IVe deel 2e stuk. 1860 . . f (5.20) 1.50
Lettres de Marnix de St. Aldegonde et de Jean Casimir, comte
Palatin. — Briefwisseling met Don Jan van Oostenrijk. 15761577.
Ve deel. 1860 ..
..
(12.—) 4.—.
f
Toe Boecop , Kronijk der bisschoppeu van Utrecht.
Vie deel. 1863 .. .. . f (1.20) 1.—.
Kronijken van Brabant , Holland en Vlaanderen.
BIJDRAGEN EN MEDEDEELINGEN.
late deel. 1878 ... . .
f
(5.60) 2.50.
Sautijn Kluit, Utrechtsche courant. — Boele van Hensbroek ,
Guicciardini.
Ude deel. 1879 ....
..
f
(5.20) 2.50.
Rapport van Aubery du Manlier. 1624.
IIIde deel. 1880 . .... ..
f
(5.20 2.50.
Rekeningen der Buurkerk te Utrecht , 15de eeuw. — Brieven
aan den hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel.
IVde deel. 1881 . . .. f (8.80) 4.—.
Verloren van Themaat , Geschiedenis van de vicarien in de provincie Utrecht.
Vde deel. 1882 .. ..
f
(5.40) 3.—.
Staatkundige berichten uit Frankrijk. 1650-1653. — Stukken
over de lichting der waardgelders te Utrecht. — Relaas van 't
gepasseerde op Alsen. 1658.
*Vide deel. 1883 .. . . f (6.—) 6.—.
Documenten voor de geschiedenis der Nederlandera in het oosten. —
Steven Van der Haeghen , Avonturen. 1575—'1597. — Trois arrets
du Grand conseil de Malines.
23
Bijdr. en Mewed. XXXVI.
VIIde deel. 1884 . . .
. . . • f (5.— ) 5.—.
De Bas, Overgaaf der Bataafsche vloot 4795. — Verslag
van Fr. Michell. 1638. — Visitatie der kerken in het Sticht
Utrecht. 1593.
*VIIIste deel. 1885 ..
. I (3.60) 3.60.
Dagboek over 1672. — Apologie van Lodewijk van Nassau.
IXde deel. 1886 . . .. f (6.10) 3.25.
Stukken betreffende den strijd der bisschoppen van Utrecht met
de stad Utrecht. — Stukken over den tegenstand der Utrechtsche katholieken tegen de Unie van Utrecht.
Xde deel. 1887 . . .. f (5.80) 3.—.
Buchelius, Observationes ecciesiasticae sub presbyteratu meo. —
Zending van Dirk Van Hille naar Spanje. — Onbekende kroniek
van het klooster Windesheim.
XIde deel. 1889 . . . . f (6.60) 3.50.
Pe Wicquefort, Memoires sur la guerre de 1672. — Drie Briefe
der Stadt Londen an die Stadt Dordrecht. 1359. — De Bye,
Gedenkschrift betreffende het bewind van Oldenbarnevelt. —
Brie Utrechtsche kroniekjes v66r Beka's tijd.
XII de deel. 1890 . . .. f (4.10) 2.25.
Politiek journaal van 1795. — Bijdragen tot de geschiedenis der
Hervormde kerk te Gent. 1578-1584.
XVIIde deel. 1891 .. .. . f (5.—) 2.50.
Gedenkschrift van Don Sancho de London°. — Vervolg op het
Recueil de Hopperus.
XIVde deel. 1892 . . . f (3.80) 2.—
Resolutien der Staten van Holland. 1577 en 1578. — Stadsrekeningen van Dordrecht. 1323-1399. — Reisjournaal van Mr.
Coenders van Helpen.
XVde deel. 1893 . . . f (4.90) 2.50.
Journaai van Const. Huygens' reis naar Venetia. 1620. —
Sommaire de la forme du regime des Provinces Unies. 1647. —
Memorie van den gouverneur Van der Graaff over de gebeurtenissen aan de Kaap de Goede Hoop. 1780-1806.
.. . f (4.75) 2.50.
XVIde deel. 1894 ..
C. Block , Kroniek van het Regulierenklooster te Utrecht. —
Buyck, Aanteekeningen over het geus worsen van Amsterdam.
XVIIde deel. 1895 ..... . . f (4.—) 2.—.
L. Reael, Amsterdamsche gedenkschriften. 1542-1567. — Magistraatsverandering te Utrecht in 1618.
XVIIIde deel. 1896 ... . .
f
(5.75) 3.—.
Fragment van de autobiografie van Const. Huygens. — Notulen
en munimenten van het College van commercie te Amsterdam.
1663-4665. — Simon Van Leeuwen's Bedenckingen over de
stadhouderlycke macht.
XIXde deel. 1897 . . .. f (5.25) 2.75.
Memoires de M. De B. sur la tour de Guillaume III. —
Memorie van Byam over de overgave van Suriname. — Stukken
over de Noordsche Compagnie.
XXste deel. 1898 .. .. f (3.25) 1.75.
Kroniek van het Goudsche fraterhuis. — Notulen van de Patriottisehe partijdagen. 1783-1787. — Reisebericht des Mgr. Garampi
in Holland. 1764.
XXDte deel. 1899 . . . f (4.50) 2.25.
Koopmansadviezen aangaande het plan tot oprichting eener Compagnie van assurantie. 1629-1635. — Opgaven omtrent inkomsten , goederen, hoorigen , dienstmannen en rechten der abdij
Egmond. 1130-1161. -- Reisverhaal van Jacob van Neck.
1598-1599.
.
..
XXIIste deel. 1900.
f (4.90) 2.50.
Brieven van Sorbiere over den toestaud van Holland in 1660.—
Het nude register van Graaf Florens. — Correspondentie tusschen Prins Maurits en Reynier Pauw. 1617-1619.
XXIIIste deel. 1901 . .. f (4.90) 2.50.
De kroniek van. Aduard. — Memorien van Th. Rodenburg over
verplaatsing van industrieen naar Denemarken. — Correspondentien in steden van Zeeland.
XXIVste deel. 1902 .. . . f (5.25) 2.75.
Memoire d'Abraham de Wicquefort. — Memoire touchant le
negoce des Hollandois. — Contract tot oprichting van een
Zweedsch factorie comptoir te Amsterdam.
XXVste deel. 1903 .. .. I (5.90) 3.—.
(Itrechtsche kroniek over 1566-1576. — De oudst-bewaarde
stadsrekening van Gouda (1437). — De confiscatie der goederen
van Gillis van Ledenberch. — Das Giiterverzeichniss Graf Heinrichs von Dale (1188). — Rekening van de kosten van het
rederijkersfeest te Leiden in 1596. — Beschrijving van eenige
Westindische-plantageleeningen.
XXVIste deel. 1904.
f 4.50.
..
..
De gebeurtenissen op den Amsterdamschen Doelen in 1748. —
Armenzorg te Leiden in 1577. — Correspondentien te Middelburg en te Goes. — De inventaris van het archief van Filips
van :Hernia. — Memorien van den Zweedschen resident Harald
Appelboom,
XXXIIs te deel. 1905. .. . f 6.50.
Journal de G. K. van Hogendorp pendant les troubles de 1787. -Arnoldus Buchelius , Trsjecti Batavorum descriptio. — Uittreksels uit de brieven van D'Affry aan de Fransche regeering (December
1755—Mei 1762). — Journalen van den stadhouder Willem II
nit de jaren 1641-1650. — Brieven van Sylvius en Buat.
XXVIIIste deel. 1907.
.
.
.
f
6.50.
De tegenpaus Clemens VII en het bisdom Utrecht. — Brieven
van J. D. van der Capellen tot den Pol. — Bescheiden betreffende de Doelisten-beweging te Amsterdam in 1748. —
Rekeningen van schilderijen en muziekinstrumenten , door Dr.
Jonas Charisius in 1607 en 1608 in de Nederlanden. gekocht. —
Lijst van ambten en officien ter begeving staande van burgemeesteren van Amsterdam in 1749.
XX1Xste deel. 1908 .. .
f
5.25.
Brieven van Samuel Blommaert am den Zweedschen Rijkskanselier Axel Oxenstierna , 1635-1641. — Brieven van Louis
de Geer, 1618-1652. — Varia betreffende Louis de Geer.
XXXste deel. 1909 .. . . f 5.50.
Onuitgegeven beacheiden nopens de berecning en de overgave
van Amerafoort in 1629. — Utrechtsche kout van 1169. — Een
memorie over de republiek uit 1728. — Twaal onuitgegeven
oorkonden uit de 12e eeuw — Brief over een op den 17den
November 1572 te Delft gehouden vergadering van de Staten
van Holland. — Vroedschapsresolutien , sententien en notarieele
acten betreffende de Noordsche Compagnie.
XXXIste deel. 1910 .. .. f 6.—.
Stukken betreffende de kamers der noordsche compagnie na afloop van het octrooi. — Een Rotterdamsch gedenkschrift nit
den patriottentijd en de dagen der revolutie. — Brieven van
Gijsbert Karel van Hogendorp , 1788-1793. — Advies Nan het
hof van Gelderland aan den Raad van State over het verblijf
van Jezuieten te Emmerik. — Gesprekken met koning Willem I.
— Bengt Ferrner's dagboek van zijne rein door Nederland in 1759.
XXXIIste deel. 1911 .. ..
f
5.50.
Gegevens betreffende de haringvisscherij op het elude der 16de
eeuw. — De Keulsche Nuntius Pallavicino in en over Holland
ten jare 1676. — Doorloopend verhaal van de dienstverrichtingen der Nederlandsche pontonniers onder den majoor G. D.
Benthien 1797-1825. — Bijdrage tot de geschiedenis der
plooierj in 1702. — Oorkonden in de Archives Nationales te
Parija aangaande de betrekkingen der Hollandache graven uit
het Henegouwache en het Beiersche huis tot Frtinkrijk. —
De dijk-aflaat voor Karel V in 1515-1518.
XXXIIIste deel. 1912 . . . .
f
5.75.
Een zestiende-eeuw&che enquete naar de buitennerinrn rondom
de stad Leiden. — Onuitgegeven oorkonden uit de 13de eeuw,
betreffende het klooster Jeruzalem onder Biezelinge op ZuidOorkonden en regesten betreffende de stad Dordrecht
Beveland.
en hare naaste omgeving tijdens het grafelijke huis van Holland,
1006-1299. Aanteekeningen over eene inrichting van hooger
onderwUs te Renen en het onderwijs-personeel, dat er aan verbonden was, in de XVIIde en XVIIIde eeuw. — Johann
Beckmann's dagboek van zijne refs door Nederland in 1762.
XXXIVste deel. 1913. .. f 6.50.
Brieven over het Leycestersche tijdvak uit de papieren van Jean
Hotman. — Adviezen van den. Hollandschen Ingenieur Johan
van Valkenburg over de bevestiging van Rostock. — Lijst van
Nederlanden, studenten te Orleans (1441-1602). Statistische
en andere gegevens betreffende onzen handel en scheepvaart op
Rusland gedurende de 18de eeuw. — De Reguliere Kanunniken
te Utrecht en hun prior Johannes Passert tijdens het Utrecht sche
schisms. Onuitgegeven oorkonden betreffende do hetrekkingen
tusschen Holland en Brabant gedurende de XIIIde eeuw. —
Philips WIlem van Oranje nogmaals aan het Spaansche hof,
ten jare 1602. — Statistiek van den in- en uitvoer van Amsterdam in het jaar 1774. — Statistiek van den in- en uitvoer van
Rotterdam en Dordrecht, in het jaar 1680. — Eenige brieven
over de voorbereiding van den Bredaschen vredehandel van 1575.
XXXVste deel. 1914 .
..
f
3.00.
De oudste goederenlijsten der abdij van Egmond.
Egmondsche
Annalen nit de veertiende eeuw. — Een Amsterdamsche factorij
te Paramaribo in 1613. Eene memorie over den handel der
West-Indische Compagnie omstreeks 4670. — Beschrijving van den
aanslag op Amsterdam in 1650. — Dirk Paulszoon, onderdeken
van St. Maarten en St. Vincentius to Gorkum, de werkelijke auteur
van Marcellinus' vita Sancti Swiberti Apostoli Fresonum. Een
Italiaansch bericht over den laatsten Gelderschen oorlog. Eon
document over de opvoeding van Prins Willem II. — Leven van
St. Radboud. Gegevens betreffende landbouw-toestanden in Rijnland in het jaar 4575. — „Precis de l'etat de l'universite etablie
h Utrecht (1811)".
REGISTER
op de Kronijk van 1846-1854. 1857.
f
1.50.
Minder goed bewerkt dan het latere register, doch veel uitvoeriger,, daar alle voorkomende namen vermeld worden.
op de onderwerpen , behandeld in de Kronijk ,
de Berigten en den Codex diplomaticus. 1877. f 1.50.
REGISTER
Voortreffelijk register, bewerkt door Dr. P. A. Tiele; bevat alleen
de onderwerpen , waarover de artikelen handelen.
BEPALINGEN over
de uitgave van handschriften. 1894.
f 0.25.
BEPALINGEN over
het uitgeven van handschriften, betrekking hebbende op de nieuwe geschiedenis. 1896. f 0.20.
Deze regels , gedeeltelijk gesteld naar Duitsche voorschriften, worden gewoonlijk gevolgd bij de uitgaven van het Historisch
Genootschap.
van de algemeene vergadering der leden van het
Historisch Genootschap . ter gelegenheid van het 50jarig bestaan van het genootschap op 16 April 1895.
1895
f 0 60
VERSLAG
Bevat o. a. een uitvoerig veralag van de rede van prof. Fruin
over den veldtocht van het jaar 1572.
van de algemeene vergadering der leden van het
Historisch Genootschap, op 20 April 1897. 1897. f 0.90.
VERSLAG
Bevat de op deze vergadering gehoudene voordrachten der heeren
De Beaufort, Hofstede de Groot en Muller.
van de algemeene vergadering der leden van het
Historisch Genootschap, op 14 April 1901 1903. f 0.90.
VERSLAG
Bevat de voordrachten van prof. Bussemaker over de opleiding
van historici , van mr. Fruin over schot en bode in Zeeland en
van dr. Brom over het onderzoek der archieven te Rome.
CATALOGUS
der boekerij van het Historisch Genootschap.
(3e uitgave.) 1872. Met 2 supplernenten dd. 1882 en
1895. 3 deelen .........
f
(4.80) 1.50.
Bovenstaande werken zijn, voor zoover zij voorhanden
zijn, voor de leden tegen de helft van den prijs
te bekomen. Men wende zich daarvoor direct tot den
uitgever JOHANNES MULLER te AMSTERDAM.

Documenti analoghi